Rechtbank Noord-Holland, 13-07-2026 (C/15/376218)
AVG-verzoek. Misbruik van recht.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376218 / HA RK 26-65 Beschikking van 13 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: E. Donkersloot, tegen TUINMEUBELWERELD B.V., T.H.O.D.N. KERSTLAND.NL , te Oud-Beijerland, verwerende partij, hierna te noemen: Tuinmeubelwereld, advocaat: mr. M.J. de Vries. De zaak in het kort [verzoeker] heeft een inzageverzoek gedaan bij Tuinmeubelwereld op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] . [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 september 2025 (met producties), de conclusie van antwoord (met producties), de akte producties van [verzoeker] ontvangen op 17 februari 2026 (met producties), de akte producties van Tuinmeubelwereld ontvangen op 18 februari 2026 (met producties), het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 waarbij de kantonrechter de zaak naar de sector handel heeft verwezen, de akte producties van [verzoeker] ontvangen op 3 mei 2026 (met producties), de akte producties van Tuinmeubelwereld ontvangen op 22 mei 2026 (met producties), de akte wijziging (vermindering) van verzoek van [verzoeker] ontvangen op 23 mei 2026, en de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verzoeker] heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft overgelegd. Tuinmeubelwereld heeft tijdens de mondelinge behandeling haar privacy policy overgelegd. Zowel de spreekaantekeningen als de privacy policy zijn daarmee onderdeel geworden van de processtukken. 1.2. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] - kort gezegd - het standpunt ingenomen dat (een deel van) de akte van 18 februari 2026 en - in geval van een mondelinge behandeling - de conclusie van antwoord buiten beschouwing moeten worden gelaten. Ter zitting heeft de rechtbank medegedeeld en beslist dat daarvoor geen grond is. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. Op 25 november 2023 en 5 december 2023 heeft [verzoeker] via de website kerstland.nl online bestellingen geplaatst bij Tuinmeubelwereld, waarna discussie is ontstaan over de ontvangst en herroeping van de bestellingen. Dat heeft geleid tot een terugbetaling aan [verzoeker] . 2.2. Op 22 augustus 2025 (om 19:35 uur) heeft [verzoeker] aan Tuinmeubelwereld via het e-mailadres hallo@kerstland.nl een e-mail gezonden met daarin de volgende tekst: ´ Eerder op 22 juli jl heb ik u een verzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) toegezonden. Tot op heden heeft u daar niet op gereageerd. U wordt hierbij gesommeerd om binnen 14 dagen na heden alsnog volledig, inhoudelijk en conform de AVG aan mijn inzageverzoek te voldoen. Voor de volledigheid maak ik aanspraak op de buitengerechtelijke kosten in het geval U niet aan deze sommatie voldoet. Deze bedragen EUR 925,-- ex. BTW en zijn berekend conform BGK 2013. ’ 2.3. Op 25 augustus 2025 heeft Tuinmeubelwereld gereageerd en [verzoeker] meegedeeld dat de e-mail van 22 juli niet bij Tuinmeubelwereld is aangekomen. Er wordt gewezen op het feit dat [verzoeker] geen bevestigingsmail heeft ontvangen. Tuinmeubelwereld stelt dat zij het AVG verzoek zal voltooien binnen één maand vanaf 22 augustus 2025. 2.4. In een e-mail van 12 september 2025 is door B. van der Velde via een e-mailadres van Webshop Juristen namens [verzoeker] een conceptdagvaarding gezonden aan Tuinmeubelwereld, waarin wordt gesteld dat [verzoeker] naast nakoming door middel van dwangsommen een bedrag van circa € 3.500,- vordert. In de e-mail wordt ‘de eenmalige gelegenheid geboden om verdere juridische kosten - aan uw zijde - te voorkomen’ en een schikking voorgesteld van € 1.250,- (tegen finale kwijting over en weer), onder de vermelding dat dit aanbod ‘uitdrukkelijk niet onderhandelbaar’ is. 2.5. Op 15 september 2025 (om 14:13 uur) heeft Tuinmeubelwereld een e-mail gestuurd aan [verzoeker] en hem daarin geïnformeerd over de verwerking van zijn persoonsgegevens, waaronder de grondslag, bewaartermijn, verwerkers en contact- en interactiegegevens, onder verstrekking van een aantal onderliggende documenten. 2.6. In een e-mail van diezelfde dag (om 14:23 uur) verwijst [verzoeker] naar de correspondentie vanuit zijn gemachtigde B. van der Velde. Hij schrijft ook ‘ Dat u snel reageert verandert daar niets aan ’. 2.7. In een e-mail op 15 september 2025 (om 16:59 uur) heeft Tuinmeubelwereld inhoudelijk gereageerd op de e-mail van 12 september 2025 van B. van der Velde. Tuinmeubelwereld stelt in deze e-mail dat aan het verzoek van [verzoeker] volledig en tijdig is voldaan en dat er geen sprake is van een (voortdurende) schending van de AVG. Tuinmeubelwereld acht de kwestie daarmee afgedaan. 2.8. B. van der Velde heeft op dit bericht gereageerd bij e-mail van 15 september 2025 (om 20:25 uur). In die e-mail geeft Van der Velde onder meer weer dat de reactie van 15 september 2025 van Tuinmeubelwereld niet voldoet aan artikel 15 AVG en dat [verzoeker] zijn vorderingen volledig overeind houdt en deze zo nodig aan de rechtbank zal voorleggen. Indien Tuinmeubelwereld een schikking wenst te treffen dan dient Tuinmeubelwereld dat uiterlijk 16 september 2025 voor 12.00 uur door te geven. 