Rechtbank Amsterdam, 21-07-2026 (13-146151-26)
Vervolgings-EAB uit België. Tussenuitspraak. Artikel 2 OLW: het is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest, en de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Artikel 9 OLW: om te beoordelen of sprake is van een (voorgenomen) strafvervolging in Nederland ten aanzien van hetzelfde feit als waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering verzoekt, verzoekt de rechtbank de officier van justitie aanvullende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-146151-26 Datum uitspraak: 21 juli 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 22 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2026 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Brazilië), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Levy, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsmandaat van 11 mei 2026 afgegeven door een examining magistrate at the court of first instance of East Flanders, Dendermonde division. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB en het A-formulier. 4 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. Uit de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB blijkt niet dat de opgeëiste persoon degene is die de phishingpanels heeft ingezet om gegevens te verkrijgen. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon de phishingpanels zou hebben aangeboden, maar het blijkt niet dat hij deze panels zelf zou hebben gebruikt. Het EAB vermeldt geen verdenking van oplichting. De raadsvrouw maakt echter uit de e-mail van 6 juli 2026 op dat de zaaksofficier van justitie stelt dat de vervolging in België wel betrekking heeft op het inzetten van de phishingpanels om personen op te lichten door de opgeëiste persoon zelf. Op voorhand is dus al duidelijk dat de opgeëiste persoon in België vervolgd zal worden voor feiten die niet zijn opgenomen in het EAB. Dit is in strijd met het specialiteitsbeginsel. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten over of de verdenking daadwerkelijk betrekking heeft op de oplichting met het gebruik van phishingpanels door de opgeëiste persoon zelf. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafbare gedragingen en de pleegplaats en pleegperiode voldoende duidelijk zijn omschreven in het EAB en het A-formulier. Er heeft overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten over de omvang van de verdenking in beide landen. In Nederland heeft de verdenking enkel betrekking op het verkopen en afgeven van de phishingpanels , terwijl de Belgische zaak betrekking heeft op het gebruik van een phishingpanel en daarmee op oplichting met gebruik van een phishingpanel door de opgeëiste persoon. Het EAB dient ter vervolging van de opgeëiste persoon, zodat de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Het specialiteitsbeginsel is dan ook gewaarborgd en het EAB is genoegzaam. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. Met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - is namelijk voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. In de e-mail van de zaaksofficier van justitie van 6 juli 2026 ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in België voor iets anders vervolgd zal worden dan is vermeld in het EAB. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Artikel 2 OLW staat niet aan overlevering in de weg. 5 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; witwassen van opbrengsten van misdrijven; informatiecriminaliteit. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft ter zitting aangegeven geen beroep te doen op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank zal daarom de overlevering niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie. 7 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij brief van 16 juni 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Nieuw Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: ne bis in idem Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW, omdat sprake zou zijn van overlap tussen de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht en de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in een lopende Nederlandse strafzaak, namelijk witwassen en het vervaardigen en verspreiden van phishingpanels . Alleen de deelneming aan een criminele organisatie, waar de Belgische autoriteiten ook de overlevering voor vragen, is niet vermeld op de Nederlandse tenlastelegging, maar dit staat wel in direct verband met de in Nederland tenlastegelegde feiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overlap tussen de Belgische strafzaak en het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek. Zoals blijkt uit de overgelegde email van 6 juli 2026 van de zaaksofficier van justitie heeft overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten over de omvang van de verdenkingen in beide landen. Het Belgische EAB en de Nederlandse concept-tenlastelegging zijn daarop aangepast, zodat geen sprake is van overlap. De omvang van de verdenking ten aanzien van het onderliggende feit is verschillend; enerzijds het faciliteren van fraude door anderen via het gebruik van phishingpanels door deze aan te bieden en te verkopen (Nederlandse zaak), anderzijds het zelfstandig plegen van (bankhelpdesk)fraude via het zelf gebruikmaken van een phishingpanel (Belgische zaak). Daarnaast is de pleegplaats verschillend en ook de pleegperiodes met uitzondering van drie maanden overlap. Verder heeft de opgeëiste persoon in België verdiend aan de gelden van slachtoffers, terwijl hij in Nederland heeft verdiend aan de verkoop van de phishingpanels . De officier van justitie verzoekt de rechtbank de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank dient dan vast te stellen dat er in Nederland een strafvervolging tegen de opgeëiste persoon loopt en dat die strafvervolging betrekking heeft op hetzelfde feit