Skip to content
Case Law · Raad van State ·ECLI:NL:RVS:2026:4141 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Raad van State, 15-07-2026 (202402966/1/A3)

Raad van State
Summary

Bij besluit van 15 februari 2023 heeft de korpschef een verzoek van [wederpartij] om inzage op grond van de Wet politiegegevens afgewezen. [wederpartij] heeft op 3 oktober 2022 verzocht om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 25 van de Wpg. Volgens [wederpartij] heeft de politie zijn gegevens in de basisregistratie personen (brp) in de periode van 2018 tot en met 19 mei 2022 meer dan achthonderd keer geraadpleegd. [wederpartij] verzoekt om uitleg waarom op zijn naam en op de namen van zijn dochters, ouders en ex-partner is gezocht. Ook wil [wederpartij] weten wie binnen de politie de brp heeft geraadpleegd, wat de redenen daarvoor waren en waar die gegevens voor worden gebruikt en verwerkt. [wederpartij] gaat ervan uit dat van de verwerkingen ook schriftelijke documenten, bijvoorbeeld processen-verbaal, zijn opgemaakt en wenst inzage in die documenten.

How it connects

Full text

202402966/1/A3. Datum uitspraak: 15 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 12 april 2024 in zaak nr. 23/1628 in het geding tussen: [wederpartij], wonend in [woonplaats], en de korpschef. Procesverloop Bij besluit van 15 februari 2023 heeft de korpschef een verzoek van [wederpartij] om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) afgewezen. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 februari 2023 vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de korpschef het inzageverzoek van [wederpartij]opnieuw afgewezen. [wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 23 mei 2024. [wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 april 2026, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. P.G.M. van der Voorn en mr. T. Gillhaus, advocaten in Den Haag, en [wederpartij], zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [wederpartij] heeft op 3 oktober 2022 verzocht om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 25 van de Wpg. Volgens [wederpartij] heeft de politie zijn gegevens in de basisregistratie personen (brp) in de periode van 2018 tot en met 19 mei 2022 meer dan achthonderd keer geraadpleegd. [wederpartij] verzoekt om uitleg waarom op zijn naam en op de namen van zijn dochters, ouders en ex-partner is gezocht. Ook wil [wederpartij] weten wie binnen de politie de brp heeft geraadpleegd, wat de redenen daarvoor waren en waar die gegevens voor worden gebruikt en verwerkt. [wederpartij] gaat ervan uit dat van de verwerkingen ook schriftelijke documenten, bijvoorbeeld processen-verbaal, zijn opgemaakt en wenst inzage in die documenten. 1.1. Bij het besluit van 15 februari 2023 heeft de korpschef het verzoek om inzage afgewezen. Volgens de korpschef gaat het raadplegen van de brp automatisch. Als persoonsgegevens in het politiesysteem worden verwerkt, dan worden de persoonsgegevens automatisch geverifieerd in de brp. Als er meer personen aan een politieregistratie zijn gekoppeld, dan worden alle personen door het systeem in de brp geraadpleegd. Er is volgens de korpschef geen sprake van het specifiek opvragen van gegevens, maar van een koppeling tussen het politieregistratiesysteem en de brp. Het is verder niet inzichtelijk of sprake is van een gerichte bevraging of van een automatische bevraging. Het is wel mogelijk om gerichte bevragingen in de brp te doen, maar daarvan worden geen afzonderlijke documenten aangemaakt. Omdat er daarom geen achthonderd documenten zijn, kan de korpschef niet voldoen aan het verzoek van [wederpartij] om inzage. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van de automatische brp-bevragingen geen stukken zijn opgesteld. Hierbij heeft zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1673. De korpschef heeft echter niet onderbouwd dat er ook van de gerichte brp-bevragingen geen registratie plaatsvindt. Zonder enige nadere motivering en onderbouwing is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat er geen gegevens beschikbaar zijn. Het is aan de korpschef om inzichtelijk te maken welke brp-bevragingen bewust door de politie zijn verricht en welke automatisch. Ook heeft de korpschef het inzageverzoek te beperkt opgevat. [wederpartij] wil namelijk ook de stukken in verband waarmee de brp is geraadpleegd. Als voor de korpschef niet duidelijk was welke stukken over de brp-bevragingen [wederpartij] wilde inzien, dan had de korpschef om opheldering moeten vragen. De korpschef heeft dit nagelaten waardoor het besluit van 15 februari 2023 niet zorgvuldig is genomen. De rechtbank heeft daarom het besluit vernietigd en bepaald dat de korpschef het inzageverzoek opnieuw moet beoordelen en een nieuw besluit moet nemen. Hoger beroep 3. De korpschef betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het inzageverzoek door te oordelen dat de korpschef het verzoek te beperkt heeft opgevat. [wederpartij] heeft pas in zijn beroepschrift gevraagd welke van de bevragingen automatisch zijn gegaan en welke niet. Ook heeft [wederpartij] zich pas in beroep op het standpunt gesteld dat zijn verzoek niet alleen betrekking had op de politieregistratie maar ook op het al dan niet gericht bevragen van de brp. Volgens de korpschef had dit verzoek daarom buiten de reikwijdte van het geschil moeten vallen. De korpschef betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de korpschef niet gehouden is om inzicht te bieden in de vraag of een bevraging gericht of automatisch heeft plaatsgevonden. Wettelijk kader 4. Op grond van artikel 25 van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over onder meer de doelen en de rechtsgrond van de verwerking, de betrokken categorieën van politiegegevens en de herkomst van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens. Beoordeling 5. [wederpartij] heeft in zijn inzageverzoek verzocht om inzage in documenten die volgens hem tot stand zijn gekomen door de brp-bevragingen door de politie. Ook heeft [wederpartij] gevraagd om een uitleg waarom de politie in de brp heeft gezocht naar zijn gegevens en wil hij weten waarvoor de gegevens worden gebruikt en verwerkt. Anders dan de korpschef stelt heeft [wederpartij] zich niet pas in beroep op het standpunt gesteld dat zijn verzoek niet alleen betrekking had op de politieregistratie maar ook op het al dan niet gericht bevragen van de brp. Het verzoek van [wederpartij] ziet op het totaal van brp-bevragingen. [wederpartij] kon zonder het besluit van 15 februari 2023 immers niet weten dat er een onderscheid werd gemaakt tussen gerichte en automatische bevragingen. [wederpartij] wilde met zijn verzoek achterhalen om welke reden zijn persoonsgegevens werden verwerkt en de politie daarvoor de brp raadpleegde. Dat betreft dan ook zowel de gerichte als de automatische bevragingen. De korpschef heeft in het besluit van 15 februari 2023 onvoldoende inzichtelijk gemaakt wanneer een bevraging gericht en wanneer automatisch heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dat besluit daarom terecht vernietigd. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpschef nader moet onderbouwen waarom niet aannemelijk is dat er geen gegevens van de gerichte bevragingen beschikbaar zijn. Het betoog slaagt niet. Het besluit van 23 mei 2024 6. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de korpschef opnieuw afwijzend beslist op het inzageverzoek van [wederpartij] . Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 6.1. In het nieuwe besluit heeft de korpschef het verzoek van [wederpartij] ruim opgevat en een nadere motivering gegeven voor het weigeren van inzage in de gerichte bevragingen en daarmee verband houdende documenten. De korpschef heeft in het besluit toegelicht op welke wijze de brp-bevragingen hebben plaatsgevonden. In het geval dat [wederpartij] contact opneemt met de politie, worden bij gebruik van de politiesystemen de persoonsgegevens automatisch geverifieerd in de brp. Dit is ook het geval als de politie bij [wederpartij] langs gaat naar aanleiding van een melding. Er is dan sprake van een automatische, ongerichte bevraging. Een gerichte bevraging kan plaatsvinden bij een integrale bevraging (BVI-IB) omdat de politie een specifiek brp-gegeven nodig heeft voor een besluit op een inzageverzoek. Ook kan een gerichte bevraging via de applicatie mobiel effectief op straat (MEOS). 6.2. [wederpartij] heeft in zijn beroep tegen het besluit van 23 mei 2024 verzocht om de bevragingen die volgen uit de applicatie MEOS te verstrekken. Ook heeft [wederpartij] verzocht om een onafhankelijk persoon in de politiesystemen te laten kijken om vast te stellen wat er over hem in de politiesystemen staat. Dit zijn geen verzoeken waar de Afdeling in deze procedure een oordeel over kan geven, omdat het buiten de omvang van het hoger beroep valt. Mocht [wederpartij] dit willen, dan moet hij dat verzoeken aan de korpschef. Verder heeft [wederpartij]geen gronden aangevoerd waarom het besluit van 23 mei 2024 onjuist zou zijn. Het van rechtswege ontstane beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 mei 2024 is daarom ongegrond. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 mei 2024 is ongegrond. 8. De korpschef moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2024 ongegrond; III. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding voor [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,25, toe te rekenen aan reiskosten; IV. bepaalt dat van de korpschef van politie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bindels griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 85-1104

Similar Content