2.9. In een e-mail van 16 september 2025 (om 8:45 uur) heeft Tuinmeubelwereld [verzoeker] gewezen op zijn recht van rectificatie of verwijdering van persoonsgegevens, zijn recht om beperking van de verwerking van de persoonsgegevens te verzoeken en zijn recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van de persoonsgegevens. Ook heeft Tuinmeubelwereld [verzoeker] gewezen op het recht om een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Bij deze e-mail heeft Tuinmeubelwereld ook documenten gevoegd waaruit de persoonsgegevens voortvloeien. 2.10. In een e-mail van 16 september 2025 (om 08:48 uur) reageert [verzoeker] als volgt: ‘ Ik verwijs andermaal naar mijn eerdere bericht en de correspondentie vanuit mijn gemachtigde. U kunt dit wel ‘negeren’ maar dan gaan we gewoon over tot dagvaarding. ’ 2.11. In een e-mail van 16 september 2025 (om 10:21 uur) gaat Tuinmeubelwereld inhoudelijk in op de stelling van [verzoeker] dat de e-mail van 22 juli 2025 correct is verstuurd. Tuinmeubelwereld benoemt in die e-mail ook dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij zijn vordering, omdat de opgevraagde gegevens inmiddels aan hem zijn verstrekt. Tuinmeubelwereld wijst erop dat [verzoeker] desondanks persisteert in zijn vordering en dat dit kwalificeert als misbruik van recht. Tuinmeubelwereld stelt tot slot dat zij van mening is dat zij aan alle vereisten van artikel 15 AVG heeft voldaan. 2.12. In een e-mail van 16 september 2025 (van 11:11 uur) wordt door B. van der Velde namens [verzoeker] gesteld dat Tuinmeubelwereld niet (tijdig en volledig) aan de AVG-verplichtingen heeft voldaan en de buitengerechtelijke incassokosten reeds verschuldigd zijn. Aangekondigd wordt dat zal worden overgegaan tot dagvaarding. 2.13. In een e-mail van 24 september 2025 wordt door B. van der Velde namens [verzoeker] gesteld dat Tuinmeubelwereld inmiddels is gedagvaard via de deurwaarder. Mocht Tuinmeubelwereld de voorkeur hebben voor een minnelijke regeling in plaats van een procedure bij de rechtbank, dan kan zij dat aangeven. 2.14. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld heeft in reactie op de dagvaarding, waarin E. Donkersloot (hierna: Donkersloot) als gemachtigde is vermeld, aan Donkersloot bij e-mail van 26 september 2025 bericht dat zij als advocaat voor Tuinmeubelwereld zal optreden. Zij deelt daarbij mee dat Tuinmeubelwereld niet in kan stemmen met het aanbod dat op 12 september 2025 is gedaan, maar zich aanbevolen houdt voor een ander aanbod. 2.15. B. van der Velde reageert bij e-mail van 26 september 2025 namens [verzoeker] op dit bericht met de mededeling dat als Tuinmeubelwereld een minnelijke regeling wenst te treffen, zij een passend voorstel kan doen. 2.16. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld verzoekt [verzoeker] per e-mail van 29 september 2025 (van 14:37 uur) om het directe e-mailadres van Donkersloot, aangezien hij als gemachtigde optreedt voor [verzoeker] . Zij stelt dat Tuinmeubelwereld een eventueel schikkingsvoorstel aan Donkersloot zal sturen. 2.17. [verzoeker] reageert per e-mail van 29 september 2025 (van 16:42 uur) op dit bericht van de gemachtigde van Tuinmeubelwereld en geeft aan dat zij het voorstel aan hem kan mailen, omdat hij degene is die erover beslist. 2.18. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld reageert per e-mail van 29 september 2025 (van 16:47 uur) dat zij bij voorkeur correspondeert met de gemachtigde van [verzoeker] , omdat het haar als advocaat niet zomaar vrij staat met [verzoeker] te corresponderen tenzij de gemachtigde van [verzoeker] bevestigt dat dat akkoord is. 2.19. [verzoeker] reageert per e-mail van 29 september 2025 (van 16:49 uur) met een verwijzing naar het bericht dat zij al ontving en de tekst: ‘ Uw cliënt kan een voorstel doen. Dat wordt geaccepteerd - of niet ’. 2.20. Op 2 oktober 2025 stuurt [verzoeker] aan mr. De Vries het volgende bericht: ‘ Uw cliënt heeft tot morgen 12:00 uur en anders vervalt een mogelijke minnelijke regeling. Mij is het verder om het even. We weten beiden wel dat uw reactie hieronder kul is. ’ 2.21. Op 3 oktober 2025 (om 09:26 uur) reageert de gemachtigde van Tuinmeubelwereld op dit bericht van [verzoeker] . Zij verzoekt [verzoeker] nogmaals haar in contact te brengen met Donkersloot. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld benoemt ook dat zij haar twijfels heeft over de hoedanigheid en het bestaan van Donkersloot, omdat [verzoeker] weigert haar in contact te brengen met Donkersloot. 2.22. In een e-mail van 3 oktober 2025 (van 09:31 uur) reageert [verzoeker] dat er geen enkele noodzaak is waarom hij de gemachtigde van Tuinmeubelwereld in contact moet brengen met zijn gemachtigde. Hij bericht de gemachtigde van Tuinmeubelwereld onder meer “u zit te vissen (…) ik kan mij in principe zelfs laten bijstaan door een man met een grote witte baard, een meiter en een gouden staf”, “deze kul werk ik niet aan mee” en “we zien elkaar in de rechtbank” . 2.23. In een e-mail van 20 oktober 2025 (van 11:01 uur) stelt de gemachtigde van Tuinmeubelwereld dat Tuinmeubelwereld enkel vanwege efficiëntie redenen bereid is een eenmalige betaling van € 500,- te doen ter beëindiging van het geschil. Ook bericht zij [verzoeker] dat er geen contactgegevens van Donkersloot zijn verstrekt, dus dat zij ervan uitgaat dat Donkersloot niet bestaat. 2.24. In een e-mail van 20 oktober 2025 (van 11:27 uur) stelt [verzoeker] dat hij in kan stemmen met een schikking van € 1.000,- en bericht dat hij niet is ‘gediend van dit soort kul’ . 2.25. In een e-mail van 22 oktober 2022 (van 15:48 uur) doet de gemachtigde van Tuinmeubelwereld een tegenvoorstel van € 750,- welk aanbod Tuinmeubelwereld gestand houdt tot 24 oktober 2025 om 16:00 uur. 2.26. [verzoeker] reageert per e-mail van 22 oktober 2022 (van 15:50 uur) met ‘ Ik zie uw verweer wel verschijnen. ’ 2.27. In een e-mail van 6 november 2025 stelt [verzoeker] nog steeds open te staan voor een minnelijke regeling. Namens Tuinmeubelwereld is hier niet op gereageerd. 2.28. In een e-mail van 11 november 2025 stelt [verzoeker] dat hij ‘ door bijzondere omstandigheden’ bereid is een regeling te treffen tegen een vergoeding van € 875,-. Namens Tuinmeubelwereld is hier niet op gereageerd. 2.29. [verzoeker] heeft een tuchtklacht ingediend tegen de gemachtigde van Tuinmeubelwereld. In een e-mail van 21 december 2025 vraagt [verzoeker] aan Tuinmeubelwereld of zij openstaat tot het treffen van een minnelijke regeling met als doel de lopende AVG-procedure tussen partijen af te ronden zonder verdere procesvoering. Daarbij merkt hij op ‘onderdeel daarvan zou ook kunnen zijn dat ik de lopende tuchtklacht intrek’ . Namens Tuinmeubelwereld is hier niet op gereageerd. 2.30. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld heeft samen met zes andere advocaten, die allen in procedures optreden namens een wederpartij van [verzoeker] , een gezamenlijke verklaring voor de Deken opgesteld in verband met tuchtklachten die [verzoeker] tegen hen heeft ingediend. In deze verklaring is onder meer opgenomen: ‘ Tegen de advocaten die deze verklaring ondertekenen heeft de heer [verzoeker] tuchtklachten ingediend. Al deze advocaten zijn betrokken bij - vergelijkbare - procedures die [verzoeker] heeft aangespannen tegen onze respectievelijke cliënten. Deze procedures vormen een selectie van de tientallen procedures die [verzoeker] thans voert en waarin hij schadevergoeding vordert voor vermeende inbreuken op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Wij hebben deze gezamenlijke verklaring opgesteld om duidelijk te maken dat [verzoeker] in een groot deel van de procedures die hij voert, op enig moment een klacht indient tegen de advocaten van zijn wederpartijen. Deze klachten lijken louter een strategisch doel te hebben. Klaarblijkelijk hoopt [verzoeker] dat wij als advocaten terughoudend worden in het behartigen van de belangen van onze cliënten. Dat is ijdele hoop. Daarnaast lijkt het de openingszet te zijn voor een volgende ronde procedures, ditmaal tegen de advocatenkantoren die zijn wederpartijen bijstaan. ’ 2.31. In een e-mail van 29 december 2025 (van 14:12 uur) aan de gemachtigde van Tuinmeubelwereld schrijft [verzoeker] onder meer: ‘ Ik heb inmiddels kennis genomen van uw roddel en achterklap met andere advocatenkantoren. U kunt een melding bij de AP tegemoet zien en een nieuwe tuchtklacht. En jij had het over professioneel blijven? Domme kut ’ 2.32. In een e-mail van 29 december 2025 (van 14:32 uur) aan de gemachtigde van Tuinmeubelwereld verzoekt [verzoeker] inzage in zijn persoonsgegevens die het kantoor van de gemachtigde van Tuinmeubelwereld over hem verwerkt. 2.33. In een e-mail van 27 januari 2026 stelt [verzoeker] een minnelijke regeling voor tegen finale kwijting van € 450,- ter compensatie van reeds gemaakte kosten, in ruil waarvoor [verzoeker] de lopende procedure zal doorhalen bij de rechtbank. Namens Tuinmeubelwereld is hier niet op gereageerd. 2.34. In een e-mail van 8 februari 2026 stelt [verzoeker] dat hij ‘uitsluitend vanuit praktisch oogpunt’ bereid is om de lopende procedure ‘volledig in te trekken’ , zonder afstand te doen van zijn inhoudelijke rechtspositie. Dit aanbod houdt in dat partijen ieder hun eigen kosten dragen en de procedure door [verzoeker] wordt ingetrokken. Ook op dit aanbod is namens Tuinmeubelwereld niet ingegaan. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt - na wijziging van zijn verzoek en samengevat - dat de rechtbank: I. Tuinmeubelwereld beveelt hem volledige inzage te verstrekken in alle persoonsgegevens die Tuinmeubelwereld van [verzoeker] verwerkt; II. bepaalt dat als Tuinmeubelwereld niet binnen zeven dagen volledig voldoet aan het onder I. verzochte een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag met een maximum van € 35.000,-; III. Tuinmeubelwereld veroordeelt in de proceskosten conform het toepasselijke liquidatietarief, waaronder begrepen het griffierecht en de explootkosten; IV. bepaalt dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is; V. althans een beslissing neemt die de rechtbank juist acht. 3.2. De aanvankelijk ingediende verzoeken tot toekenning van een schadevergoeding, betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft [verzoeker] niet gehandhaafd. 3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat Tuinmeubelwereld geen volledig, feitelijk en begrijpelijk overzicht heeft verstrekt van alle verwerkte persoonsgegevens, communicatie, interne notities, supporttickets, marketingvoorkeuren, tracking- of cookiedata, of geen uitputtende lijst van ontvangers en (sub)verwerkers heeft verstrekt. Ook heeft Tuinmeubelwereld onvoldoende inzage gegeven in de bewaartermijnen, beveiligingsmaatregelen, doorgiften buiten de EU, profilering of incidenten/datalekken, terwijl [verzoeker] daarom wel heeft verzocht. De wel door Tuinmeubelwereld verstrekte gegevens zijn pas na de daarvoor geldende termijn aan [verzoeker] verstrekt en voldoen niet aan de wettelijke eisen. 