Skip to content
Case Law · Gerechtshof Den Haag ·ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Den Haag, 16-07-2026 (22-001123-25)

Gerechtshof Den Haag
Summary

Openlijk geweld Zalencentrum Opera Den Haag. Voldoende significante of wezenlijke bijdrage; voortdurend openlijk geweld in vereniging. Vordering benadeelde partijen van onder meer verbalisanten onder nummer en nationale politie.

Full text

Rolnummer: 22-001123-25 Parketnummer: 09-246330-24 Datum uitspraak: 16 juli 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedatum] 1995, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Niet alle vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep gehandhaafd. De benadeelde partijen die in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en zich – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld – in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd, zijn thans niet meer aan de orde. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 17 februari 2024 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en/of in de buurt van het zalencentrum Opera (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen: - personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en/of journalisten en/of fotografen en/of personen in het zalencentrum Opera, en/of; - goederen, te weten politievoertuigen en/of personenauto’s en/of een touringcar en/of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum Opera en/of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en/of een tankstation), door (meermalen): - ( met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand) (gegroepeerd) zich dreigend op te houden en/of op te stellen tegen en/of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en/of brandweer en/of journalisten en/of fotografen, en/of; - het zalencentrum Opera te bestormen en/of te proberen binnen te dringen (onder andere door (met meerdere personen tegelijk) op de politie en/of het zalencentrum Opera af te gaan/te rennen en/of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen), en/of; - ( stukken/brokken van) stoeptegels en/of stenen en/of fietsen en/of straatmeubilair en/of vuurwerk en/of brandend/brandbaar materiaal en/of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en/of goederen te gooien, en/of; - één of meerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en/of; - één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. De beoordeling Inleiding Op 17 februari 2024 vond in het Opera Zalencentrum (hierna: het zalencentrum), gelegen aan de Fruitweg 28 te Den Haag, een bijeenkomst plaats, georganiseerd door de Federatie Eritrese Gemeenschappen in Nederland. Deze federatie vertegenwoordigt Eritreeërs die voornamelijk tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tussen 1961 en 1991 naar Nederland gevlucht zijn, veelal voorstander van het huidige Eritrese regime. In het zalencentrum waren zo’n 1500 personen aanwezig, waaronder hiervoor genoemde voorstanders. Ongeveer 300 tot 500 andere Eritreeërs zijn op de hoogte geraakt van de locatie van deze bijeenkomst en hebben zich vanaf 16:00 uur (na)bij het zalencentrum verzameld. Deze personen waren voornamelijk Eritreeërs die na 1998 uit Eritrea zijn gevlucht voor het beleid van het huidige Eritrese regime en zijn daarom tegenstanders van dat regime (hierna ook genoemd: de tegenstanders). De politieke tegenstellingen tussen beide groepen veroorzaken spanning tussen de Eritreeërs buiten Eritrea. Die dag vanaf omstreeks 16:45 uur tot omstreeks 20:30 uur vonden bij het zalencentrum ongeregeldheden plaats. In verband daarmee zijn verschillende personen, waaronder de verdachte, aangehouden. Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en daarmee – samen met anderen – strafrechtelijk aansprakelijk is voor dit geweld. Standpunt verdediging De raadsman heeft - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota - vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Bewijsoverwegingen De feiten Voorafgaand aan 17 februari 2024 Op 13 februari 2024 is door tegenstanders van het huidige regime in Eritrea een TikTok livestream uitgezonden waarbij de op 17 februari 2024 door de aanhangers voorgenomen bijeenkomst werd besproken en waarbij besproken is om de bijeenkomst te verstoren. Nadien is de locatie van de bijeenkomst bekend geworden en gedeeld via social media. De ongeregeldheden Op 17 februari 2024 omstreeks 16:00 uur verzamelden zich in de omgeving van het zalencentrum verschillende personen. Aanvankelijk was de sfeer beheersbaar, maar omstreeks 16:45 uur werden verbalisanten met stenen bekogeld. Toen omstreeks 17:15 uur bikers (politie te fiets) een aanhouding wilden verrichten, werd een fiets afgepakt en kreeg een agent deze fiets op zich gegooid. De sfeer sloeg vanaf dit moment om en de mobiele eenheid (hierna: de ME) moest de bikers ontzetten. Omstreeks 17:45 uur waren ruim 300 tegenstanders in de buurt van het zalencentrum aanwezig. Ze probeerden het zalencentrum binnen te dringen en er werd geweld gebruikt tegen de verbalisanten: er was sprake van het gooien van stenen, het gooien van brandbaar materiaal en het bij zich dragen van dikke stokken (slagwapens) en grote messen. Ook werd met vuurwerk gegooid. Door de ME is geprobeerd de tegenstanders weg te drijven, onder meer door middel van meerdere linies, maar telkens werd door tegenstanders richting de linie gelopen en met stenen en fietsen naar de politie gegooid. Ook werden ijzeren palen uit de grond getrokken. De ME kreeg de opdracht om dynamisch op te treden: met het voertuig een groep benaderen, uitstappen, vegen en weer instappen. Dit is door de ME meerdere keren en op meerdere locaties rondom het zalencentrum uitgevoerd tot ongeveer 20:00 uur. Tijdens deze acties werd de ME telkens belaagd. Zo kreeg een ME-lid stenen van de voorkant en de achterkant, op zijn beenkappen, het schild, de helm en in de zij en werd er op een ME-lid ingeslagen met slagwapens en geprobeerd haar schild en wapenstok af te pakken. Er werd pepperspray gebruikt om hen op afstand te houden. Ook werd er brandbaar materiaal onder een politievoertuig gegooid en kwamen personen met de palen van verkeersborden op de voertuigen van de ME af en werd geprobeerd deze door de ME-voertuigen te boren. Omstreeks 18:51 uur stond een politievoertuig op de rotonde bij het zalencentrum in brand en iets na 19:00 uur stond een ander politievoertuig bij het zalencentrum in brand. De brand sloeg vervolgens over op het zalencentrum, waarna de voorzijde van het zalencentrum in brand stond. De ramen van dat pand barstten. De ter plaatse komende brandweereenheid werd bij aankomst direct belaagd met stenen door meerdere personen, waardoor de brandweerlieden zich bedreigd voelden en direct zijn doorgereden naar de kazerne. Ondertussen keerde een groep van ongeveer 200 personen, voorzien van slagwapens en stenen, om 19:05 uur terug over de Fruitweg, met de kennelijke bedoeling om het zalencentrum te bestormen. De ME vormde op dat moment een cordon om het zalencentrum, om collega’s en de personen in het zalencentrum te beschermen. Rond 19:20 uur werd de druk op het cordon onhoudbaar en werd voor de veiligheid van de opsporingsambtenaren toestemming gegeven voor de inzet van traangas, maar ook dat weerhield de tegenstanders er niet van om geweld te blijven plegen: er werd volop met straatstenen en straatmeubilair gegooid. Daarnaast zijn ME’ers op deze avond bekogeld en aangevallen met allerhande wapens, kettingsloten, straatmeubilair, (bak)stenen en vuurwerk. Om 19:23 uur werd het zalencentrum opnieuw bestormd door een aantal personen en werd er brandend materiaal naar binnen gegooid. Om iets voor 20:00 uur werd een touringcar die geparkeerd stond in de directe nabijheid van het zalencentrum, te weten in de Dynamostraat nabij de ingang van de HTM-remise, in brand gestoken. Diverse voertuigen rondom de touringcar raakten eveneens in brand en het gebouw, waarnaast de touringcar geparkeerd stond, liep gevaar om in brand te vliegen. Tijdens het blussen van de touringcar werd de brandweer bekogeld met stenen . Om 20:31 uur was de brand van de touringcar onder controle en omstreeks 20:33 uur bewogen de groepen tegenstanders zich richting het Zuiderpark. Om 21:34 uur was het weer rustig op de Fruitweg en de Troelstrakade. Ten gevolge van de ongeregeldheden zijn verschillende ME-voertuigen zwaar beschadigd geraakt; schade bestaande uit onder andere lakschade, kapotte ramen , lekke banden en gaten in de flanken van de politievoertuigen. Twee