Rechtbank Amsterdam, 30-07-2026 (13/013755-26)
EAB Polen; overlevering toegestaan
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/013755-26 Datum uitspraak: 30 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 22 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 december 2025 door the Circuit Court of Zielona Góra , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op 15 juli 2026 afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis en een arrest, namelijk een judgment of October 3, 2022, by the District Court of Zary, ref. II K 231/22, upheld on October 2, 2023, by the Circuit Court of Zielona Góra, ref, VII Ka 101/23 . De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Circuit Court of Zielona Góra van 2 oktober 2023 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces of dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat nadat hij officieel in kennis was gesteld van de tijd en plaats van het proces dan wel de ontvangst van die kennisgeving opzettelijk heeft vermeden. Evenmin is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat als volgt toe. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 22 juni 2026 volgt dat de opgeëiste persoon bij het proces in eerste aanleg aanwezig is geweest. Hij is bij de zitting op 6 juni 2022 in eerste aanleg gewezen op zijn rechten en plichten als verdachte, waaronder de plicht om adreswijzigingen door te geven. Het hoger beroep is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon en deze advocaat heeft hem verdedigd tijdens het proces in hoger beroep. De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon op de zitting van 6 juni 2022 had opgegeven. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon tijdens het verhoor bij de voorgeleiding op 19 mei 2026 verklaard dat hij op de hoogte was van het proces in hoger beroep. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en het strafproces in hoger beroep, waarna hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd; mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a en b, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .