Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 01-07-2026 (13-090505-26)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit Polen. Artikel 2 OLW: genoegzaamheidsverweer verworpen. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Negatief IND-advies; de opgeëiste persoon voldoet niet aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling. Artikel 13 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van deze weigeringsgrond. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende. Overlevering toegestaan.

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-090505-26 Datum uitspraak: 1 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2026 door the Circuit Court in Katowice , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een beslissing van the Katowice-Wschód District Court in Katowice van 3 november 2025, met kenmerk Kp 764/25, die strekt tot aanhouding van de opgeëiste persoon. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. De feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht zijn op meerdere punten onvoldoende concreet omschreven. Zo ontbreekt een concrete datering en worden geen concrete handelingen benoemd waaruit de rol van de opgeëiste persoon kan worden afgeleid. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In het EAB is duidelijk omschreven waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Aangezien het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. De opgeëiste persoon wordt verdacht van handel in verdovende middelen in de periode van 19 mei 2018 tot 24 december 2020 en van 4 november 2021 tot 24 december 2022 in (onder andere) Polen en Nederland. De opgeëiste persoon zou bij deze feiten als dader betrokken zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht, zal later in Polen moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman. Artikel 2 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Standpunt van de raadsman De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon staat sinds 16 november 2018 ononderbroken ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast zijn verklaringen van het geregistreerd inkomen over de jaren 2020 tot en met 2024 overgelegd, alsmede een huwelijksakte van 9 juli 2019 en de geboorteakten van de twee in Nederland geboren kinderen van de opgeëiste persoon. De raadsman verzoekt de rechtbank verder om, ondanks dat een negatief advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is ontvangen, het gelijkstellingsverweer te honoreren. De IND heeft de persoonlijke omstandigheden en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvan hij wordt verdacht onvoldoende meegewogen in het advies. De opgeëiste persoon was slechts een tussenpersoon in het geheel en deze beperkte rol dient als uitgangspunt te worden genomen bij het bepalen van de verwachte strafmaat naar Nederlandse maatstaven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon een sterke binding met Nederland, waar hij de afgelopen acht jaren zijn leven heeft opgebouwd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat daarmee aan de eerste voorwaarde van artikel 6, derde lid, OLW is voldaan. Aan de tweede in dat lid geformuleerde voorwaarde is echter niet voldaan, aangezien de IND in de brief van 16 juni 2026 aangeeft dat de opgeëiste persoon mogelijk zijn verblijfsrecht verliest wanneer hij in Polen wordt veroordeeld voor de in het EAB omschreven feiten. Ten aanzien van de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvan hij wordt verdacht moet worden uitgegaan van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, namelijk dat hij daarbij betrokken zou zijn geweest als mededader en dader. Bovendien blijkt uit de IND-bevraging door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van 10 juni 2026 dat wel degelijk informatie over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon is gegeven. Deze omstandigheden zijn vervolgens meegewogen in het advies van de IND. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Werknemers en zelfstandigen moeten aantonen dat zij ‘reële en daadwerkelijke arbeid verrichten die niet louter marginaal en bijkomstig is’. De rechtbank zoekt bij de invulling van dit criterium aansluiting bij het door de IND gehanteerde beleid. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de IND in ieder geval sprake als: - de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; óf - de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. Ook als niet aan deze norm wordt voldaan, kan sprake zijn van rechtmatig verblijf. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. De opgeëiste persoon staat sinds 16 november 2018 onafgebroken in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon verklaringen van het geregistreerd inkomen overgelegd over de jaren 2020 tot en met 2024, waaruit blijkt dat hij vrijwel steeds meer dan 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend en daarom voldoende inkomen heeft genoten. In het jaar 2023 heeft de opgeëiste persoon minder dan 50% van de bijstandsnorm verdiend. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij in dat jaar de diagnose kanker heeft gekregen en daarvoor onder behandeling stond. Daarnaast had hij problemen met het verkrijgen van een Ziektewetuitkering. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als iemand 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend, maar dat de opgeëiste persoon één jaar niet die norm heeft gehaald maakt niet dat daarom geen sprake zou zijn van reële en daadwerkelijke arbeid. Uit de verklaring van de opgeëiste persoon blijkt dat er een duidelijke reden was voor het lagere inkomen over het jaar 2023. Bovendien blijkt uit de verklaring geregistreerd inkomen over het jaar 2024dat de opgeëiste persoon in 2024 weer ruim meer dan 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren, dus ook over 2023, reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en daardoor rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. In de brief van de IND van 16 juni 2026 staat het volgende vermeld: “ In antwoord op uw adviesverzoek van 10 juni 2026 laat ik u weten dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft ertoe kunnen leiden dat de [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit en ontleent zijn verblijfsrecht rechtstreeks aan het EU-Verdrag. Op basis van zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) op een woonadres is hij op 5 juni 2018 opgenomen als EU-burger. Afgaande op uw gegevens is er verblijfsrecht dat mogelijk duurzaam is geworden. (…) Aan uw verzoek ontleen ik dat de Poolse Justitie betrokkene wegens drugscriminaliteit vervolgt. Tussen 19 mei 2018 en 4 november 2021 en in december 2022 zou de [opgeëiste persoon] zich hebben schuldig gemaakt aan de import en export van grote hoeveelheden verdovende middelen en psychotrope stoffen en aan de handel daarin. Naar Nederlands recht zou overtreding aan de orde zijn van artikel 2A juncto artikel 10, lid 1 en 5, en van artikel 2B juncto artikel 10, lid 1 en 4, van de Opiumwet. De maximumstraffen zijn tien jaar en acht jaar gevangenis. In een gelijk geval in Nederland eist het openbaar ministerie tien jaar. Op basis van deze gegevens is verblijfsbeëindiging in beginsel mogelijk. Om de precieze ernst te beoordelen is inhoudelijke informatie uit de strafzaak nodig. Uw omschrijving, de maximumstraffen en de voorziene wijzen niettemin zonder meer op ernstige feiten. De feiten zijn recent en beslaan een langere periode waarin betrokkene kennelijk almaar niet op eigen kracht tot inkeer kwam. De aanvang van de pleegperiode duidt erop dat de [opgeëiste persoon] (mede) met het oogmerk om misdrijven te plegen naar Nederland is gekomen. Ik acht alleszins mogelijk dat wordt voldaan aan bovengenoemde criteria: ‘actuele en ernstige bedreiging’ en ‘ernstige redenen van openbare orde’. Uw beschrijving wijst op een langdurige en herhaalde betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Wie daarvoor kiest en voorbijgaat aan de nadelige gevolgen voor gebruikers en samenleving, die ontbreekt het aan normbesef. (…) In de uiteindelijke besluitvorming zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken. Beoordeeld moet worden of de leeftijd, de gezondheidstoestand, de gezinssituatie, de economische situatie, de sociale en culturele integratie en/of de binding met het land van herkomst wellicht tot een andere uitkomst leiden. Feiten en omstandigheden die al bij voorbaat aan beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan, zijn mij vooralsnog niet bekend. ” Uit artikel 6, derde lid, OLW kan worden afgeleid dat alleen vereist is dat de verwachting wordt uitgesproken dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. De Nederlandse wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de beoordeling van de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, afwijkt van de beoordeling in voornoemd advies. Gelet op voornoemd bericht van de IND kan niet worden gezegd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Het IRC heeft in de IND-bevraging van 10 juni 2026 een omschrijving gegeven van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, die overeenkomt met de feitomschrijving in het EAB. Daarnaast blijkt uit de IND-bevraging dat het IRC over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon heeft medegedeeld dat hij sinds 5 juni 2018 in Nederland staat ingeschreven, hier woont met zijn vrouw en drie (minderjarige) kinderen en op dit moment een werkloosheidsuitkering krijgt. Uit het advies van de IND van 16 juni 2026 blijkt vervolgens dat deze feiten en omstandigheden niet bij voorbaat al aan beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan. Daarmee zijn de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon dus meegewogen door het IND in zijn advies. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Polen is aangevangen, het bewijsmateriaal zich in Polen bevindt, de medeverdachten in Polen worden vervolgd en de verdovende middelen in Polen in circulatie zijn gebracht. De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW te weigeren omdat Nederland steeds als pleegplaats wordt genoemd in de omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Ten aanzien van feit 3 wordt alleen de plaats Oss in Nederland als pleegplaats genoemd. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: - de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; - de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; - de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; - en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat de feiten wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7 Artikel 11 OLW 7.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7.2 Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het IRC op 8 mei 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Bij brief van 21 mei 2026 heeft the Circuit Prosecutor’s Office in Katewice de volgende antwoorden gegeven: “ In the event of surrender (…), [opgeëiste persoon] will be placed in the Remand, where he will be provided with at least 3 m2 of floor space in the living cell, excluding the sanitary facilities area. In accordance with applicable regulations, the time of his stay outside the prison cell may not be shorter than 2 hours per day. Incarcerated persons at the Remand Centre [ Areszt Śledczy ] in Tarnowskie Góry have access to the following activities and forms of spending time outside their prison cells: walks (1 hour a day), activities in the common room (1 hour per day), religious services (depending on declared needs), ongoing consultations with rehabilitation officers and psychologists. In addition, incarcerated persons may use the prison library collection and newspapers available at the Remand Centre, as well as participate in cultural and educational activities. It is not possible to specify precisely how much time per day [opgeëiste persoon] would be able to spend outside his cell, as this depends on his own decisions and the forms of activity chosen by him; however, he must be outside his cell for 2 hours per day. At the same time, it should be noted that, according to the information contained in the Central Database of Persons Deprived of Liberty, [opgeëiste persoon] is a multiple penitentiary recidivist who has previously been held in penitentiary isolation conditions on 12 occasions since 1987. ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat voornoemde garantie van 21 mei 2026 afkomstig is van de aanklager en niet van de directie van de detentie-instelling zelf. Daarnaast vermeldt de garantie dat de opgeëiste persoon staat geregistreerd als een ‘ multiple penitentiary recidivist ’ die al twaalf keer eerder in isolatie heeft gezeten. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in een isolatieregime zal worden geplaatst. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten nader te bevragen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in het licht van zijn status als ‘ multiple penitentiary recidivist ’. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Het door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele detentiegarantie, aangezien de opgeëiste persoon in een cel van ten minste 3 m2 (exclusief sanitair) zal worden geplaatst en hij twee uur per dag buiten de cel moet verblijven. De mededeling van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon eerder in een isolatieregime heeft gezeten maakt niet dat de opgeëiste persoon niet in het regime zoals omschreven in de detentiegarantie zal worden geplaatst. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Poolse autoriteiten. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 21 mei 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. Uit de voornoemde detentiegarantie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in the Remand Centre in Tarnowskie Góry wordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld , wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit de voornoemde detentiegarantie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten zijn cel moet verblijven. De opgeëiste persoon kan één uur per dag wandelen en één uur per dag deelnemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte. In aanvulling daarop kan de opgeëiste persoon onder andere deelnemen aan religieuze, culturele en educatieve activiteiten en gebruikmaken van de bibliotheek. De rechtbank kan uit de individuele detentiegarantie niet afleiden dat de opgeëiste persoon in een isolatieregime zal worden geplaatst, nog daargelaten dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn waaruit een algemeen gevaar kan worden afgeleid dat in Polen een isolatieregime en de daaraan mogelijk verbonden beperkingen op zichzelf al een inhumane of vernederende behandeling opleveren noch dat gedetineerden in Polen, zonder objectieve gronden en zonder rechterlijke waarborgen, worden onderworpen aan een isolatieregime en de daaraan mogelijk verbonden beperkingen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 42). HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ) (punt 47). Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114. Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.

Related across sources

Similar Content