Raad van State, 17-07-2026 (BRS.26.000177)
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Full text
BRS.26.000177 ECLI:NL:RVS:2026:4177 Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.38279 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. Appellant, met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 1 september 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’. De minister heeft met het besluit van 7 februari 2024 deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 1 september 2023, omdat de onderwijsinstelling appellant heeft afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister appellant vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. Appellant heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering, omdat hij naar Portugal verhuisd is. 1.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. 1.2. De rechtbank heeft vastgesteld en in hoger beroep is onbestreden gebleven dat appellant gedurende deze procedure de volgende vertaalde stukken heeft overgelegd: • Ingevuld aanvraagformulier verblijfsvergunning (ongedateerd); • Arbeidsovereenkomst van 6 juli 2023; • Uittreksel belastingregister van 12 april 2023; • Uittreksel sociale verzekeringsinstituut van 27 februari 2024; • Verklaring van Portugese gemeente van 28 februari 2024; • Aangifte van emigratie van 25 maart 2024; • Ontvangstbewijs van aanvraag verblijfsvergunning van 22 april 2024; • Voornemen tot afwijzing aanvraag verblijfsvergunning van 20 februari 2025; • Loonstroken van juli 2023 tot en met januari 2024; • Mailwisseling met Portugese advocaat van 18 juli 2024. De eerste grief over illegaal verblijf op het Nederlandse grondgebied 2. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef. De rechtbank overweegt dat het wel van belang is dat een vreemdeling op dat moment op het grondgebied van de EU verblijft. Een andere opvatting zou naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen zijn met het feit dat een terugkeerbesluit geldt voor het gehele grondgebied van de EU. Ook valt niet in te zien dat een vreemdeling zou kunnen voorkomen dat de minister een terugkeerbesluit neemt door alleen te vertrekken naar een andere lidstaat. Dit zou volgens de rechtbank afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het verwijderings- en terugkeerbeleid van de EU. 2.1. Appellant betoogt onder andere, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punt 81, en 7 juni 2016, Affum, ECLI:EU:C:2016:408, punt 48, en paragrafen 1.2, 1.4, 5.2 en 11.3 van het Terugkeerhandboek, dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, daarentegen wel vereist is. 2.2. Appellant betoogt weliswaar terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet noodzakelijk is dat hij op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. De minister heeft de aanwezigheid van appellant op het Nederlandse grondgebied ten tijde van het peilmoment - het besluit van 7 februari 2024 - terecht aangenomen. Daarnaast heeft appellant met de overgelegde stukken het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 6.1 tot en met 6.4. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2.3. De eerste grief faalt. De tweede grief over een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn 3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Zij overweegt daarbij dat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is en onvoldoende is gebleken dat appellant gedurende de zogenoemde ‘expression of interest’-procedure een met het Portugees recht gelijkgesteld rechtmatig verblijf heeft. 3.1. Appellant betoogt onder verwijzing naar de Portugese wetgeving, meer specifiek artikel 88, tweede lid, van Wet nr. 23/2007, dat een vreemdeling gedurende een ‘expression of interest’-procedure in Portugal, wordt behandeld als ware hij in het bezit van een visum op grond van artikel 57-a in samenhang gelezen met artikel 88, zevende lid, van Wet nr. 23/2007. Daarmee is er volgens appellant sprake van een formele gedoogstatus in de zin van paragraaf 1.2 van het Terugkeerhandboek, die als andere toestemming tot verblijf aan te merken is. Deze formele gedoogstatus verschilt van een gedoogsituatie als bedoeld in paragraaf 5.4 van het Terugkeerhandboek, die niet aan te merken is als andere toestemming tot verblijf, aldus appellant. 3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat hij gedurende de door hem beschreven aanvraagprocedure in Portugal een andere toestemming tot verblijf heeft in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075, onder 4 tot en met 4.5. Bij gebrek aan een door Portugal afgegeven document is het de Afdeling niet gebleken of en voor welke periode appellant een andere toestemming tot verblijf heeft in Portugal. Daarnaast volgt uit de verwijzingen van appellant naar Portugese wetgeving niet dat, bij gebrek aan een document, de vrijstelling van het visumvereiste voor de verlening van een Portugese verblijfsvergunning voor bepaalde tijd betekent dat appellant gedurende de aanvraagprocedure een formele gedoogstatus heeft in de zin van paragraaf 1.2 van het Terugkeerhandboek, die als andere toestemming tot verblijf aan te merken is. 3.3. De tweede grief faalt. De derde grief over het evenredigheidsbeginsel in relatie tot de SIS-signalering inzake terugkeer Voorafgaand aan de SIS-signalering inzake terugkeer 4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860 dwingendrechtelijk beschreven staat dat de minister een terugkeerbesluit onverwijld in het SIS moet signaleren, behoudens de in dat artikel opgenomen uitzonderingen. De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat in Verordening 2018/1860 ook rekening is gehouden met situaties als gevolg waarvan de signalering gewist moet worden. