Rechtbank Amsterdam, 04-08-2026 (1314295226)
EAB Roemenië; verweren m.b.t. artikel 12 OLW en de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-142952-26 Datum uitspraak: 4 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2026 door the Tulcea Court Of Law , Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] (Roemenië), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Criminal Judgment No. 2039 of 19.12.2024, issued by the Tulcea Court of Law, upheld and made final on 30.04.2026, by Criminal Decision No. 500/P/30.04.2026, of the Constanța Court of Appeal. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest van 30 april 2026 en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is opgeroepen en niet is verschenen op het proces die heeft geleid tot de beslissing in hoger beroep. Niet gebleken is dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ondertekend en het is onduidelijk of de Roemeense raadsman in hoger beroep gemachtigd was en of hij contact heeft gehad met de opgeëiste persoon. Er is geen sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a tot en met c OLW en er is ook geen verzetgarantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. De overlevering kan daarom op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank niet af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond, gelet op het gebrek aan inspanning van de Roemeense autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Subsidiair is de opgeëiste persoon in persoon opgeroepen voor het proces in hoger beroep, waardoor artikel 12, sub a, OLW van toepassing is. Meer subsidiair moet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon een gemachtigd raadsman had in hoger beroep en kennis had van de tijd en datum van de zitting doordat hij was opgeroepen en een adresinstructie heeft gehad. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom enkel de beslissing van the Constanța Court of Appeal van 30 april 2026 met kenmerk No. 500/P/30.04.2026 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit sectie D van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de gegeven detentiegarantie alleen ziet op de Bucureşti-Rahova gevangenis en dat er geen waarborgen zijn gegeven voor de Slobozia Penitentiary . Bovendien is er geen duidelijkheid over de grootte van de cel en over het aantal personen in de cel waar de opgeëiste persoon zal verblijven. De raadsvrouw verzoekt daarom de overlevering niet toe te staan, dan wel aanvullende vragen te stellen aan de Roemeense autoriteiten over de detentieomstandigheden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar heeft weggenomen voor de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Bij brief van 29 juni 2026 namens de Prison Chief Police Commissioner door de Deputy General Director , de volgende garantie gegeven: “ (…) on the conditions of detention to be undertaken by the named [opgeëiste persoon] (DOB [geboortedag].1999, residing in [geboorteplaats], sentenced to a penalty of 4 years imprisonment) (…) If the prisoner shall be surrendered to the Romanian authorities on Henri Coanda Airport-Bucharest, he shall be initially placed in the Bucureşti-Rahova Penitentiary in order to be subject to the quarantine period for a period of 21 days in a room that will ensure him a personal space of minimum 3 m2. (…) Having regard to the length of the sentence, this will most likely serve the custodial sentence initially in the closed regime. Furthermore, having regard to his domicile, this will most likely serve the sentence, for the start, in the Slobozia Penitentiary. (…) The National Administration of Penitentiaries guarantees that, during the whole period of execution of the sentence, including the bed and the related furniture, without including the space for the sanitary unit, the prisoner will benefit from a minimum individual space, as follows: - 3 square metres during the period of quarantine and observation; (…) - 3 square metres when serving the sentence in closed regime; - 3 square metres when serving the sentence in semi-closed regime;” Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon in de aangegeven detentie-instellingen telkens ten minste een persoonlijke leefruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel zal hebben. Het is daarom, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet van belang om te weten met hoeveel mensen de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel vastgezet zal worden De rechtbank merkt hierbij op dat de toetsing van de detentieomstandigheden zich beperkt tot de penitentiaire inrichting waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. De termen “most likely ”, “ most probably ” en “ initially” die gehanteerd worden in de aanvullende informatie van 29 juni 2026 geven aan dat het gaat om een concreet voornemen. Gelet op het voorgaande vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Tulcea Court Of Law (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87