Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7458 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 07-07-2026 (13-114793-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB Polen; artikel 12 OLW: 12 sub a OLW aan de orde; overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-114793-26 Datum uitspraak: 7 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 29 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 februari 2026 door the Regional Court in Szczecin, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een vonnis van the District Court in Gryfice van 20 september 2022 met kenmerk II K 150/22. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 mei 2026 blijkt dat er arrest in hoger beroep is gewezen door the Regional Court in Szczecin op 30 oktober 2023 met kenmerk IV Ka 137/23. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Szczecin van 30 oktober 2023 met kenmerk IV Ka 137/23 toetsen aan artikel 12 OLW. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van 8 mei 2026 blijkt niet wie het hoger beroep heeft ingesteld. Daarnaast is niet gebleken of opgeëiste persoon een advocaat zou hebben gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde is. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard. De opgeëiste persoon heeft zelf voor ontvangst van de oproep getekend. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat van toepassing van de weigeringsgrond kan worden afgezien om die hiervoor genoemde omstandigheden. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 8 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 13 juli 2023 op zijn adres in Nederland in persoon is gedagvaard en voor ontvangst van die oproep heeft getekend. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. De opgeëiste persoon heeft op de zitting ook bevestigd dat het inderdaad zijn handtekening is die op het door de Poolse autoriteiten meegestuurde bewijs van aflevering van de oproep staat vermeld. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Het verweer wordt verworpen. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: mishandeling; mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

Similar Content