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 17 juli 2026, onder 7.1 tot en met 7.4. De derde grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Na een verzoek om de SIS-signalering inzake terugkeer te wissen 4.1. Appellant betoogt verder in hoger beroep dat bij een verzoek tot wissing van een SIS-signalering inzake terugkeer de evenredigheidstoets opgenomen in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 2018/1861, in samenhang gelezen met artikel 19 van Verordening (EU) nr. 2018/1860, niet van toepassing is. Artikel 21 van Verordening (EU) nr. 2018/1861 spreekt immers van "alvorens een persoon te signaleren of de geldigheidsduur van een signalering te verlengen". Niettemin zijn volgens appellant op grond van artikel 53 van Verordening (EU) nr. 2018/1861, in samenhang gelezen met artikel 19 van Verordening (EU) nr. 2018/1860, de artikelen 16 en 17 van Verordening (EU) 2016/679 van toepassing op een verzoek tot het wissen van een SIS-signalering inzake terugkeer. Uit artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/679, volgt dat betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens indien onder meer de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt (subonderdeel a), als de betrokkene overeenkomstig artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/679 bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden zijn voor de verwerking (subonderdeel c) of als de persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt zijn (subonderdeel d). Appellant beroept zich in het licht van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel op alle drie de voornoemde onderdelen. De SIS-signalering is volgens appellant niet geschikt noch noodzakelijk voor het beoogde doel, namelijk het bevorderen van de werking van de Terugkeerrichtlijn, terwijl hij in Portugal mag wonen en werken. Ten slotte is de SIS-signalering volgens appellant niet evenwichtig omdat hij aan alle voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Portugal voldoet, met uitzondering van het ontbreken van een SIS-signalering. 4.1.1. De Afdeling overweegt ten eerste dat appellant in het SIS is gesignaleerd als gevolg van een rechtmatig genomen terugkeerbesluit, zoals uit de beoordeling van de eerdere grieven in deze uitspraak volgt. Ten tweede is appellant gesignaleerd met het doel om te controleren of hij het grondgebied van de EU heeft verlaten en om irreguliere migratie en secundaire bewegingen op het grondgebied tegen te gaan en te ontmoedigen. Zie de punten 5 en 7 van de considerans bij Verordening (EU) nr. 2018/1860. Dit doel is nog altijd actueel en gerechtvaardigd, omdat appellant het grondgebied niet heeft verlaten en ook geen verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf van een andere lidstaat heeft overgelegd. Ten slotte is het feit dat Portugal de SIS-signalering als wettelijke afwijzingsgrond voor een verblijfsrecht gebruikt een aangelegenheid voor de Portugese autoriteiten en rechtspraak. Het is op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2018/1860, aan de Portugese autoriteiten om de Nederlandse autoriteiten ervan in kennis te stellen dat zij appellant een verblijfsvergunning hebben verleend of dat zij voornemens zijn die te verlenen, waarna de Nederlandse autoriteiten de SIS-signalering onverwijld moeten wissen. De Portugese autoriteiten moeten immers beslissen over het toekennen van een verblijfsrecht voor hun grondgebied of over de verwijdering van hun grondgebied. De Afdeling wijst op paragraaf 5.2 van het Terugkeerhandboek. Een Nederlandse rechter kan een wettelijke afwijzingsgrond voor een verblijfsrecht in Portugal niet onevenredig achten. Hij velt alleen een oordeel over de rechtmatigheid van de SIS-signalering inzake terugkeer en de rechtmatigheid van het onderliggende terugkeerbesluit dat door de Nederlandse autoriteiten genomen is. In dit geval heeft rechtbank terecht geoordeeld dat de minister een terugkeerbesluit moest nemen na de beëindiging van het rechtmatige verblijf op het Nederlandse grondgebied en dat hij appellant als direct gevolg daarvan terecht heeft gesignaleerd in het SIS. 4.2. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag over het verzoek om de SIS-signalering inzake terugkeer te wissen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 4.3. De derde grief faalt. Vierde grief over het horen in bezwaar 5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister heeft kunnen concluderen dat het houden van een hoorzitting in bezwaar niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden en hij daarvan af mocht zien. De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4. Gelet op wat appellant in bezwaar heeft aangevoerd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat aan deze maatstaf is voldaan. 