politievoertuigen zijn geheel uitgebrand. Door de hitte van de brandende voertuigen zijn onder meer ramen gebarsten in het zalencentrum en is op diverse plekken het wegdek beschadigd. Bij het tankstation Avia Express zijn wapperborden en prullenbakken gestolen dan wel in brand gestoken/vernield. Verder zijn personenauto’s beschadigd geraakt of geheel uitgebrand. Als gevolg van de ongeregeldheden en de stenen en voorwerpen die zijn gegooid, zijn tientallen politieambtenaren en anderen gewond geraakt. De verwondingen bestonden vooral uit blauwe plekken, (schaaf)wonden, zwellingen, verrekkingen en kneuzingen. Een ME-lid heeft een harde klap gekregen tegen het vizier van haar helm, waardoor haar linker voortand door haar bovenlip is geschoten en is afgebroken en een ander ME-lid heeft als gevolg van de harde klappen op haar helm en de ME-bus waarin zij reed een suis in het linkeroor. Het handelen van de verdachte Voor zover nodig, zal het hof hieronder ingaan op de verweren van de verdediging. Ten behoeve van het onderzoek zijn camerabeelden in de directe omgeving van het zalencentrum uitgekeken, opgenomen in de periode van 17 februari 2024 ten tijde van de ongeregeldheden. Op deze beelden is een persoon te zien, aangeduid als NN091. Het signalement van NN091 betreft een man, 20-25 jaar oud, kortgeschoren zwart haar, een ruim zittend donkerblauw geruite jas met witte bontkraag en wit bont bij de mouwen, een wit met bruin/rood geruit overhemd onder de jas en een blauw/grijze ruim zittende joggingbroek met witte letters op het linker boven been (voorzijde) en het rechter boven been (achterzijde). Een van de afbeeldingen van NN091 in het dossier betreft de volgende: [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Waargenomen wordt dat NN091 tussen 18:31 uur en 20:15 uur onder meer: - straatstenen vernielt; - meermalen een gooiende beweging maakt naar een passerende ME-bus; - tweemaal met anderen een voertuig vanuit een parkeervak op de rijbaan duwt; - een gooiende beweging in de richting van het hekwerk van het zalencentrum maakt terwijl op dat moment achter het hekwerk meerdere ME-voertuigen en ME’ers staan, en - sleept met een prullenbak. Op enig moment is een nader onderzoek ingesteld naar de bodycambeelden waarop NN091 is te zien. Deze beelden zijn verscherpt. Op de beelden zijn de contouren van een kruisje te zien: [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Blijkens een foto van de verdachte, verkregen van de IND, van 5 maart 2024 heeft de verdachte een tatoeage onder zijn rechteroog: [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte een tatoeage van een kruis onder zijn rechteroog heeft. De politie heeft een mobiele telefoon (Samsung) onder de verdachte in beslag genomen. De verdachte heeft verklaard dat hij één telefoon in gebruik heeft en dat dat de telefoon is die door de politie in beslag is genomen. Naar de in beslag genomen telefoon is onderzoek gedaan. In de telefoon is een snapchat account met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] aangetroffen, dat gebruikt werd in combinatie met het telefoonnummer [telefoonnummer] . In de telefoon van de verdachte zijn onder meer twee afbeeldingen aangetroffen, aangemaakt op 2 maart 2024 respectievelijk 24 februari 2024, met daarop telkens een persoon in een blauwe jas met witte kraag. [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Voorts is in de telefoon een filmpje aangetroffen, aangemaakt op 11 februari 2024 met daarop een persoon met een blauwe broek met een wit logo op het linker bovenbeen, voorzijde ( waarneming hof ). [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Blijkens het proces-verbaal van bevindingen staan er diverse foto's in de telefoon van de verdachte in een blauw geblokte jas en een blauwe broek. De jas en de broek op de foto's komen overeen met de jas en de broek, welke NN091 droeg op 17 februari 2024 ten tijde van de ongeregeldheden. Voorts is uit onderzoek gebleken dat de verdachte onder meer gebruik maakt van Facebook met ID [nummer 1] en TikTok met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] . Op het Facebook-profiel van de verdachte is een video geüpload op 24 december 2023. Hierop is een persoon te zien op een vervoersmiddel. Volgens