Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7255 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-105541-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Verzamelvonnis. Artikel 2 OLW: het EAB is niet genoegzaam ten aanzien van feit XV. De rechtbank zal daarom de overlevering voor onderliggend vonnis E weigeren. Artikel 12 OLW: sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW; in persoon verschenen; en afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: verweer met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden verworpen. Overige verweren: een eerdere overleveringsprocedure voor (gedeeltelijk) dezelfde feiten - zelfs als de overlevering eerder is geweigerd - vormt geen weigeringsgrond die aan de toelaatbaarheid van de overlevering in de weg staat. Overlevering voor de overige vonnissen toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-105541-26 Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juni 2023 door the Regional Court in Białystok III Criminal Division , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 17 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie over de eventuele procedure in hoger beroep in verband met het vonnis met kenmerk III K 24/13 op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. Zitting van 2 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, als waarnemer voor mr. R.H. Lagerweij, beiden advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Białystok van 2 juli 2018, met kenmerk III K 68/18 (hierna: het verzamelvonnis). Uit onderdeel E) van het EAB en de aanvullende informatie van 1 juni 2026 en 15 juni 2026 volgt dat de volgende vonnissen aan het verzamelvonnis ten grondslag liggen: 1. een verzamelvonnis van the Regional Court in Białystok van 22 april 2013, met kenmerk III K 24/13 (hierna: onderliggend verzamelvonnis 1). Aan dit vonnis liggen de volgende vonnissen ten grondslag: a. een vonnis van the District Court in Białystok van 5 december 2008, met kenmerk XV K 1447/08 (hierna: onderliggend vonnis A); b. een vonnis van the Regional Court in Białystok van 26 januari 2010, met kenmerk III K 221/08 (hierna: onderliggend vonnis B); c. een vonnis van the District Court in Białystok van 28 juni 2010, met kenmerk VII K 240/10 (hierna: onderliggend vonnis C); d. een vonnis van the District Court in Białystok , met kenmerk VII K 724/10 (hierna: onderliggend vonnis D); e. een vonnis van the District Court in Białystok van 13 januari 2010, met kenmerk XV K 947/10 (hierna: onderliggend vonnis E). 2. een vonnis van the Regional Court in Białystok van 29 juni 2015, met kenmerk III K 197/11 (hierna: onderliggend vonnis 2). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twaalf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf jaren, één maand en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis van 2 juli 2018. Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft aangevoerd dat feit XV is gepleegd op 23 maart 2010, terwijl het onderliggend vonnis E is gewezen op 13 januari 2010. Uit het EAB blijkt niet dat de feiten per maand op chronologische volgorde zijn opgeschreven en dat de pleegdatum daarom kennelijk in 2009 had moeten liggen. Daarnaast heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 1 juni 2026 opnieuw aangegeven dat onderliggend vonnis E dateert van 13 januari 2010. De behandeling van de zaak moet worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, dan wel dat de overlevering voor feit XV moet worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit het EAB volgt dat de feiten op chronologische volgorde zijn opgeschreven. Aangezien feit XIV dateert van 2 september 2009 en feit XVI dateert van 5 oktober 2009, moet feit XV logischerwijs ook in 2009 zijn gepleegd. Pas vanaf feit XXIII gaat het om feiten die zijn gepleegd in 2010. Er is waarschijnlijk sprake van een kennelijke verschrijving. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank stelt vast dat feit XV, waarop het onderliggend vonnis E ziet, blijkens onderdeel e) van het EAB zou zijn gepleegd op 23 maart 2010. De beslissing in onderliggend vonnis E dateert echter van 13 januari 2010. Het is feitelijk gezien niet mogelijk dat een veroordeling plaatsvindt voordat een strafbaar feit is gepleegd, waardoor het voor de opgeëiste persoon onduidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en op welke datum feit XV heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het EAB ten aanzien van feit XV dan ook niet genoegzaam. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, zal de rechtbank de overlevering voor feit XV en onderliggend vonnis E weigeren. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon betwist dat hij in persoon is gedagvaard voor de zitting die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Białystok van 29 augustus 2013, met kenmerk II AKa 151/13. Dit arrest betreft het hoger beroep tegen onderliggend verzamelvonnis 1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Uit de aanvullende informatie van 26 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2013 in persoon is gedagvaard voor de zitting die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Białystok van 29 augustus 2013. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Ten aanzien van onderliggend vonnis 2 heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 1 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de eerste 23 zittingsdagen. Hij zat toen een gevangenisstraf uit in een andere zaak. Deze straf is tijdelijk onderbroken, maar de opgeëiste persoon is niet teruggekeerd naar de gevangenis. De opgeëiste persoon heeft op 21 oktober 2014 telefonisch contact gehad met de rechtbank en daarbij aangegeven dat de zitting van die datum in zijn afwezigheid kon plaatsvinden. Hij heeft er dan ook zelf voor gekozen om bij de zitting van 21 oktober 2014 en de daaropvolgende zittingen niet in persoon aanwezig te zijn. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is namelijk geïnformeerd over de verplichting om een adreswijziging door te geven. Dit heeft hij ook gedaan, maar de opgeëiste persoon verbleef niet op het opgegeven adres. De oproepingen voor de latere zittingsdagen zijn naar het adres van de opgeëiste persoon gestuurd, maar niet door hem in ontvangst genomen. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het verzamelvonnis (met kenmerk III K 68/18) De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 14 juni 2018 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van het onderliggend verzamelvonnis 1 (met kenmerk III K 24/13) Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 22 juni 2026 en 26 juni 2026 blijkt dat in deze zaak sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Białystok van 29 augustus 2013, met kenmerk II AKa 151/13. De rechtbank zal daarom deze beslissing van the Court of Appeal in Białystok van 29 augustus 2013 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 26 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2013 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de aanvullende informatie van 26 juni 2026 onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van het onderliggend vonnis A (met kenmerk XV K 1447/08), het onderliggend vonnis B (met kenmerk III K 221/08) en het onderliggend vonnis C (met kenmerk VII K 240/10) De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 juni 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van het onderliggend vonnis D (met kenmerk VII K 724/10) De Engelse vertaling van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 juni 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting waarop het vonnis is uitgesproken. De officier van justitie heeft op de zitting van 17 juni 2026 aan de tolk gevraagd om deze zin uit de oorspronkelijke Poolse tekst van de aanvullende informatie van 15 juni 2026 te vertalen. Uit de vertaling van de tolk van de originele Poolse tekst blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot de uitspraak heeft geleid. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van het onderliggend vonnis 2 (met kenmerk III K 197/11) Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon - samen met zijn advocaat - in persoon is verschenen bij 23 van de 29 zittingen die tot de beslissing hebben geleid. De opgeëiste persoon heeft op 21 oktober 2014 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en daarbij gevraagd of de zitting van die datum in zijn afwezigheid kon plaatsvinden. De opgeëiste persoon is op de zitting van 21 oktober 2014 en de vijf daaropvolgende zittingen niet meer in persoon verschenen. De advocaat van de opgeëiste persoon is wel steeds bij alle zittingen aanwezig geweest. De opgeëiste persoon is geïnformeerd over de verplichting om een adres op te geven, hetgeen hij bij brief van 30 mei 2014 heeft gedaan. De oproepingen voor de zittingen waar de opgeëiste persoon niet is verschenen zijn steeds naar het door hem opgegeven adres verzonden, maar niet opgehaald. Gelet op het voorgaande was de opgeëiste persoon op de hoogte van de procedure die tegen hem liep, maar heeft hij er op enig moment voor gekozen om niet meer ter zitting te verschijnen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 6 Strafbaarheid 6.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten (behoudens de feiten I tot en met III, VI, VII, IX tot en met XII, XXII en XXIV) aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen; racketeering en afpersing; vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I tot en met III, VI, VII, IX tot en met XII, XXII en XXIV niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd; overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd; door geweld of enige andere feitelijkheid/bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting; eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; mishandeling; diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; verduistering. 