Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-148555-26 (EAB I))
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: verweer met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-148555-26 (EAB I) Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 april 2026 door the Regional Court in Lublin , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. de Haan, advocaat in Koog aan de Zaan, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Lublin van 27 januari 2025, met kenmerk IV K 492/23. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 juni 2026 blijkt dat in deze zaak sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 16 december 2025, met kenmerk IV K 93/26. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geëerbiedigd. De opgeëiste persoon is gedurende de procedure niet vertegenwoordigd door een advocaat, wat betekent dat ook geen hoger beroep kan zijn ingesteld door zijn advocaat. Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op het D-formulier van 8 juni 2026 dikgedrukt dat het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 16 december 2025 na overlevering aan de opgeëiste persoon zal worden betekend, maar het is onduidelijk of hij vervolgens de mogelijkheid heeft om de procedure te heropenen. Daarnaast zijn er geen redenen om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Er zijn geen aanwijzingen dat de opgeëiste persoon zich bewust heeft onttrokken aan de procedure, dat hij opzettelijk elk contact heeft vermeden, of dat hij anderszins vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij de procedure in hoger beroep. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven - waar hij overigens niet stond ingeschreven - en daar geen wijziging van heeft doorgegeven, maakt dat niet anders. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat van toepassing daarvan kan worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en hij eventuele adreswijzigingen diende door te geven aan de autoriteiten. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal in Lublin van 16 december 2025, met kenmerk IV K 93/26, aan artikel 12 OLW toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is gehoord als verdachte. Hij heeft voorafgaand aan het verhoor op papier een adresinstructie gekregen waaruit de verplichting tot het doorgeven van adreswijzigingen bleek. Daarbij is hij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. De adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief de procedure in hoger beroep. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon een adres opgegeven. De oproep voor de zitting die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 16 december 2025 is tweemaal aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden, maar niet door hem opgehaald. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2 Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank en het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 26 februari 2024 - op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd wegens de detentieomstandigheden in Polen. Het is niet duidelijk in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. De opgeëiste persoon heeft eerder in Polen in detentie gezeten en onderschrijft de bevindingen uit het CPT-rapport van 26 februari 2024. Met name het gebrek aan de juiste medische zorg is voor de opgeëiste persoon een groot probleem. De opgeëiste persoon is namelijk recent aan zijn kaak geopereerd - nadat de mondzorg in Poolse detentie is verwaarloosd - en moet worden behandeld aan zijn spataderen om het risico op trombose te verminderen. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de detentieomstandigheden aldaar zijn. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor detentie-instellingen in Polen waar opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd. Daarnaast is ook geen algemeen gevaar van een schending van grondrechten vastgesteld voor gedetineerden met medische problemen. Niet is onderbouwd dat de medische problematiek van de opgeëiste persoon zodanig specifiek of complex is dat de benodigde medische zorg in Polen niet kan worden geboden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat er geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen. Daarnaast heeft de raadsvrouw ook niet dergelijke gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van grondrechten voor veroordeelde gedetineerden in Polen die kampen met medische problemen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 47 en 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rb. Amsterdam 29 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4709. Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202.