de verbalisant toont onder meer de jas die de persoon in de video draagt gelijkenissen met de blauw geblokte jas van NN091. De gelijkenissen bestaan volgens de verbalisant uit hetzelfde patroon (geblokt), een witte bontkraag, knopen aan de rechterzijde van de jas en wit bont bij de mouwen. Volgens de verbalisant is de verdachte op deze video zichtbaar. [Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.] Uit analyse van de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 17 februari 2024 om 16:54.30 uur een mast gebruikt in Amsterdam. Vervolgens is te zien dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 17 februari 2024 om 18:54.30 uur een mast gebruikt in Den Haag. Deze mast bevindt zich in de directe omgeving van de ongeregeldheden. Hierna wordt er op 17 februari 2024 om 22:53.01 uur weer een mast in Amsterdam gebruikt. De verdachte heeft van 20 maart 2023 tot en met 20 februari 2024 verbleven op de locatie [adres] te Amsterdam. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de tante van de verdachte in Den Haag en meer specifiek in de omgeving van de [straatnaam] woont en dat de verdachte liever bij zijn tante verblijft dan in het AZC Ter Apel. Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de verdachte op 17 februari 2024 mogelijk bij zijn tante in Den Haag is geweest als verklaring voor het aanstralen van een zendmast in de omgeving van de ongeregeldheden. Dit betreft echter niet een door de verdachte gegeven verklaring. Het hof gaat reeds hierom aan dit door de raadsman geschetste alternatief scenario voorbij. De verdachte heeft zich wat betreft de verdenking grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij niet NN091 is. De verdachte heeft, in het licht van het voorgaande, zeer beperkt verklaard. Bij (door)vragen beriep de verdachte zich meermalen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft in eerste aanleg volstaan met de verklaring dat hij niet NN091 is en dat hij ‘eigenlijk niks daarover wil zeggen’. De verdachte heeft in hoger beroep geen verklaring ter terechtzitting afgelegd. De verdachte heeft daardoor nimmer een redelijke, de redengevendheid van het tegen hem verzamelde bewijsmateriaal ontzenuwende verklaring gegeven voor feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte NN091 is. Deze omstandigheden zijn ieder op zich sterk, staan niet op zichzelf en grijpen onderling op elkaar in. Het beoordelingskader voor openlijk geweld Het hof dient te beoordelen of de verdachte medepleger is van openlijk gepleegd geweld en zo ja, voor welk gepleegd geweld hij strafrechtelijk aansprakelijk is. Het beoordelingskader voor openlijke geweldpleging Voor het “in vereniging” plegen van openlijk geweld moet worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk gepleegd geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen kan daarentegen wel van voldoende gewicht zijn. Gedragingen die bijdragen aan de sfeer van ontremming kunnen een significante of wezenlijke bijdrage zijn. Een bijdrage van voldoende gewicht kan mede bestaan uit het filmen van de geweldshandelingen als onderdeel van een gezamenlijke actie. De rechter moet beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Voortdurend openlijk geweld in vereniging Op basis van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tegenstanders van het regime in Eritrea op 17 februari 2024 naar het zalencentrum zijn gegaan om te demonstreren tegen de bijeenkomst die daar op dat moment plaatsvond. Het gemeenschappelijke doel van de groep was om die bijeenkomst te laten stoppen. Buiten het zalencentrum ontstonden op een gegeven moment ongeregeldheden. Daarbij hebben de geweldshandelingen, zoals die zijn ten laste gelegd achter de gedachtestreepjes, zich allemaal voorgedaan. Verder staat vast dat rond 16:45 uur voor het eerst buiten het zalencentrum naar de politie met stenen werd gegooid. Het geweld escaleerde nadat twee politie bikers een aanhouding wilden verrichten. De groep tegenstanders was op dat moment aangezwollen tot ongeveer 300 personen. Er ontstond een continu proces van geweld dat gericht was tegen de politie en politievoertuigen, waarbij de tegenstanders bij het zalencentrum naar binnen wilden komen. Nadat de politie diverse maatregelen had