Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7616 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 21-07-2026 (13-090968-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit België. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-090968-26 Datum uitspraak: 21 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 19 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2026 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.R. Kops, advocaat in Breukelen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, vermeldt een bevel tot aanhouding met kenmerk OR A. Gieselink 2024/200, afgegeven op 15 januari 2026 door een Examining Magistrate van de court of first instance of Antwerp, Antwerp division De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 15 juni 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).“ Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een individueel gevaar op een onmenselijke behandeling in de gevangenis in Antwerpen. De nieuwe gevangenis in Antwerpen is namelijk nog niet open en gedetineerden komen terecht in de oude gevangenis, waar sprake is van slechte omstandigheden. Daarnaast kan niet langer worden uitgegaan van de algemene garanties van de Belgische autoriteiten. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een eerdere uitspraak van de rechtbank van 30 juli 2025, waarin meerdere gevallen van niet naleving van detentiegaranties in Belgische gevangenissen zijn genoemd. De huidige lijn van de rechtbank is dat het voldoende is dat gevallen van niet naleving van detentiegaranties snel worden gerepareerd, maar volgens de raadsman is dan al sprake van een voltooide onmenselijke behandeling. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, omdat de detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank heeft de overlevering naar België op 7 mei 2026 nog toegestaan met een detentiegarantie voor de gevangenis in Antwerpen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij brief van 17 juni 2026 door het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. De omstandigheden waarnaar de raadsman heeft verwezen ten aanzien van de gevangenis in Antwerpen onderbouwen naar het oordeel van de rechtbank juist het vastgestelde algemene gevaar. De raadsman heeft geen objectieve gegevens overgelegd die onderbouwen dat de verstrekte garantie niet nageleefd kan worden en dat dus nog steeds sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. De raadsman heeft niet onderbouwd dat de Belgische autoriteiten zich structureel niet aan de detentiegarantie houden. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om in algemene zin niet te vertrouwen op detentiegaranties van de Belgische autoriteiten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. ECLI:NL:RBAMS:2025:5629. ECLI:NL:RBAMS:2026:4489. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

Similar Content