Rechtbank Amsterdam, 15-07-2026 (13-120073-26)
Executie-EAB uit Roemenië. Na aanhouding van de behandeling van de zaak om de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals vragen te stellen over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in hoger beroep als bedoeld in artikel 12 OLW. Afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Artikel 11 OLW: het vastgestelde algemene gevaar door door de verstrekte detentiegarantie voor de opgeëiste persoon weggenomen. Overlevering toestaan.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-120073-26 Datum uitspraak: 15 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 april 2026 door the Câmpulung Court, [domicilie-adres] , Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Roemenië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd [detentieadres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 18 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. De behandeling van de zaak is aangehouden voor bepaalde tijd tot de zitting van 1 juli 2026 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting 1 juli 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 1 juli 2026 in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, die waarneemt voor mr. Petrescu, beide advocaat in Amsterdam. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van 8 mei 2025 (no. 176) van the Câmpulung Court, [domicilie-adres]. Dit vonnis werd definitief met het arrest van 10 februari 2026 (no. 161/A) van the Court of Appeal Pitești. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, vijf maanden en tien dagen. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. Van deze straf resteren volgens de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 8 mei 2026 nog vier maanden en negentien dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt in onderdeel d): “d) Mention if the person was present personally at the hearing which led to the decision rendered: 1. |X| Yes, the person concerned was present in person at the hearing which led to the decision rendered.” De uitvaardigende autoriteit heeft 8 mei 2026 in antwoord op vragen van het IRC de volgende informatie verstrekt: “(…) 2. Yes, the judgment no. 1786/8th.05.2025 delivered by the Câmpulung Cours is final by criminal decision no. 161/A/10th.02.2026 delivered by the Court of Appeal Piteşti and is no longer subjected to any ordinary appeal. 3. We mention that the convicted person, respectively [opgeëiste persoon] , was present to the judgement hearings of the case, being present in person at the judgment terms on 13 September 2023, 6 December 2023, 27 March 2024, 8 May 2024 and he was assisted by an ex-officio defender, lawyer Din Florina.” De uitvaardigende autoriteit heeft vervolgens – op onbekende datum – in antwoord op vragen van het IRC van 27 mei 2026 de volgende informatie verstrekt: “(…) - Section D of the European Arrest Warrant was filled in for the judgement on the merits, with the mention that it remained final by the decision issued in the ordinary way of appeal, as the defendant was present to the judgement on the merits of the case, which is also mentioned in the European Arrest Warrant, it is not necessary to fill in another section. - The judgement on the merits contested by personal appeal by [opgeëiste persoon] - [opgeëiste persoon] was present in person during the appeal procedure, on 24 November 2025 and took part in the debates, being assisted by an ex officio appointed lawyer, pursuant to the Romanian law.” De uitvaardigende autoriteit heeft een reactie gestuurd op 2 juni 2026, op vragen van het IRC, met daarin de volgende informatie: “(…) 1. The Piteşti Court of Appeal discussed [opgeëiste persoon] case at several trial dates, namely September 15, 2025, October 20, 2025, November 24, 2025, December 15, 2025, January 19, 2026, January 21, 2026; 2. Apart from the date of November 24, 2025, [opgeëiste persoon] did not appear in person at other trial dates granted in the case, but was represented by a lawyer; 3. [opgeëiste persoon] personally received the summonses for the deadlines of September 15, 2025 and 19, 2026, and with regard to the deadline of December 15, 2025, he personally became aware of them on November 24, 2025. (…)” Op de zitting van 18 juni 2026 zijn door de rechtbank de volgende vragen geformuleerd om aan de uitvaardigende autoriteit te stellen. Kunt u het d formulier invullen ten aanzien van de zittingen op 15 september 2025, 20 oktober 2025, 15 december 2025, 19 januari 2026 en 21 januari 2026? Indien de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting(en) is verschenen, niet in persoon is opgeroepen, de oproeping in zijn handen heeft ontvangen, en de opgeëiste persoon zijn advocaat niet heeft gemachtigd, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden?: Heeft de opgeëiste persoon zijn adres aan de Roemeense autoriteiten doorgegeven tijdens de procedure in de strafzaak die leidde tot het arrest van the Piteşti Court of Appeal van 10 februari 2026 (no. 161/A) Zo ja, Zijn de oproepingen voor de zittingen naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verzonden? Heeft de opgeëiste persoon tijdens de procedure instructies ontvangen over de plicht om de Roemeense autoriteiten te informeren over adreswijzigingen en op de gevolgen van het nalaten daarvan? Heef de opgeëiste persoon adreswijzigingen doorgeven? Op 10 juni 2026 waren door het Internationale Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: “1. Did the requested person provide the Romanian authorities with his address during the proceedings in the concerning Appeal procedure and have the summons for the Court hearings [of 20-10-2025 and 21-01-2026] in Appeal also been sent to this address? 2. Did the requested person, during the proceedings in the concerning criminal case, receive instructions about the duty to inform the Romanian authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation? a. Did he sign for these instructions? b. Was the requested person also reminded in these address instruction of his rights and obligations with regard to the entire procedure, including the Appeal procedure?” Op een onbekende datum is hierop van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie ontvangen (deze informatie was ten tijde van de zitting van 18 juni nog niet beschikbaar): “(…) [opgeëiste persoon] was subpoenaed every time to the same indicated address, for each term of judgement of the case in the appeal procedure, both for the terms of judgement where he chose to come in person, and for the terms of judgement where he chose not to come. As for the question if during the procedures within this criminal case he received instructions with regard to the obligation to inform the Romanian authorities about any change of address and about the consequences of the failure to comply with such obligation, we mention that the named [opgeëiste persoon] was not judged in this case placed under arrest, but that he was executing a custodial sentence enforced by another judgement. However, upon liberation from the penitentiary, the individuals usually receive instructions regarding the obligations they have and they also declare the address where they will go after leaving the penitentiary.