Rechtbank Amsterdam, 21-07-2026 (13-113460-26)
Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: er is sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. In verband met de verklaring van de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding en het feit dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld, concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid en daarvan daadwerkelijk op de hoogte is geweest. Ook heeft de opgeëiste persoon een advocaat gemachtigd die ter terechtzitting daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Volgens Belgisch recht volgt uit het verschijnen van een advocaat ter zitting dat deze gemachtigd is om zijn cliënt te vertegenwoordigen. De weigeringsgrond doet zich niet voor. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-113460-26 Datum uitspraak: 21 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de Advocaat-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Suriname), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats 1] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 25 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat in Koog aan de Zaan. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen (1) wie er hoger beroep heeft ingesteld en (2) wanneer en op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de tijd en plaats van het proces in hoger beroep. Zitting van 7 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Fontein. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen van 20 november 2025 met kenmerk 25PGA586 en griffienummer 1752/25. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1460 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar. De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene. Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 26 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 1 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: " [de opgeëiste persoon] tekende zelf beroep aan op 27/01/2025. Hij werd gedagvaard op 18/03/2025 per aangetekend schrijven in [detentieplaats 2] ; zodoende was hij op de hoogte van de zittingsdag en uur van zijn zaak." Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit aanvullende informatie kan niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon door de autoriteiten in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de procedure in hoger beroep. De enkele mededeling dat de oproep aangetekend is verzonden, voldoet niet omdat daaruit niet blijkt dat de oproeping de opgeëiste persoon daadwerkelijk heeft bereikt. Het is daarbij mogelijk dat hij op dat moment niet in de betreffende penitentiaire inrichting, waarnaar de oproeping is verstuurd, gedetineerd was. Het feit dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld, doet niet af aan deze gebreken. Bovendien bevat het dossier geen informatie waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon de Belgische advocaat doelbewust en specifiek heeft gemachtigd om hem bij dit hoger beroep buiten zijn aanwezigheid te vertegenwoordigen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. De opgeëiste persoon heeft zelf verklaard dat hij op de hoogte was van de tijd en plaats van de zitting. De opgeëiste persoon heeft zelf hoger beroep ingesteld en de Belgische autoriteiten hebben de oproeping aangetekend verstuurd. Het ligt voor de hand dat de opgeëiste persoon zelf op de hoogte probeert te blijven van de procedure in hoger beroep. Het dossier bevat weliswaar geen akte van uitreiking, maar hij was daadwerkelijk op de hoogte van het tijdstip en plaats van de procedure in hoger beroep. Hiermee is aan de voorwaarde zoals gesteld in het Khuzdar- arrest voldaan. Bovendien heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat advocaten in België ter zitting pas de vertegenwoordiging mogen voeren op het moment dat zij gemachtigd zijn. Het verschijnen van een advocaat ter zitting in België betekent dus dat deze gemachtigd is. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van het hof van beroep Antwerpen van 20 november 2025 toetsen aan artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. In deze zaak is het daarom van belang dat, gelet op het eerder besproken Khuzdar- arrest, voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. In het EAB staat voorts vermeld dat de opgeëiste persoon op de zitting in hoger beroep is vertegenwoordigd door een advocaat. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 18 maart 2025 in de [detentieplaats 2] per aangetekende brief is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep, nadat hij zelf beroep had ingesteld op 27 januari 2025. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding op 30 april 2026 onder meer het volgende heeft verklaard: “Ik ben niet op de zitting geweest (...) het ging om een hoger beroep. Ik had er zeker bij willen zijn, omdat ik wist wat er was gebeurd. Toen ik wou gaan, wilde Nederland niet dat ik zou gaan omdat ik mijn straf moest uitzitten." Gelet op deze verklaring, die concreet en gedetailleerd is, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van 1 juli 2026, concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid en daarvan daadwerkelijk op de hoogte is geweest. Aan de eis dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces is dus voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het vereiste dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd die ter terechtzitting daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Nog daargelaten dat de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uitgaat van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie, is de rechtbank er ambtshalve mee bekend dat volgens Belgisch recht uit het verschijnen van een advocaat ter zitting volgt dat deze gemachtigd is om zijn cliënt te vertegenwoordigen. In verband met het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd door twee of meer verenigde personen; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij brief van 19 juni 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Advocaat-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie punt 71- 72. Zie punt 73-74. Rb. Amsterdam 31 augustus 2023, ECLI:RBAMS: 2023:5727 en Rb. Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:RBAMS:2026:5987. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Vgl. Rb. Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5987. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.