Skip to content
Case Law
NL

Raad van State - grondslag - 202004638/1/A3

Raad van State - Bestuursrecht

202004638/1/A3 Case
Raad van State

Case Excerpts (3)

other
Bij besluit van 31 oktober 2018 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het verzoek van de maatschap om haar gegevens niet door te geven aan de Brancheorganisatie Akkerbouw afgewezen. De minister heeft de maatschap gemeld dat haar naam, adresgegevens en zogenoemde KvK-nummer zullen worden doorgegeven aan de Brancheorganisatie Akkerbouw en dat de maatschap daartegen bezwaar kan maken op grond van de Algemene Verordening Gegevensverwerking. De minister wil deze gegevens van de maatschap aan de Brancheorganisatie Akkerbouw verschaffen zodat die uitvoering kan geven aan het zogenoemde Gezamenlijk programma Onderzoek en Innovatie. De maatschap heeft vervolgens verzocht om haar gegevens niet door te geven. Zij vindt dat het doorgeven van haar gegevens in strijd is met de AVG, omdat zij daarvoor geen toestemming heeft gegeven. In deze zaak is in geschil of de minister deze gegevens over de maatschap aan de Brancheorganisatie Akkerbouw mag doorgeven.
excerpt
13.4. De minister heeft vastgesteld dat geen toestemming is gegeven voor de verdere verwerking en dat de verdere verwerking niet berust op een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling als genoemd in de aanhef van artikel 6, vierde lid, van de AVG. De minister heeft daarom terecht beoordeeld of het doel van de verdere verwerking verenigbaar is met het doel van de verwerking waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld. Hij heeft daarbij rekening gehouden met de in artikel 6, vierde lid, onder a tot en met e, van de AVG genoemde aspecten en zich op het standpunt gesteld dat de verdere verwerking in dit geval daaraan voldoet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich ten onrechte op dit standpunt gesteld. Daarvoor acht de Afdeling het volgende van belang.
excerpt
De Brancheorganisatie Akkerbouw is een privaatrechtelijke vereniging en treedt op als belangenvertegenwoordiger voor de akkerbouwketens. Niet is gebleken dat aan de Brancheorganisatie Akkerbouw een (deel van een) taak van algemeen belang in het kader van de landbouw is toebedeeld. Voor zover dat wel het geval zou zijn, heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt dat hij een bepaalde mate van verantwoordelijkheid draagt voor de manier waarop de Brancheorganisatie Akkerbouw haar werkzaamheden uitvoert en ook niet of en op welke wijze hij daarop toezicht houdt. Dat de minister van Economische Zaken zich op het standpunt heeft gesteld dat de uit hoofde van het Gezamenlijk programma uit te voeren onderzoeken van algemeen economisch belang zijn, maakt dat niet anders. Opgemerkt dient hierbij te worden dat de verdere verwerking als doeleinde heeft het vereenvoudigen van de registratie en van het innen van de financiële bijdrage in het kader van het Gezamenlijk Programma en dat dit doeleinde niet in het verlengde ligt van het doeleinde waarvoor de gegevens verzameld zijn, te weten de landbouwtelling van artikel 24, tweede lid van de Landbouwwet. Al met al is niet vast komen te staan dat er voldoende verband in de zin van artikel 6, vierde lid, onder a, van de AVG bestaat tussen het doeleinde waarvoor de gegevens zijn verzameld en het doeleinde van de voorgenomen verdere verwerking. In de algemeen verbindendverklaring van de Regelingen is voorts slechts bepaald dat het de Brancheorganisatie Akkerbouw is toegestaan om ook niet-leden te registreren en te verplichten een financiële bijdrage te doen. Daarin is niet opgenomen hoe de voor registratie en inning benodigde gegevens kunnen worden verkregen. Tegen deze achtergrond kan niet gesteld worden dat de verdere verwerking past binnen het kader, waarvoor de gegevens zijn verzameld, zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, van de AVG. Hieruit volgt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het doel van de verdere verwerking ligt in het verlengde van het doel voor de oorspronkelijke verwerking van de gegevens die de minister heeft verzameld op grond van zijn algemene taak voortvloeiende uit de Landbouwwet. Het verband tussen beide doeleinden is niet aannemelijk gemaakt. Gezien dit gebrek verzet, in het licht van artikel 6, vierde lid, onder d, van de AVG, het belang van de maatschap zich tegen de verstrekking van de gegevens aan de Brancheorganisatie Akkerbouw. Omdat het doorgeven van de gegevens van de maatschap aan de Brancheorganisatie Akkerbouw niet als een met het aanvankelijke doeleinde verenigbare rechtmatige verwerking kan worden beschouwd, is deze verwerking door de minister niet rechtmatig.