3.4. Tuinmeubelwereld verzoekt de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel het verzoek van [verzoeker] af te wijzen. Tuinmeubelwereld stelt daartoe in de eerste plaats dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Tuinmeubelwereld heeft het vermoeden dat het verzoek van [verzoeker] een verdienmodel is, waarvoor hij met zijn online bestelling bewust een constructie heeft opgezet, en dat het hem niet gaat om inzage in zijn persoonsgegevens, maar om geld en eigen gewin. Zijn handelwijze komt vrijwel helemaal overeen met de handelwijze van steeds vaker voorkomende AVG-chanteurs, zoals onder meer omschreven in een blog van advocaat mr. Van Oosten van 21 oktober 2025 en een artikel in het Financieel Dagblad, waarin wordt omschreven hoe misbruik wordt gemaakt van privacywetgeving als verdienmodel en Webshop Juristen met name wordt genoemd. [verzoeker] oefent voortdurend (financiële) druk uit, en dreigt met tuchtklachten, om zijn doel, betaling van een (schade)vergoeding, te kunnen bereiken. Ook poogt hij een rechtsgang te voorkomen: eerst dreigt hij met een hoge schadevordering en kosten, terwijl hij, geconfronteerd met het verweer van Tuinmeubelwereld, uiteindelijk verzoekt om doorhaling van de procedure, met ieder de eigen kosten. Tuinmeubelwereld vermoedt daarnaast dat [verzoeker] valsheid in geschrifte pleegt om zijn doel te bereiken. Tuinmeubelwereld wijst in dat verband op de gemachtigden die [verzoeker] in deze zaak zouden bijstaan (B. van der Velde en E. Donkersloot), maar van wie [verzoeker] weigert de gegevens aan Tuinmeubelwereld te verstrekken en met wie Tuinmeubelwereld op geen enkel moment rechtstreeks contact heeft kunnen leggen. Tuinmeubelwereld stelt dat zij de door [verzoeker] verzochte gegevens binnen de wettelijke termijn met hem heeft gedeeld en dat het belang bij zijn verzoek nergens uit blijkt. Zij verzoekt de rechtbank te bepalen dat [verzoeker] de daadwerkelijk gemaakte proces- en advocaatkosten aan haar dient te betalen. 4 De beoordeling Inleiding 4.1. [verzoeker] heeft bij Tuinmeubelwereld een inzageverzoek ingediend op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Omdat Tuinmeubelwereld, volgens [verzoeker] , niet tijdig en volledig aan dit verzoek heeft voldaan, is [verzoeker] vervolgens een procedure tegen Tuinmeubelwereld gestart. In haar verweer beroept Tuinmeubelwereld zich onder andere en primair op misbruik van recht op grond van artikel 3:13 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit is het meest verstrekkende verweer van Tuinmeubelwereld. Als dit verweer slaagt, dient [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] niet toe. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding eerst op dit verweer van Tuinmeubelwereld in te gaan. Beoordelingskader 4.2. Het verzoek van [verzoeker] moet worden beoordeeld aan de hand van de regels van de AVG en de Uitvoeringswet op de AVG (UAVG). Daarbij is van belang dat [verzoeker] ‘betrokkene’ en Tuinmeubelwereld ‘verwerkingsverantwoordelijke’ als bedoeld in de AVG is. 4.3. Op grond van artikel 15 AVG heeft [verzoeker] recht op inzage in zijn persoonsgegevens. Dit recht is bedoeld om te controleren of de persoonsgegevens die Tuinmeubelwereld van [verzoeker] verwerkt, juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Het recht op bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat voortvloeit uit artikel 8 EVRM en is onder meer vastgelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarin is ook bepaald dat een ieder recht heeft op toegang tot de over hem verzamelde gegevens. Misbruik van dit recht kan niet snel worden aangenomen. 4.4. Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat ‘degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze bevoegdheid niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt’. Bij het aannemen van misbruik van (proces)recht past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de conclusie dat sprake is van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW zwaarwichtige gronden zijn vereist. Dergelijke gronden zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Het doel van het AVG-verzoek kan relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Of sprake is van misbruik van recht moet per zaak worden bezien. 4.5. Daarnaast geeft het bepaalde in artikel 12 lid 5 AVG de verwerkingsverantwoordelijke - onder meer - de mogelijkheid om te weigeren gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken, met name vanwege het repetitieve karakter van deze verzoeken. Dit betreft gevallen van misbruik van recht. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. 