als het EAB. De rechtbank stelt op basis van de concept-tenlastelegging vast dat de opgeëiste persoon in Nederland verdacht wordt van het vervaardigen, het voorhanden hebben en de verkoop van phishingpanels en witwassen van criminele gelden in Nederland en dat voor deze feiten een strafvervolging in Nederland gaande is. Blijkens de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB en het A-formulier wordt de opgeëiste persoon in België onder andere verdacht van manipulatie van informaticagegevens door middel van phishingpanels . In het EAB is onder meer het volgende opgenomen: “Het gevoerde onderzoek heeft betrekking op feiten van phishing, waarbij slachtoffers frauduleuze e-mails ontvangen die schijnbaar afkomstig zijn van [naam] ( [afkorting] ), en waarin wordt verzocht hun persoonsgegevens te actualiseren. Via een in de e-mail opgenomen hyperlink worden zij doorverwezen naar een phishingwebsite die de identiteit van [afkorting] nabootst. Na invoer van hun gegevens worden de slachtoffers automatisch doorgestuurd naar een bijkomende frauduleuze website die zich voordoet als hun bankomgeving, met als doel het ontvreemden van vertrouwelijke bank- en authenticatiegegevens. De aldus verkregen gegevens worden door de verdachten gebruikt om zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot bankrekeningen en deze frauduleus aan te wenden. Voor deze handelingen wordt gebruik gemaakt van een phishingpanel, zijnde een platform voor het opzetten en beheren van phishingcampagnes waarbij buitgemaakte gegevens in real-time worden verzameld en geëxploiteerd. Uit het onderzoek blijkt dat het gebruikte panel " [naam panel] " betreft, aangeboden via het Telegram-account " [gebruikersnaam 1] .” Uit het EAB blijkt verder dat via een aan dit Telegram-account gekoppeld Paypal-account betalingen werden verricht aan de opgeëiste persoon. In de Nederlandse concept-tenlastelegging worden de namen van Telegram-accounts “ [gebruikersnaam 2] en/of [gebruikersnaam 3] ” genoemd. Aan de opgeëiste persoon wordt in de Belgische strafzaak verweten dat hij personen heeft opgelicht door middel van het gebruik van een phishingpanel via een Telegram-account met een verschillende, maar vergelijkbare naam als genoemd in de Nederlandse concept-tenlastelegging. De rechtbank stelt op grond van deze gegevens vast dat het aanbieden dan wel ter beschikking stellen van een phishingpanel een noodzakelijk onderdeel van de verdenking in zowel België als in Nederland lijkt te vormen. Verder blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon ook in België wordt verdacht van het witwassen van criminele gelden. De rechtbank acht verder van belang dat de pleegdata van de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, deels valt onder de pleegperiode van de feiten waarvan hij in Nederland wordt verdacht. In de Nederlandse concept-tenlastelegging wordt ten aanzien van het voorhanden hebben en de verkoop van phishingpanels een pleegperiode genoemd van 20 juli 2023 tot en met 12 augustus 2025, terwijl het bij de verdenking van witwassen gaat om de periode 6 maart 2024 tot en met 11 augustus 2025. In het Belgische EAB loopt de omschreven pleegperiode vanaf 15 mei 2025 . Gelet op het voorgaande is mogelijk sprake van strafvervolging in Nederland ten aanzien van dezelfde feiten als waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering verzoekt. Overlap ten aanzien van de omvang van de verdenking is mede afhankelijk van het feitencomplex dat enerzijds aan de verdenking van het vervaardigen, het voorhanden hebben en de verkoop van phishingpanels van de phishingpanels en het witwassen in Nederland, en anderzijds aan de verdenking van de manipulatie van informaticagegevens en het witwassen in België ten grondslag wordt gelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij– op basis van de informatie waarover zij nu beschikt – niet kan beoordelen of sprake is van overlap tussen de Nederlandse en de Belgische strafvervolging. Het mailbericht van de zaaksofficier van justitie van 6 juli 2026 doet hier niet aan af, nu uit dit mailbericht niet blijkt op grond van welke gegevens de zaaksofficier van justitie de daarin weergegeven conclusies heeft gebaseerd. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: 1. Strekt de verdenking van de manipulatie van informaticagegevens in België, zoals in het EAB weergegeven, zich tevens uit tot het vervaardigen, verkopen of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel zoals genoemd in de Nederlandse concept-tenlastelegging gedurende de periode die de Nederlandse verdenking en de Belgische verdenking elkaar overlappen, namelijk van 15 mei 2025 tot en met 12 augustus 2025? 2. Indien dit het geval is, kan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van dit feit bevestigen dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor een feit dat ten grondslag ligt aan de verdenking in de Nederlandse strafzaak, in aanmerking genomen dat sprake is van een overlap met de in de Nederlandse concept-tenlastelegging genoemde pleegperiode? 3. Indien de verdenking, naast de overlap in periode, ook ziet op overlap in pleegplaatsen , kan de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigen dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in de Nederlandse strafzaak? Kan in die situatie meer specifiek worden bevestigd dat de opgeëiste persoon ten aanzien van de verdenking van witwassen niet zal worden vervolgd voor de periode van 6 maart 2024 tot en met 11 augustus 2025? Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. 9 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de door de rechtbank onder punt 8 geformuleerde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit. BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 4 augustus 2026 opnieuw wordt ingepland op een zitting . BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.