Case Law
NL Rechtbank Midden-Nederland - persoonsgegevens - C/16/440836 / KG ZA 17-439
Rechtbank Midden-Nederland - Civiel recht
Case Excerpts (3)
other
Twee belangenorganisaties in de geestelijke gezondheidszorg en twee zorgcliënten spanden een kort geding aan omdat zij willen dat de Stichting Benchmark GGZ stopt met de huidige vorm van gegevensregistratie. Die stichting registreert gegevens van zorgtrajecten om de kwaliteit in de branche te verhogen. De eisende partijen vinden dat niet wordt voldaan aan de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Stichting Benchmark GGZ vindt dat de gegevens die zij verwerkt (waar geen namen in staan) niet onder die wet vallen, omdat ze niet op individuele personen herleidbaar zijn. Dat is wel het geval als geregistreerde gegevens toch op individuen herleidbaar zijn door de gegevens met andere informatie te combineren. In een kort geding moet de rechter vaststellen of de eis van de belangenorganisaties en zorgcliënten hoogstwaarschijnlijk ook in een bodemprocedure toewijsbaar zal zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat in deze zaak niet vastgesteld kon worden dat de gegevens wel onder de wet vielen. Voor een definitief oordeel op dat punt is een diepgaander onderzoek nodig.
excerpt
4.20.
excerpt
Wat het beroep van eiseressen op het rapport van de AP van 13 april 2016 aangaat, geldt het volgende. De AP heeft in deze brief de uitgangspunten en de aanbevelingen uit het rapport van Groep 29 herhaald en deze toegepast op de DIS-gegevens van de NZa. Zij heeft daarbij weliswaar ook herhaald dat anonimiseringstechnieken de mogelijkheid moeten uitsluiten om een persoon te individualiseren (‘single out’), om verschillende records in verband te brengen met een individu (‘linkability’) en om informatie over een individu af te leiden (‘inference’), maar zij heeft daarbij niet met zoveel woorden uitgesproken dat gegevens waarbij enkel van ‘singling out’ sprake is, zonder dat de betrokken persoon door directe of indirecte herleiding kan worden geïdentificeerd, onder het begrip persoonsgegevens van de Richtlijn en de Wbp vallen. Daarentegen luiden de bevindingen van de AP dat de DIS-gegevens van de NZa juist persoonsgegevens in die zin vormen omdat zij, met inachtneming van de door de NZa of anderen redelijkerwijs in te zetten middelen, (indirect) herleidbaar zijn tot de persoon. Die herleidbaarheid, aldus de AP, kan zijn gelegen in de combinatie van de (gepseudonimiseerde) DIS-gegevens (met behulp van een koppelnummer) met de bij zorgaanbieders bekende gegevens, of door combinatie van die DIS-gegevens met bij het CBS bekende gegevens. Naar voor de hand ligt (en - wat dit geding aangaat - niet door tegenaanwijzingen wordt ontkracht) doelt de AP daarbij op herleidingsmogelijkheden waarbij de identiteit van de betrokken persoon blijkt. Ook in het rapport van de AP is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond te vinden om het geschilpunt van de ‘singling out’ hier, vooruitlopend op een oordeel in een bodemgeding, te beslechten in de door eiseressen bepleite zin.