Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7293 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-156259-26 (EAB III))

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende. Overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-156259-26 (EAB III) Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2026 door het Parket-generaal bij het Hof van Beroep te Luik, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 2003, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.L. Crutzen, advocaat in Heerlen, en door een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB - in samenhang gelezen met het A-Formulier - vermeldt een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 1 april 2026, met referentie EX 386/25. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.940 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt in onder d): “(…) 2. X Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing. (…) 3.1. X a) de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op 16/06/2025 en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 8 juni 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ De periode tussen 16/06/2025 (de datum van de dagvaarding) en 01/04/2026 (de datum van het arrest van het Hof van Beroep te Luik) verloopt als volgt: - 16/06/2025: dagvaarding van betrokkene om te verschijnen ter terechtzitting van het Hof van Beroep te Luik van 03/09/2025; - 03/09/2025: de zaak werd uitgesteld naar de terechtzitting van 07/01/2026; - 07/01/2026: de zaak werd in beraad genomen en de uitspraak werd bepaald op 04/02/2026; - 04/02/2026: het Hof heeft de heropening van de debatten bevolen op 11/03/2026 met het oog op de neerlegging van een arrest dat een grondslag kon vormen voor recidive; - Terechtzitting van 11/03/2026: neerlegging van voormeld arrest en inberaadneming; - 01/04/2026: arrest van het Hof van Beroep te Luik ten gronde. ” Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 12 juni 2026 gevraagd om voor iedere zittingsdatum afzonderlijk aan te geven hoe de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de zitting, en of hij in persoon aanwezig is geweest of er een andere situatie zoals beschreven in sectie D van het EAB zich heeft voorgedaan. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 19 juni 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ Naar Belgisch recht luidt artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering, betreffende de wijze van aanhangigmaking van zaken bij de correctionele rechtbank, als volgt: De zaken die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren, worden bij haar aanhangig gemaakt, […], hetzij door een dagvaarding, rechtstreeks aan de verdachte […] De dagvaarding blijft geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum. Bijgevolg en met toepassing van voormeld artikel werd de heer [de opgeëiste persoon] , die geldig werd opgeroepen voor de inleidingszitting van 3 september 2025 bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 16 juni 2025 en hem persoonlijk overhandigd door de gerechtsdeurwaarder, niet opnieuw opgeroepen voor de verschillende zittingen die volgden op deze van 3 september 2025. De dagvaarding van 16 juni 2025 bevatte de melding dat een beslissing tegen hem kon worden uitgesproken indien hij niet verscheen op de inleidingszitting en op de daaropvolgende zittingen. De heer [de opgeëiste persoon] was afwezig op alle zittingen die in het kader van zijn dossier werden gehouden en die hebben geleid tot het bij verstek gewezen arrest van het Hof van Beroep te Luik van 1 april 2026. ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Uit de aanvullende informatie van 8 juni 2026 en 19 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 16 juni 2025 in persoon is opgeroepen voor de inleidingszitting van 3 september 2025. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van het Hof van Beroep in Luik van 1 april 2026 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon op 16 juni 2025 in persoon is opgeroepen voor de inleidingszitting van 3 september 2025. Hij is daarbij geïnformeerd dat een beslissing kon worden genomen indien hij niet zou verschijnen op de inleidingszitting en de daaropvolgende zittingen. De opgeëiste persoon is voor de latere zittingen niet opgeroepen, omdat dat volgens artikel 182 van het Belgische Wetboek van Strafvordering niet nodig is. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de inleidingszitting maakt namelijk nog niet dat de hij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de opvolgende zittingen, waarop zijn zaak inhoudelijk is behandeld en die tot de beslissing hebben geleid. De opgeëiste persoon is vervolgens bij geen van de zittingen in de procedure in hoger beroep verschenen. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens de procedure in hoger beroep was gedetineerd en dat hij wel van deze procedure afwist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de verdenking en het lopende strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten, doordat hij niet op de inleidingszitting is verschenen waarvoor hij op 16 juni 2025 was opgeroepen en door vervolgens ook geen navraag te doen naar het verdere verloop van de procedure in hoger beroep. Het was immers aan de opgeëiste persoon om zich op de hoogte te houden van het verloop van het tegen hem lopende strafproces. 4 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit ‘georganiseerde of gewapende diefstal’ heeft aangekruist. Uit onderdeel e.II) van het EAB blijkt echter niet welke feiten onder het lijstfeit moeten vallen, aangezien alle feiten worden aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid geldt. De rechtbank ziet daarom de noodzaak om voor alle feiten de kwalificatie naar Nederlands recht te bepalen en de dubbele strafbaarheid te toetsen. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal, meermalen gepleegd; diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels; diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken; poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen; opzetheling; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 5 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 23 juni 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Marche-en-Famenne. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren .” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de detentiegarantie van 23 juni 2026 mogelijk niet zal worden nageleefd en de detentieomstandigheden mogelijk anders kunnen zijn dan in de garantie staat. Bovendien is het niet duidelijk of de opgeëiste persoon na verloop van tijd zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling dan Marche-en-Famenne wegens ruimtegebrek, en of de detentieomstandigheden in die andere instelling voldoende zijn. Het is van belang dat de opgeëiste persoon zijn straf in België op een veilige plek kan uitzitten en dat hij niet wordt overgeplaatst naar de detentie-instelling van Lantin. De opgeëiste persoon heeft eerder vastgezeten in de detentie-instelling van Lantin en heeft daarover gezegd dat het daar voor hem niet veilig is vanwege andere personen die daar gedetineerd zitten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen recente informatie beschikbaar waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in Marche-en-Famenne dat getwijfeld moet worden of de garantie kan worden nageleefd. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 23 juni 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. Uit de individuele detentiegarantie blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd in Marche-en-Famenne, zodat de rechtbank alleen de detentieomstandigheden in die detentie-instelling dient te onderzoeken. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten zijn gegeven. De raadsman heeft niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat in het specifieke geval van de opgeëiste persoon de gegeven detentiegarantie niet meer zal kunnen worden nageleefd of dat hij op korte termijn zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie gelet op voornoemde omstandigheden nog wel kon worden nageleefd, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de detentie-instelling in Mechelen, nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd. Artikel 11 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310, 311, 312, 350 en 416 Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket-generaal bij het Hof van Beroep te Luik (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2579 en Rechtbank Amsterdam 11 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6860. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML , ECLI:EU:C:2018:589. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2533.

Similar Content