4.6. Wat onder buitensporige verzoeken moet worden verstaan is uitgelegd in de “EDPB Guidelines” over artikel 12 AVG. De EDPB Guidelines zijn richtsnoeren die de European Data Protection Board (EDPB) heeft gepubliceerd en waarin verschillende onderwerpen uit de AVG worden verduidelijkt. In de richtsnoeren over artikel 12 AVG is onder meer opgenomen dat een verzoek buitensporig kan worden bevonden wanneer (bijvoorbeeld) een persoon een verzoek indient, maar tegelijkertijd aanbiedt dit verzoek in te trekken in ruil voor een of ander voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke. 4.7. Verder is in dit licht van belang het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2026 over de toepassing van artikel 12 lid 5 AVG. Het hof overweegt hierin - onder meer en voor zover van belang - dat het begrip ‘buitensporige verzoeken’ restrictief moet worden uitgelegd en dat de verwerkingsverantwoordelijke slechts bij wijze van uitzondering kan aanvoeren dat een verzoek buitensporig is. Voor het bewijs van misbruik is, zo overweegt het hof, enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist en anderzijds een subjectief element, namelijk ´ de bedoeling van de betrokkene om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Voor een dergelijke kwalificatie moeten voorts alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen .´ Het hof overweegt ook: ‘ Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om duidelijk aan te tonen dat de betrokkene een verzoek tot inzage op grond van artikel 15 AVG heeft ingediend niet om kennis te nemen van die verwerking, maar om kunstmatige de voorwaarden te creëren om van die verwerkingsverantwoordelijke schadevergoeding te verkrijgen. ’ Aan de hand van alle relevante omstandigheden van het specifieke geval moet worden vastgesteld of sprake is van opzettelijk misbruik door de betrokkene, waarbij opzet kan worden vastgesteld wanneer deze persoon dat verzoek indient voor een ander doel dan kennis te nemen van de verwerking van persoonsgegevens en de rechtmatigheid ervan te controleren. Daarbij gaat het met name om het feit dat de betrokkene gegevens heeft verstrekt zonder daartoe verplicht te zijn, het doel van de verstrekking, de tijd tussen de verstrekking en het verzoek tot inzage en het gedrag van de betrokkene. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik op grond van artikel 12 lid 5 AVG mag rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat de betrokkene stelselmatig verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens en vorderingen tot schadevergoeding indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijken volgens een vergelijkbaar patroon. Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak 4.8. Uit het hiervoor weergegeven beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat voor het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. In dit geval is de rechtbank evenwel van oordeel dat uit wat Tuinmeubelwereld naar voren heeft gebracht, en op basis van wat de rechtbank ambtshalve bekend is, voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Genoegzaam is gebleken dat het [verzoeker] niet daadwerkelijk te doen is om de inzage in zijn persoonsgegevens en de juistheid van deze gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren, maar dat het doel van zijn verzoek is om er financieel beter van te worden. Hoe de rechtbank tot dat oordeel komt, wordt hierna verder uitgelegd. Bij haar oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende met elkaar samenhangende omstandigheden die deels door Tuinmeubelwereld naar voren zijn gebracht en deels ambtshalve aan de rechtbank bekend zijn. In de kern betreft dit het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , alsmede de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen. Daarbij merkt de rechtbank op dat hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, zij deze zaak niet op zichzelf beziet. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt. Procedeergedrag 4.9. Uit de wijze waarop [verzoeker] met Tuinmeubelwereld heeft gecommuniceerd en de inrichting van de dagvaarding blijkt niet dat het [verzoeker] gaat om inzage in zijn persoonsgegevens en wat met die gegevens is gedaan. Zijn benadering van Tuinmeubelwereld en procedeergedrag wijzen juist op het tegendeel. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het onder 2 uitgebreid weergegeven feitelijk verloop, waaruit - onder meer - het volgende valt op te maken. 4.10. [verzoeker] heeft al vanaf zijn tweede bericht op 22 augustus 2025 aan Tuinmeubelwereld, dus nog voordat Tuinmeubelwereld inhoudelijk had gereageerd, stelselmatig gedreigd met de financiële consequenties van zijn inzageverzoek. In dat tweede bericht maakte [verzoeker] al aanspraak op de buitengerechtelijke kosten van € 925,- exclusief BTW indien niet aan zijn inzageverzoek werd voldaan. Dit werd gevolgd door een schikkingsvoorstel van € 1.250,- en de toezending van een conceptdagvaarding op 12 september 2025, waarin naast nakoming door middel van dwangsommen een bedrag van € 3.500,- werd gevorderd, terwijl Tuinmeubelwereld op dat moment al had meegedeeld uiterlijk een maand na 22 augustus 2025 inhoudelijk te zullen reageren op het AVG-verzoek. In plaats van die inhoudelijke reactie op het AVG-verzoek af te wachten heeft [verzoeker] druk gezet op het verkrijgen van een financiële vergoeding. 4.11. Tuinmeubelwereld heeft vervolgens op 15 en 16 september 2025 inhoudelijk op het AVG-verzoek gereageerd. Daarop heeft [verzoeker] op zijn beurt echter niet inhoudelijk gereageerd, terwijl dat wel in de rede lag als het hem daadwerkelijk om inzage te doen was. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven waarom de reactie op het AVG-verzoek niet adequaat zou zijn en welke gegevens in zijn ogen nog zouden ontbreken. In plaats daarvan heeft hij in zijn indringende berichten van diezelfde data (waarvan enkele binnen enige minuten na de berichten van Tuinmeubelwereld zijn gestuurd) verwezen naar de eerdere correspondentie met zijn gemachtigde (het schikkingsvoorstel en de conceptdagvaarding) en gedreigd met een gerechtelijke procedure. Op 16 september 2025 stelt [verzoeker] daarover uitdrukkelijk dat Tuinmeubelwereld ‘ dit wel kan ‘negeren’ maar dan gaan we gewoon over tot dagvaarding ’. Met andere woorden: als Tuinmeubelwereld het schikkingsvoorstel in de e-mail van 12 september 2025 niet zou accepteren, zou een dagvaarding worden uitgebracht. Een andere mogelijkheid heeft [verzoeker] op dat moment niet aan Tuinmeubelwereld geboden. Deze dagvaarding is vervolgens ook kort hierna uitgebracht, waarbij [verzoeker] opnieuw uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijkheid van een minnelijke regeling, bestaande uit een financiële vergoeding. 4.12. In de dagvaarding zelf heeft [verzoeker] niet alleen gevorderd dat volledige inzage werd gegeven in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 35.000,-, maar heeft hij ook verzocht Tuinmeubelwereld te veroordelen aan [verzoeker] te betalen een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-, de buitengerechtelijke kosten van € 925,- exclusief BTW en een vergoeding van werkelijke proceskosten van € 900,- exclusief BTW. [verzoeker] heeft de door hem gevorderde geldbedragen echter niet nader en met stukken onderbouwd. 4.13. In de daaropvolgende communicatie is [verzoeker] aan blijven dringen op een onderlinge regeling in de vorm van betaling van een (schade)vergoeding door Tuinmeubelwereld. In totaal zijn daarover van de zijde van [verzoeker] ongeveer 15 berichten gezonden. Opvallend daarbij is de steeds harder wordende toon van [verzoeker] richting Tuinmeubelwereld en haar gemachtigde. Vooral van belang acht de rechtbank echter dat [verzoeker] in al deze berichten op geen enkel moment inhoudelijk en gemotiveerd heeft gereageerd op de reactie van Tuinmeubelwereld op het AVG-verzoek, maar steeds heeft aangedrongen op betaling van een vergoeding door Tuinmeubelwereld. Ook van belang acht de rechtbank dat [verzoeker] een tegen de gemachtigde van Tuinmeubelwereld ingediende tuchtklacht als pressiemiddel lijkt te gebruiken om zijn doel, betaling van een (schade)vergoeding, te bereiken. [verzoeker] heeft op 21 december 2025 immers bericht dat onderdeel van een minnelijke regeling kan zijn het intrekken van de lopende tuchtklacht. Daardoor kunnen vraagtekens gesteld worden bij de redenen waarom [verzoeker] een tuchtklacht heeft ingediend (die overigens ongegrond is verklaard, zo is ter zitting onbetwist gebleken). 4.14. Na de indiening van het verweer op 10 december 2025 is een wijziging in de proceshouding van [verzoeker] zichtbaar. Vanaf dat moment stuurt [verzoeker] aan op een minnelijke regeling met daarbij de toevoeging dat de procedure tussen partijen zonder beslissing van een rechter wordt afgerond of ingetrokken. [verzoeker] heeft zich daarbij uiteindelijk op 8 februari 2026 zelfs bereid verklaard om de lopende procedure volledig in te trekken, onder de voorwaarde dat ieder van partijen de eigen kosten zou dragen. Zijn aanspraken op een (schade)vergoeding heeft [verzoeker] in dit bericht laten vallen. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet los worden gezien van het door Tuinmeubelwereld ingediende verweer, waarin - naast een gemotiveerd beroep op misbruik van recht - is verzocht [verzoeker] te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Deze wijziging van proceshouding kan niet anders worden gezien dan als een poging een beslissing van de rechter, en daarmee ook een mogelijke veroordeling in de werkelijke proceskosten, te voorkomen. Het feit dat [verzoeker] vervolgens op 23 mei 2026, kort voor de mondelinge behandeling ter zitting, zijn verzoek - zonder nadere toelichting - heeft verminderd en heeft beperkt tot het verkrijgen van inzage, op straffe van een dwangsom, sterkt de rechtbank in deze overtuiging. Ook dit kan redelijkerwijs niet anders worden gezien dan als een poging van [verzoeker] om een niet-ontvankelijkverklaring wegens misbruik van recht en een werkelijke proceskostenveroordeling te ontlopen. Daaraan draagt ook bij dat [verzoeker] zich in een andere, vergelijkbare zaak die ook op 1 juni 2026 op zitting is behandeld heeft laten ontvallen dat een eventuele schadevergoedingsvordering in een andere procedure alsnog gevorderd kan worden. 4.15. