Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7007 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 09-07-2026 (1312228626)

Rechtbank Amsterdam
Summary

EAB Polen; verweer m.b.t. artikel 12 OLW verworpen; overlevering toegestaan.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-122286-26 Datum uitspraak: 9 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2024 door the Regional Court in Kielce , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M Wolters, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Kielce van 19 juli 2023 met kenmerk II K 717/23 , zoals gewijzigd bij het arrest van the Regional Court in Kielce van 11 april 2024 met kenmerk IV Ka 1873/23. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en negen maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest. Dit vonnis en arrest betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, subsidiair dat de zaak moet worden aangehouden om een verzetgarantie op te vragen. Uit de aanvullende informatie volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waar de opgeëiste persoon niet bij aanwezig was. De opgeëiste persoon was hiervan niet op de hoogte. Hij heeft geen opdracht gegeven aan de advocaat die hem in eerste aanleg bijstond, om in hoger beroep te gaan. De oproep voor de zitting in hoger beroep heeft hij niet ontvangen. Hij heeft ook geen advocaat gemachtigd om namens hem het woord te voeren tijdens de zitting in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft dus niet zijn verdediging kunnen voeren of overleg gehad met een gemachtigd advocaat. Hij had bij de zittingen in hoger beroep aanwezig willen zijn. Deze omstandigheden maken ook dat niet van toepassing van de weigeringsgrond kan worden afgezien. De opgeëiste persoon zou daarom een verzetgarantie moeten krijgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW aan de orde is bij het proces in hoger beroep, waardoor de weigeringsgrond niet van toepassing is. Zij heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon bij zijn voorgeleiding heeft verklaard dat hij wist van het hoger beroep, dat hij een adres in Kielce (Polen) heeft opgegeven, maar op een bepaald moment vertrokken is naar Nederland. Uit die verklaring en de aanvullende informatie is af te leiden dat aan alle elementen van artikel 12, sub b, OLW is voldaan, ook in het licht van de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB en de aanvullende informatie 15 mei 2026 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. De rechtbank stelt tevens vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Uit de aanvullende informatie van 19 mei en 5 juni 2026 blijkt weliswaar dat de zittingen (die plaats vonden 5 maart en 11 april 2024) werden bijgewoond door de advocaat van de opgeëiste persoon maar niet is gebleken dat de advocaat door de opgeëiste persoon was gemachtigd om in hoger beroep hem te verdedigen. Daarom is de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW niet aan de orde. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. In de aanvullende informatie van 15 mei 2026 staat onder meer vermeld dat de opgeëiste persoon van 11 februari 2023 tot aan de zitting in eerste aanleg van 19 juli 2023 waar hij aanwezig was (en op welke datum ook het vonnis in eerste aanleg is gewezen) heeft vastgezeten in voorlopige hechtenis. Ook staat vermeld: “On 29 september 2023, a defence counsel appointed by [de opgeëiste persoon] filed an appeal from the judgment of the Local Court in Kielce (…).” In de aanvullende informatie van 19 mei 2026 staat, voor zover hier van belang: “fugitive [de opgeëiste persoon] did not appear for the sentencing hearing on 11 April 2024 in a court case ref. IX Ka 1873/23 tried by the Regional Court in Kielce (he was duly notified about the hearing date on 21 February 2024). The sentencing hearing was attended by his defence counsel – solicitor Aleksandra Adamiec, who substituted for solicitor Karol Jakubczyk.” In de aanvullende informatie van 5 juni 2026 staat, onder meer: “ [de opgeëiste persoon] did not attend an appeal hearing on 5 March 2024, a postal advice note was duly left at his address, the court correspondence was not collected within prescribed time limit, it was placed on the case file and deemed effectively served upon the addressee on 21 February 2024. The hearing was attended by Agata Kot, a trainee solicitor of his choice, acting upon authorisation of solicitor Karol Jakubczyk. [de opgeëiste persoon] did not attend the next hearing on 11 April 2024. The Court did not send him a notice to appear as the hearing was paused until a later date, which was notified to those present at the hearing. The hearing was attended by Aleksandra Adamiec, a solicitor of his choice, acting upon authorisation of solicitor Karol Jakubczyk.” Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon bij het proces in eerste aanleg aanwezig was. Volgens zijn raadsman had hij daarbij bijstand van een Poolse advocaat. Uit de aanvullende informatie van 15 mei én 5 juni 2026 blijkt dat een advocaat, die door hem aangesteld was (“appointed”) op 29 september 2023 hoger beroep heeft ingesteld. Ten tijde van de voorgeleiding van de opgeëiste persoon op 25 april 2026 heeft hij zelf ook verklaard dat er hoger beroep is geweest in zijn zaak en dat hij zijn advocaat daarvoor heeft betaald. Ook heeft hij gezegd dat zijn advocaat hoger beroep heeft ingesteld. Op de vraag wanneer het hoger beroep is behandeld, heeft hij geantwoord dat hij geen idee heeft, ook omdat hij geen contact meer heeft gehad met de advocaat. Op de vraag waarom hij geen contact had, heeft hij geantwoord dat hij na zeven maanden naar Nederland is vertrokken. Op de zitting heeft de advocaat naar voren gebracht dat de advocaat in eerste aanleg voor hem optrad (en dat dat door een vriend werd betaald, dat de opgeëiste persoon die vriend heeft terugbetaald en dat de opgeëiste persoon niet wist voor welke diensten van de advocaat hij had betaald) en dat alle contact geëindigd is na het vonnis in eerste aanleg; ook heeft de opgeëiste persoon zelf op de zitting gezegd dat hij niets van het hoger beroep afwist. Wel zou hij nog – na zijn vrijlating op 19 juli 2023 – een aantal maanden op een door hem opgegeven adres in Kielce gewacht hebben op post van de Poolse autoriteiten. Dit heeft hij overigens ook bij zijn voorgeleiding verklaard. De oproep voor de eerste zitting van het proces in hoger beroep, op 5 maart 2024, is overigens – zo blijkt uit de aanvullende informatie – naar zijn adres gestuurd, maar niet tijdig opgehaald. Op de eerste zitting in hoger beroep, van 5 maart 2024, is de opgeëiste persoon verdedigd door een advocaat, die waarnam voor zijn eigen advocaat. Op die zitting is ook de tweede zitting, op 11 april 2024, aangezegd aan de aanwezige advocaat. Op deze vervolgzitting is wederom een waarnemer van zijn advocaat aanwezig geweest, die de opgeëiste persoon ook op die zitting heeft verdedigd. Vervolgens is arrest gewezen. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en het strafproces in hoger beroep, waarna hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Ook heeft hij verzuimd om contact te houden met zijn advocaat die voor hem hoger beroep had ingesteld. Het feit dat de opgeëiste persoon op zitting ontkend heeft niet van het hoger beroep af te weten, maakt dit niet anders, nu hij eerder bij de rechtbank wel verklaard heeft dat hij van het hoger beroep afwist en dat zijn advocaat dat had ingesteld en daarbij niet heeft aangegeven waarom niet langer van zijn eerdere verklaring mag worden uitgegaan. Bovendien heeft hij op zitting wederom verklaard een aantal maanden op een adres in Polen verbleven te hebben, omdat hij daar nog post verwachtte. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Kielce (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

Similar Content