“ Op 23 juni 2026 heeft het IRC de voornoemde door de rechtbank op 18 juni 2026 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. In reactie daarop, op onbekende datum, is van de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld d-formulier ontvangen, waarop de volgende passages staan ingevuld: “(…) X 3.1a. the person was summoned in person on 4.07.2025 for 15.09.2025, on 7.10.2025 for 20.10.2025, on 24.11.2025 for 15.12.2025, on 19.12.2025 for 19.01.2026 (day/month/year) and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial; (…) X 3.2. for 21.01.2026 , being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.” De rechtbank stelt vast dat in deze laatste aanvullende informatie alle tekst ‘vetgedrukt’ is, behalve de zinsnede: ‘… by the person concerned or… ’ Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De van de Roemeense autoriteit ontvangen aanvullende informatie is niet betrouwbaar, omdat de informatie op papier niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken. Op 23 juni 2026 is een ingevuld d) formulier ontvangen. Daarop staat dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. De opgeëiste persoon stelt echter dat post wordt achtergelaten in het trappenhuis van het complex waar hij woont. De Roemeense autoriteit merkt dat achterlaten als ‘summoned in person’ en dus als in persoon uitgereikt aan. Gestelde vragen over de adresinstructie zijn daarnaast onbeantwoord gebleven. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de verstrekte aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon voor de zittingen van 15 september 2025, 20 oktober 2025, 15 december 2025 en 19 januari 2026 in persoon is opgeroepen. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan moet worden van de juistheid van deze informatie. Ten aanzien van deze zittingen is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Voor de laatste zitting, de zitting van 21 januari 2026, is de opgeëiste persoon niet in persoon opgeroepen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van die zitting sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Uit de arresten Khuzdar en Höldermann blijkt dat een betekening aan het adres van de raadsman voldoende is. Verder moet worden gekeken naar alle relevante omstandigheden rond de oproeping en met name naar de inspanningen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Piteşti Court of Appeal van 10 februari 2026 (no. 161/A) toetsen aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij alle zittingen van het proces die tot die beslissing hebben geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – voor alle zittingen in hoger beroep in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, noch dat hij op alle zittingen is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigd advocaat, of dat de eindbeslissing in persoon aan hem is betekend en dat vaststaat dat hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie, in het bijzonder de zin “The judgement on the merits contested by personal appeal by [opgeëiste persoon] ”, leidt de rechtbank af dat het hoger beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Blijkens het EAB en de aanvullende informatie is de opgeëiste persoon aanwezig geweest op de zitting van 24 november 2025. Voor de zittingen van 15 september 2025, 20 oktober 2025, 15 december 2025 en 19 januari 2026 is de opgeëiste persoon in persoon opgeroepen. Op de zitting van 21 januari 2026 is de opgeëiste persoon vertegenwoordigd door een door de staat aangestelde raadsman die door de opgeëiste persoon was gemachtigd. Voor zowel de oproepingen in persoon als de informatie dat de opgeëiste persoon op de zitting van 21 januari 2026 is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman geldt dat de rechtbank gelet op het vertrouwensbeginsel uit moet gaan van de juistheid van die informatie. Door de opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn ook geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat de informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Daarbovenop heeft de opgeëiste persoon tijdens de behandeling van de zitting van 1 juli 2026 van deze rechtbank aangegeven dat zijn adres bekend was bij de rechtbank in Roemenië en dat hij inderdaad bereikbaar was op dat adres. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure in hoger beroep op de hoogte was, maar dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij (alle) zittingen in hoger beroep aanwezig te zijn. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen en diefstal. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Bij brief van 18 mei 2026 is namens National Penitentiary Administration , General Manager, de volgende aanvullende informatie verstrekt ten aanzien van de opgeëiste persoon: “The detention conditions to be granted to the named [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] .1982, domiciled in [domicilie-adres], sentenced to 1 year, 5 months and 10 days of imprisonment), in the event of his surrender to the Romanian authorities, we hereby inform you of the following: In the situation where the person deprived of liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coandă International Airport – Bucharest, he will first be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for the quarantine period, for 21 days, in a single cell that ensures an individual space of a minimum of 3 m². (...) Considering the length of the sentence, it is most likely that the convicted person will initially serve the custodial sentence in an semi-open regime facility. Additionally, taking into account this person’s residence, it is most likely that he will begin serving his sentence at Mioveni Penitentiary. (...) "The named [opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3m2 for the entire period of serving his sentence, except when assigned to the open regime, during which he will benefit from 4m2, including the individual bed and corresponding furniture, without including the space of the sanitary facilities, the number of detainees is set based on the surface area of the room. Each detainee will be provided an individual bed equipped with the specific bedding.” Standpunt van de raadsman en de officier van justitie De raadsman en de officier van justitie hebben ten aanzien van deze weigeringsgrond geen standpunt ingenomen. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie van 18 mei 2026. De rechtbank is, gelet op deze garantie van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Dit algemene gevaar ziet, gelet op de overbevolking, op de hoeveelheid vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitair waarover de opgeëiste persoon kan beschikken. Nu er ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte is gegarandeerd en er verder geen slechte materiële detentieomstandigheden zijn, is het algemene gevaar weggenomen volgens het geldende criterium uit het arrest Dorobantu van het Hof van Justitie van de EU. Dit betekent dat de detentieomstandigheden niet aan de overlevering in de weg staan. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Câmpulung Court, [domicilie-adres] (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG613126391690!È G613126391690 Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416. HvJ EU 21 mei 2026, C‑447/24, ECLI:EU:C:2026:417. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463. HvJ EU, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589. HvJ EU van 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857