Rechtbank Amsterdam, 15-07-2026 (13-269311-24)
Executie EAB uit België. Artikel 12: Gelet op de arresten Khuzdar en Höldermann geen sprake van de sitatie als bedoeld in artikel 12, sub b OLW. Afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Artikel 6a OLW: Het toetsingskader van de OLW biedt de rechtbank geen ruimte om in kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW rekening te houden met een door de uitvaardigende justitiële autoriteit genoemde, fictieve, datum voor de vervroegde invrijheidstelling van een opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW: het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte detentiegarantie voor opgeëiste persoon weggenomen. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Overlevering toestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-269311-24 Datum uitspraak: 15 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2024 door het Parket Antwerpen - Sectie Strafuitvoeringsrechtbank, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres 1] , nu gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. A.M. Rus, advocaat in Maastricht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een: 1. Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 8 november 2023. 2. Vonnis SUR van 29 mei 2024, waarbij het ET werd ingetrokken. Als kenmerk wordt gegeven: Referentie: SUR 24/0640 - Arrestnummer C/1399/2023. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 821 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat nu de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW getoetst dient te worden. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zich de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b voordoet. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de arresten Khuzdar en Höldermann van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU). Uit het Khuzdar-arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Uit het Höldermann-arrest volgt dat aan deze voorwaarde is voldaan indien een dagvaarding of oproep is betekend aan een advocaat die door de opgeëiste persoon is gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die door hem is aangewezen om betekeningen in ontvangst te nemen. Uit de overwegingen onder 76 en 84 in het Khuzdar-arrest blijkt verder dat voor de vaststelling dat de opgeëiste persoon op de hoogte gesteld moet zijn of worden geacht te zijn gesteld alle relevante omstandigheden, waaronder het gedrag van de opgeëiste persoon zelf, mogen worden betrokken. In de zaak van de opgeëiste persoon heeft de opgeëiste persoon zelf hoger beroep ingesteld. Het appelschriftuur vermeldt een adres van de opgeëiste persoon. Dat adres komt overeen met het eerder door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon is vervolgens op dat adres opgeroepen. Dat maakt dat in de onderhavige zaak de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank op grond van dezelfde argumenten verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen, te weten het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 8 november 2023. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen en zijn verdediging te voeren. Uit de informatie blijkt ook dat deze advocaat het hoger beroep heeft ingesteld en tijdens het proces de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. Bij de vaststelling of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het van het voorgenomen proces dient, gelet op het Khuzdar-arrest, voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis moet zijn gesteld niet is vervuld. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan de voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon bij de Belgische autoriteiten geen adres heeft opgegeven waarop hij gedurende de procedure in hoger beroep bereikbaar moest zijn. Wel is in de door de gemachtigd advocaat ingediende akte van instellen van het appel een adres van de opgeëiste persoon vermeld. Dit is hetzelfde adres als het adres vermeld in de Basisregistratie Personen, te weten het adres [adres 2] . De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar dit adres gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld als bedoeld in het Khuzdar-arrest. Daarnaast is niet gebleken van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet heeft vermeden dat hij officieel in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich daarom niet voor. Vervolgens is niet gebleken dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en om hem ter zitting in hoger beroep te verdedigen. Deze advocaat heeft ook daadwerkelijk de verdediging in hoger beroep gevoerd. Daarnaast is de opgeëiste persoon voor de zitting in hoger beroep opgeroepen op het adres waar hij volgens de Basisregistratie Personen staat ingeschreven en welk adres tevens staat vermeld in de akte van instellen van het hoger beroep en de schriftelijke uiteenzetting die is ingediend tijdens het hoger beroep. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, maar dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de zittingen in hoger beroep aanwezig te zijn. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon naar voren gebracht dat hij alleen zijn straf in Nederland wil uitzitten als de Belgische regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing is. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de overlevering te weigeren en de straf over te nemen op grond van artikel 6a OLW, mits de rechtbank de in het certificaat genoemde (fictieve) datum van de vervroegde invrijheidstelling van de opgeëiste persoon met zoveel woorden in de uitspraak opneemt. Indien de rechtbank deze datum niet opneemt, doet de opgeëiste persoon uitdrukkelijk geen beroep op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW. Hij doet hier uitdrukkelijk ook geen beroep op in het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de detentieomstandigheden als bedoeld in artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de OLW geen ruimte biedt voor het overnemen van een, al dan niet fictieve, datum van vervroegde invrijheidstelling van de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank Het toetsingskader van de OLW biedt de rechtbank geen ruimte om in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW rekening te houden met een door de uitvaardigende justitiële autoriteit genoemde, fictieve, datum voor de vervroegde invrijheidstelling van een opgeëiste persoon. De vervroegde invrijheidstelling is een uitvoeringsbeslissing die is voorbehouden aan de instantie die over de executie van de straf gaat. De raadsvrouw heeft meerdere keren bevestigd dat de opgeëiste persoon geen beroep op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW doet als de rechtbank de fictieve datum voor zijn vervroegde invrijheidstelling niet kan opnemen in de uitspraak. Gelet hierop en in het licht van wat hierboven is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de (facultatieve) weigeringsgrond zoals opgenomen in artikel 6a OLW. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13a OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan: het zwaartepunt van de strafbare feiten ligt in België, de opgeëiste persoon en de medeverdachten zijn in België veroordeeld en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft ten aanzien van deze weigeringsgrond geen standpunt ingenomen. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. In het licht van wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 8 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Bij brief van 8 mei 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden ? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling ? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven zijn een papieren werkelijkheid. Uit diverse recente nieuwsberichten en uit verklaringen van personen die in de Belgische detentie-instellingen gedetineerd zijn geweest blijkt, onder meer, dat gedetineerden niet kunnen douchen, dat gedetineerden worden opgesloten in een cel waar het 40 graden is en dat zij slechts een minimale tijd hun cel uit mogen. De overbevolking is daarbij het grootste probleem, naast het gebrek aan gevangenispersoneel. Uit de nieuwsberichten en de verklaringen blijkt dat de situatie bovendien steeds verder verslechtert. Er zijn al meerdere personen geweest die suïcide hebben gepleegd vanwege plaatsing in een Belgische detentie-instelling of vanwege de dreiging dat ze daar gedetineerd zouden worden. Dat geldt ook voor een vriend van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon zelf is onder meer om die reden ook depressief en suïcidaal. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie en dat de detentiegarantie dus wordt nageleefd. Door de raadsvrouw zijn ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op basis waarvan de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 8 mei 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten in de individuele garantie van 8 mei 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). Hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Vanwege het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar voor gedetineerden in België heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar wordt weggenomen voor de opgeëiste persoon. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. Hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht is bovendien onvoldoende om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7, 12 en 13 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket Antwerpen - Sectie Strafuitvoeringsrechtbank, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG413126359891lÈ G413126359891 Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416. HvJ EU 21 mei 2026, C‑447/24, ECLI:EU:C:2026:417. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie Khuzdar , punt 71 – 72. Zie Khuzdar , punt 75-76 en 80. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.