7 Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft op de zitting van 17 juni 2026 aangevoerd dat de opgeëiste persoon lijdt aan een oogziekte waarvoor in Polen niet de juiste behandeling beschikbaar is. De opgeëiste persoon stelt daarom detentieongeschikt te zijn. Bovendien verklaart hij dat hij door de rechtbank in Ostroleka al tweemaal in vrijheid is gesteld, omdat hij in Polen niet voor de oogziekte behandeld kon worden. De Poolse advocaat van de opgeëiste persoon heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank in Ostroleka om nadere informatie over de medische toestand en de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon te verkrijgen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om deze informatie af te wachten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op de zitting van 17 juni 2026 verzet tegen aanhouding van de zaak. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan uit worden gegaan dat de zorg in Poolse detentie voldoende is. De rechtbank heeft geen algemeen gevaar aangenomen voor een onmenselijke of vernederende behandeling wegens onvoldoende zorg in Poolse detentie. Omdat hiervoor geen algemeen gevaar bestaat, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel gevaar wegens de zorg in Poolse detentie. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen. Daarnaast heeft de raadsvrouw ook niet dergelijke gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van grondrechten voor veroordeelde gedetineerden in Polen die kampen met medische problemen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Overigens is ook niet gebleken dat de opgeëiste persoon zodanig specialistische zorg nodig heeft en dat deze zorg niet in Polen kan worden geboden, zodat vanwege zijn specifieke situatie een algemeen gevaar zou moeten worden aangenomen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de informatie van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon af te wachten. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 8 Overige verweren Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft op de zitting van 17 juni 2026 aangevoerd dat voor de feiten IX tot en met XII in Engeland al een overleveringsprocedure heeft plaatsgevonden. De overlevering van de opgeëiste persoon is toen geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft op de zitting van 17 juni 2026 aangevoerd dat de eerdere overleveringsprocedure in Engeland niet relevant is, aangezien kennelijk nog voldoende strafrestant over is om opnieuw om de overlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat een eerdere overleveringsprocedure voor (gedeeltelijk) dezelfde feiten - zelfs als de overlevering eerder is geweigerd - geen weigeringsgrond vormt die aan de toelaatbaarheid van de overlevering in de weg staat. De rechtbank moet het onderhavige, nieuwe EAB zelfstandig beoordelen. Hoewel daarbij in voorkomende gevallen rekening kan worden gehouden met de reden van weigering van de overlevering door de andere lidstaat, in dit geval Engeland, is in de zaak van de opgeëiste persoon niet gebleken dat de reden voor de weigering door Engeland is gelegen in een schending van het recht op een eerlijk proces op grond waarvan de rechtbank in deze nieuwe procedure de overlevering ook zou moeten weigeren. Bovendien kan sprake zijn van gewijzigde omstandigheden of aanvullende informatie waardoor de overlevering van de opgeëiste persoon nu wel toelaatbaar kan worden geacht. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 9 Slotsom De rechtbank stelt ten aanzien van het verzamelvonnis (met kenmerk III K 68/18); het onderliggend verzamelvonnis 1 (met kenmerk III K 24/13); het onderliggend vonnis A (met kenmerk XV K 1447/08); het onderliggend vonnis B (met kenmerk III K 221/08); het onderliggend vonnis C (met kenmerk VII K 240/10); het onderliggend vonnis D (met kenmerk VII K 724/10); en het onderliggend vonnis 2 (met kenmerk III K 197/11) vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor die feiten toe. Voor het overige weigert de rechtbank de overlevering. De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf is opgelegd voor de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 179, 266, 267, 300, 312 en 321 Wetboek van Strafrecht, 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Białystok III Criminal Division (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens het verzamelvonnis (met kenmerk III K 68/18); het onderliggend verzamelvonnis 1 (met kenmerk III K 24/13); het onderliggend vonnis A (met kenmerk XV K 1447/08); het onderliggend vonnis B (met kenmerk III K 221/08); het onderliggend vonnis C (met kenmerk VII K 240/10); het onderliggend vonnis D (met kenmerk VII K 724/10); en het onderliggend vonnis 2 (met kenmerk III K 197/11). WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd voor het onderliggend vonnis E (met kenmerk XV K 947/10). Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202. Zie Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:658.

Similar Content