Rechtbank Amsterdam, 15-07-2026 (13/081318-26)
Executie-EAB uit Litouwen. Weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing. Litouwse detentieomstandigheden: detentiegarantie afdoende waarbij opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in Marijampolé, Alytus, Pravieniškès I, Pravieniškès II of Vilnius zal worden geplaatst. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/081318-26 Datum uitspraak: 15 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2026 door the Kaunas Regional Court , Litouwen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboorteplaats 1] 1995 in [geboorteplaats 2] (Litouwen). zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 19 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen. De tussenuitspraak van 2 juni 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de detentieomstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. De rechtbank heeft verder de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met dezelfde termijn. De zitting van 23 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden, omdat de in de tussenuitspraak van 2 juni 2026 geformuleerde vragen over artikel 12 OLW niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn voorgelegd. De zitting van 9 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en door een tolk in de Litouwse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3 De tussenuitspraak van 2 juni 2026 De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 2 juni 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid. Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 4 in de tussenuitspraak van 2 juni 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 30 juni 2026, voor zover relevant, het volgende medegedeeld: “The sentenced person [de opgeëiste persoon] attended the proceedings of his criminal case in Kaunas Chamber of Kaunas District Court and his appeal proceedings in Kaunas Regional Court, therefore, paragraph 1 of column d) was filled in jointly. Besides, the sentenced person was defended by the lawyer of his choice in district and regional courts.” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Er is slechts een kort antwoord gekomen van de uitvaardigende justitiële autoriteit op een deel van de vragen die zijn gesteld. Een groot deel van de vragen is niet beantwoord. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon ontkent dat hij bij de procedure in hoger beroep aanwezig is geweest en dat hij is vertegenwoordigd door een zelf gekozen advocaat, zoals vermeld in de aanvullende informatie. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Blijkens de aanvullende informatie is de opgeëiste persoon in persoon aanwezig geweest bij de procedure in hoger beroep. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank van de juistheid van die informatie uitgaan. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van 24 april 2025 van the Kaunas Regional Court toetsen aan artikel 12 OLW. De aanvullende informatie van 30 juni 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verstrekte informatie. Bovendien zijn door de verdediging geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat die informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Nu de gestelde vragen 4 tot en met 9 zien op de situatie dat de opgeëiste persoon niet in persoon zou zijn verschenen op de procedure die tot de beslissing heeft geleid, is beantwoording van die vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit bovendien niet nodig. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5 Artikel 11 OLW: Litouwse detentieomstandigheden De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 6 in de tussenuitspraak van 2 juni 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen heeft de Deputy Director van the Lithuanian Prison Service bij brief van 15 juni 2026, voor zover relevant, het volgende medegedeeld: “In response to this request, we confirm that the information on prison conditions provided in documents 1S-3174 and 1S-3364 applies to all prison facilities in Lithuania (Marijampolè, Alytus, Pravieniškès I, Pravieniškès Il, Vilnius). All of these facilities have implemented specific measures to prevent violence or degrading treatment of person deprivated of liberty regarding placement and stay in a cell, during activities and during the time spent in a common areas.” Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich ten aanzien van de Litouwse detentieomstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, nu artikel 11 OLW hieraan niet in de weg staat. Met de aanvullende informatie van 15 juni 2026 is namelijk bevestigd dat de individuele detentiegarantie zoals volgt uit de aanvullende informatie van 25 maart 2026, 4 mei 2026 en 8 mei 2026 geldt voor alle daarin genoemde detentie-instellingen. Het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon is daarmee weggenomen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is, gelet op voornoemde aanvullende informatie van 15 juni 2026, van oordeel dat met de gegeven individuele garantie van de Litouwse autoriteiten het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. In de aanvullende informatie zoals opgenomen in de tussenuitspraak van 2 juni 2026 zijn voldoende concrete maatregelen genoemd die ten aanzien van de opgeëiste persoon worden genomen om hem te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel). Deze maatregelen zien niet alleen op het risico op geweld of een vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in zijn cel en tijdens activiteiten, maar ook op dergelijke risico’s voor de opgeëiste persoon tijdens zijn verblijf in de gemeenschappelijke ruimtes. Met de aanvullende informatie van 15 juni 2026 is ook duidelijk geworden dat de individuele garanties gelden voor alle detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon na overlevering kan worden geplaatst, te weten: Marijampolé, Alytus, Pravieniškès I, Pravieniškès II en Vilnius. Omdat de garanties het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegnemen, staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7. Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Kaunas Regional Court , Litouwen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en C.M.S. Leuven, rechters, in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:5554. Zie artikel 22, vijfde lid, OLW. Zie artikel 27, derde lid, OLW Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.