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] desgevraagd naar voren gebracht dat zijn schikkingsvoorstellen met name zagen op een vergoeding van de door hem gemaakte kosten en dat hij dus niet probeerde er financieel beter van te worden en dat hij ook niet heeft willen afzien van zijn recht op inzage in zijn persoonsgegevens. Deze toelichting overtuigt niet. In zijn voorstellen naar Tuinmeubelwereld heeft [verzoeker] namelijk geen enkel voorbehoud gemaakt met betrekking tot de inhoud van zijn inzageverzoek. Daarnaast kan de rechtbank [verzoeker] ook niet in zijn redenering volgen, omdat de bedragen waarvoor hij voorstelt te schikken steeds lager zijn geworden, terwijl de kosten voor [verzoeker] in de loop van de procedure niet zullen zijn afgenomen, maar juist zullen zijn toegenomen. Dit strookt ook niet met het laatste schikkingsvoorstel van [verzoeker] , waarin hij voorstelt dat hij de procedure (volledig) zal intrekken en partijen beiden de eigen kosten zullen dragen. Werkwijze in deze en andere zaken 4.16. De handelwijze zoals hiervoor is besproken, heeft [verzoeker] niet alleen gehanteerd tegenover Tuinmeubelwereld, maar ook in andere zaken. De rechtbank heeft naast de zaak tegen Tuinmeubelwereld ook andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven tijdens een zitting behandeld. In deze zaken heeft [verzoeker] een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak. Bij de rechtbank zijn daarnaast ongeveer twintig andere zaken aanhangig waarbij [verzoeker] een vergelijkbare insteek heeft gekozen en een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding heeft gevorderd. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken. Van belang in dit verband is dat vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken hun oorsprong vinden een online bestelling van [verzoeker] of registratie vanwege andere redenen, waarvoor hij persoonsgegevens heeft verstrekt en waarna al dan niet discussie is ontstaan over de ontvangst van de bestelling. Deze bestellingen of registraties zijn enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft hij al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd, waarbij van belang is dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan. 4.17. De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart. 4.18. Uit de door de gemachtigde van Tuinmeubelwereld overgelegde stukken blijkt verder dat [verzoeker] tegen haar en zes andere advocaten een tuchtklacht heeft ingediend. Al deze advocaten zijn betrokken bij vergelijkbare procedures die [verzoeker] heeft aangespannen waarin hij schadevergoeding vordert voor vermeende inbreuken op de AVG. In sommige gevallen heeft [verzoeker] de klachten gepaard laten gaan met een inzageverzoek gericht aan de advocaten zelf. Dit heeft bij de betrokken advocaten tot het vermoeden geleid dat de klachten louter een strategisch doel hebben, namelijk terughoudendheid bij het behartigen van de belangen van de betrokken bedrijven. 4.19. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd en tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft geleid. Dat is in ieder geval aan de orde geweest in de door de gemachtigde van Tuinmeubelwereld aangehaalde vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024 , de rechtbank Rotterdam van 21 november 2025 en deze rechtbank van 24 december 2025 , maar ook de gepubliceerde uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2024 en van deze rechtbank van 16 juli 2025 . Ook nadien is door deze rechtbank één beslissing genomen, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] misbruik maakt van recht. 4.20. Uit al het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden, die zij, zoals namens Tuinmeubelwereld ook is betoogd, vaak maar betalen om van het ‘gedoe’ af te zijn. Betrokkenheid gemachtigden en rol Webshop Juristen 4.21. [verzoeker] verzocht de rechtbank aanvankelijk om Tuinmeubelwereld te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Na vermindering van zijn verzoek gaat het om de proceskostenveroordeling op basis van het zogeheten liquidatietarief. Tuinmeubelwereld heeft echter de identiteit en het bestaan van de gemachtigde van [verzoeker] op gemotiveerde wijze ter discussie gesteld en de rechtbank kan, gelet op de gehele gang van zaken, Tuinmeubelwereld volgen in haar twijfel. 4.22. In deze zaak is de conceptdagvaarding aan Tuinmeubelwereld namens [verzoeker] gestuurd door de heer of mevrouw B. van der Velde. Blijkens de dagvaarding zelf wordt [verzoeker] vertegenwoordigd door Eric Donkersloot van ROI Services B.V. (hierna: ROI). Tuinmeubelwereld wijst erop dat Webshop Juristen de handelsnaam is van ROI. Tuinmeubelwereld wijst er ook op dat [verzoeker] zelf de enig bestuurder en aandeelhouder is van ROI en dat ROI geen werknemers in dienst heeft. Hoewel namens Tuinmeubelwereld aan [verzoeker] herhaaldelijk is verzocht om de contactgegevens van zijn gemachtigde Donkersloot heeft [verzoeker] steeds geweigerd die gegevens te verstrekken. Rechtstreeks contact met Donkersloot heeft dan ook niet plaatsgevonden. Evenmin heeft er rechtstreeks contact met gemachtigde Van der Velde plaatsgevonden. Berichten die aan gemachtigde Donkersloot werden verstuurd op een emailadres van Webshop Juristen werden steevast beantwoord door [verzoeker] zelf. 4.23. Vast staat verder dat Donkersloot [verzoeker] ook niet heeft bijgestaan tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak, terwijl hij ruim voorafgaand aan de zitting op de hoogte was van de zittingsdatum en geen bericht van verhindering heeft gegeven. Ook wist [verzoeker] dat bij Tuinmeubelwereld het vermoeden bestaat dat Donkersloot niet bestaat dan wel geen gemachtigde is. Dit heeft Tuinmeubelwereld immers al in het verweer naar voren gebracht. Desondanks heeft [verzoeker] ervoor gekozen om niet alsnog duidelijkheid te verstrekken over het bestaan en de identiteit van de gemachtigde. Het had in ieder geval op zijn weg gelegen zich ter zitting te laten bijstaan door deze gemachtigde, maar dat is, zoals hiervoor overwogen, niet gebeurd. Hiervoor heeft [verzoeker] geen goede reden kunnen geven, anders dan dat Donkersloot zou zijn verhinderd. Ook heeft [verzoeker] desgevraagd ter zitting niet alsnog helderheid kunnen verschaffen over het bestaan en de identiteit van zijn gemachtigde. Hij heeft volstaan met de mededeling dat Donkersloot zou werken voor ‘dezelfde privacyorganisatie’ als hijzelf, waarvan hij de naam niet heeft willen noemen. Dat is niet genoeg. Dit leidt er dan ook toe dat [verzoeker] het bestaan van zijn gemachtigde niet aannemelijk heeft weten te maken en dat wordt hem aangerekend. 4.24. Bij het voorgaande acht de rechtbank tevens van belang dat Donkersloot niet alleen in deze zaak niet bij de mondelinge behandeling is verschenen, maar ook niet in de andere zaken die op 1 en 9 juni 2026 ter zitting zijn behandeld waarin hij ook als gemachtigde zou optreden. Ook de andere gemachtigden door wie [verzoeker] zich zou laten bijstaan, over wiens bestaan en identiteit in de bewuste zaken ook twijfels zijn geuit, de heer Mitch Weelen en mevrouw J. Morsink, zijn tijdens de zittingen op 1 en 9 juni 2026 zonder goede of aannemelijke reden niet verschenen. Ten aanzien van gemachtigde Weelen, die ook zou optreden via Webshop Juristen, is de rechtbank bij afzonderlijke beschikking van heden in een vergelijkbare zaak tot de conclusie gekomen dat [verzoeker] de identiteit en het bestaan van deze gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt. In eerdergenoemd vonnis van 2 mei 2024 heeft de rechtbank Amsterdam eveneens twijfels geuit over het bestaan van de door [verzoeker] gestelde gemachtigden en de rol en betrokkenheid van [verzoeker] en Webshop Juristen. 4.25. [verzoeker] stelt terecht dat hij zich bij een inzageverzoek op grond van de AVG niet hoeft te laten bijstaan door een gemachtigde of een advocaat. Hij miskent daarmee echter dat hij in dit geval juist stelt zich wél te hebben laten bijstaan. Dat hij daarom ook om een proceskostenveroordeling heeft verzocht, aanvankelijk zelfs in de werkelijke proceskosten, maar vervolgens weigert de gegevens van zijn gemachtigde te verstrekken en het bestaan van de gemachtigde niet aannemelijk maakt, ondersteunt de rechtbank in het oordeel en de overtuiging dat [verzoeker] zijn inzageverzoeken heeft gedaan om daar financieel beter van te worden. Conclusie 4.26. Omdat [verzoeker] misbruik maakt van recht, zal de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling daarvan wordt dan ook niet toegekomen. Proceskostenveroordeling 4.27. Tuinmeubelwereld heeft verzocht om [verzoeker] te veroordelen in de werkelijke proces- en advocaatkosten die in totaal (€ 5.579,95 en € 3.601,54 =) € 9.181,49 bedragen. 4.28. [verzoeker] voert hiertegen verweer en stelt dat de door Tuinmeubelwereld opgevoerde kosten voortvloeien uit een eigen proceskeuze om het debat te verbreden naar dossier overstijgende kwesties die niet relevant zijn voor de kern van het geschil, namelijk de beoordeling van een AVG-verzoek, en dat er ten onrechte kosten worden opgevoerd die zien op overleggen met andere advocaten in verband met “framing” van [verzoeker] . 4.29. Indien sprake is van misbruik van procesrecht, zoals in deze zaak, kan degene die misbruik maakt worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Het stond Tuinmeubelwereld vrij om zich in haar verweer niet te beperken tot het AVG-verzoek zelf, maar ook een beroep te doen op misbruik van recht. Zoals hiervoor is geoordeeld, slaagt dat beroep ook. De gemaakte kosten zijn op adequate wijze toegelicht en gespecificeerd en komen de rechtbank niet onredelijk voor. De gemachtigde van Tuinmeubelwereld heeft bovendien onweersproken toegelicht dat de in rekening gebrachte kosten niet zien op de tuchtrechtelijke procedure of “framing” van [verzoeker] . Om die reden zal de rechtbank de door Tuinmeubelwereld verzochte proceskostenveroordeling volledig toewijzen. 4.30. De rechtbank stelt de proceskosten (inclusief nakosten) van Tuinmeubelwereld op een bedrag van (€ 735,- griffierecht + € 9.181,49 advocaatkosten + € 189,- nakosten =) € 10.105,49. De rechtbank zal de door Tuinmeubelwereld verzochte wettelijke rente toewijzen als na te melden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 10.105,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. Zie in dat verband Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2024, ECLI:NL GHARL:2024:1924. Hoge raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828. Onder meer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2023, C-307/22 (FT). Aantekening 190 van EDPB Guidelines. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2026, C-526/24 (Brillen Rottler/ TC). Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.4. Vgl. 2.28 tot en met 2.30. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774. Rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13631. Rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15801. Rechtbank Noord-Holland 19 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:299. Rechtbank Noord-Holland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7793. Rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6889. Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1450.