5.1. De vierde grief faalt. Conclusie 6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 347-1111 BIJLAGE Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PB L 312 van 7.12.2018) […] (5) Er dient een systeem te worden ingesteld waarmee de lidstaten die krachtens Verordening (EU) 2018/1861 SIS gebruiken, informatie kunnen delen met betrekking tot terugkeerbesluiten die zijn uitgevaardigd jegens onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en waarmee kan worden gecontroleerd of onderdanen van derde landen jegens wie deze besluiten zijn genomen, het grondgebied van de lidstaten hebben verlaten. […] (7) In SIS ingevoerde signaleringen inzake terugkeer en de uitwisseling van aanvullende informatie ten aanzien van die signaleringen dienen de bevoegde autoriteiten te helpen de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de uitvoering van terugkeerbesluiten. SIS dient bij te dragen tot de identificatie van, en tot het delen van informatie door de lidstaten over, onderdanen van derde landen jegens wie een dergelijk terugkeerbesluit is uitgevaardigd, die zijn ondergedoken en die zijn aangehouden in een andere lidstaat. Die maatregelen dienen bij te dragen tot het voorkomen en ontmoedigen van irreguliere migratie en secundaire bewegingen, en dienen de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten te bevorderen. Artikel 19 Toepasselijkheid van de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1861 Voor zover niet in deze verordening vastgesteld, zijn de bepalingen inzake de invoering, verwerking en bijwerking van signaleringen, de verantwoordelijkheden van de lidstaten en eu-LISA, de voorwaarden voor toegang tot en de toetsingstermijn voor signaleringen, gegevensverwerking, gegevensbescherming, aansprakelijkheid en toezicht en statistieken, als vastgelegd in de artikelen 6 tot en met 19, artikel 20, leden 3 en 4, alsook in artikel 21, artikel 23, artikel 32, artikel 33, artikel 34, lid 5, en de artikelen 38 tot en met 60 van Verordening (EU) 2018/1861, van toepassing op de overeenkomstig deze verordening in SIS ingevoerde en verwerkte gegevens. Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 (PB L 312 van 7.12.2018) Artikel 53 Recht op inzage in gegevens, rectificatie van onjuiste gegevens en wissing van onrechtmatig opgeslagen gegevens 1. De betrokkenen kunnen de rechten uitoefenen die zijn neergelegd in de artikelen 15, 16 en 17 van Verordening (EU) 2016/679 en in artikel 14 en artikel 16, leden 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2016/680. 2. Een andere dan de signalerende lidstaat mag aan de betrokkene slechts informatie over persoonsgegevens van de betrokkene die worden verwerkt verstrekken voor zover die lidstaat de signalerende lidstaat vooraf de gelegenheid heeft geboden dienaangaande een standpunt te bepalen. De communicatie tussen die lidstaten geschiedt door middel van de uitwisseling van aanvullende informatie. 3. De lidstaten besluiten overeenkomstig hun nationaal recht geen of slechts gedeeltelijke informatie aan de betrokkene te verstrekken, voor zover en zolang die volledige of gedeeltelijke beperking in een democratische samenleving, met inachtneming van de grondrechten en legitieme belangen van de betrokkene in kwestie, een noodzakelijke en evenredige maatregel is om: a) belemmering van officiële of justitiële onderzoeken of procedures te voorkomen; b) nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen; c) de openbare veiligheid te beschermen; d) de nationale veiligheid te beschermen, of e) de rechten en vrijheden van anderen te beschermen. In gevallen als bedoeld in de eerste alinea op de gebieden stelt de lidstaat de betrokkene schriftelijk en zonder onnodige vertraging in kennis van een eventuele weigering of beperking van de inzage en van de redenen voor die weigering of beperking. Die informatie kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan een van de onder a) tot en met e) van de eerste alinea bedoelde redenen ondermijnen. De lidstaat stelt de betrokkene in kennis van de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende instantie of om beroep in te stellen bij de rechter. De lidstaat registreert de feitelijke of juridische redenen die ten grondslag liggen aan het besluit om geen informatie aan de betrokkene te verstrekken. Die informatie wordt ter beschikking gesteld van de toezichthoudende autoriteiten. Voor deze gevallen kan de betrokkene zijn rechten ook uitoefenen via de bevoegde toezichthoudende instanties. 4. Bij ontvangst van een verzoek tot inzage, rectificatie of wissing informeert de lidstaat de betrokkene, ongeacht of hij zich in een derde land bevindt, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen de in artikel 12, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 genoemde termijnen, van het gevolg dat wordt gegeven aan de uitoefening van de rechten uit hoofde van dit artikel. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016) Artikel 16 Recht op rectificatie De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken. Artikel 17 Recht op gegevenswissing („recht op vergetelheid") 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; […] c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2; d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek" voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken (PB 2017 L 339) 1.2. Illegaal verblijf […] De volgende categorieën personen worden niet als illegaal verblijvend beschouwd, omdat zij een wettelijk recht hebben (dat slechts tijdelijk kan zijn) om in de betrokken lidstaat te verblijven: […] - personen die verblijven in een lidstaat waar zij een formele gedoogstatus hebben (op voorwaarde dat deze status volgens het nationale recht als „legaal verblijf" wordt beschouwd); 5.4. Illegaal verblijvende onderdanen van derde landen die een verblijfsrecht hebben in een andere lidstaat […] De zinsnede „ verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf " is zeer ruim en omvat elke door een lidstaat toegekende status of afgegeven verblijfsvergunning die een recht op legaal verblijf biedt, en niet alleen een aanvaarding van tijdelijk uitstel van terugkeer/verwijdering. […] De zinsnede heeft geen betrekking op de volgende gevallen: — verlopen verblijfsvergunningen op basis van een verlopen verblijfsstatus; — nagemaakte, valse en vervalste paspoorten of verblijfsvergunningen; — documenten waaruit een tijdelijk uitstel van verwijdering blijkt; — gedoogsituaties (voor zover gedogen geen wettelijk verblijfsrecht impliceert).