genomen om het zalencentrum te beschermen, de groep uiteen te drijven en te verjagen, is het geweld (deels) verplaatst van de Fruitweg in de richting van de Parallelweg en uitgewaaierd op en in de nabije omgeving van deze twee wegen. Nadien is een groep van 200 personen teruggekeerd naar de Fruitweg, waar rond 21:30 uur de rust weerkeerde. Het geweld voltrok zich dus op plekken die zich op een geringe afstand van elkaar bevonden, in een tijdsbestek van vier uren, waarbij tegenstanders van de bijeenkomst in het zalencentrum zich doorlopend met geweld tegen de politie keerden. Er deed zich een groepsdynamiek voor waarbij een groot aantal individuele personen op elkaar reageerden door mee te doen aan de gewelddadigheden. Een sfeer van ontremming ontstond, waarin het gewelddadige gedrag van de één bevorderde dat de ander mee ging doen of mee bleef doen met het plegen van geweld en het geweld bleef voortduren en escaleerde. Het geweld tegen de politie en de brandstichtingen aan de voertuigen dienden hetzelfde achterliggende doel, namelijk het verstoren van de bijeenkomst van de aanhangers in het zalencentrum. Naar het oordeel van het hof kan het geweld, waaronder de brandstichtingen, dan ook worden aangemerkt als één geheel van geweldshandelingen dat in vereniging is gepleegd. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in ieder geval tussen 18:31 uur en 20:15 uur ter plaatse is geweest en actief heeft bijgedragen aan het jegens de verbalisanten en goederen gepleegde openlijk geweld. De verdachte heeft zich na de eerste brandstichting niet onttrokken aan de ongeregeldheden en is daarna nog geruime tijd in de directe nabijheid van het zalencentrum aanwezig geweest. Daarmee is hij, naast de hiervoor beschreven handelingen, de groep van relschoppers getalsmatig blijven versterken in de confrontatie die op dat moment plaatsvond met de politie. Hieruit volgt dat het opzet van de verdachte zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen in het geheel van geweldshandelingen pleegden, waaronder de brandstichtingen. Het verweer van de verdediging dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in de tenlastelegging weergegeven brandstichtingen wordt dan ook verworpen. Conclusie Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte op 17 februari 2024 een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld, waarbij al het ten laste gelegde geweld één geheel van geweldshandelingen vormt. Het hof acht het ten laste gelegde openlijk geweld wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 17 februari 2024 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en /of in de buurt van het zalencentrum Opera Zalencentrum (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen: - personen, te weten politieambtenaren en /of brandweerpersoneel en /of een journalist en en /of een fotografen fotograaf en /of personen in het zalencentrum Opera Zalencentrum , en /of ; - goederen, te weten politievoertuigen en /of personenauto's en /of een touringcar en /of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum het Opera Zalencentrum en /of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en /of een tankstation), door (meermalen) : - ( met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand ) ( gegroepeerd ) zich dreigend op te houden en /of op te stellen tegen en /of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en /of brandweer en /of een journalist en en /of een fotografen fotograaf , en /of ; - het zalencentrum Opera Zalencentrum te bestormen en /of te proberen binnen te dringen , ( onder andere door ( met meerdere personen tegelijk ) op de politie en /of het zalencentrum Opera Zalencentrum af te gaan/te rennen en /of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen ) , en /of ; - ( stukken/brokken van) stoeptegels en /of stenen en /of fietsen en /of straatmeubilair en /of vuurwerk en /of brandend/brandbaar materiaal en/ of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en /of goederen te gooien, en /of ; - één of meerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en /of ; - één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit Op 17 februari 2024 heeft de verdachte samen met andere tegenstanders van het huidige Eritrese regime openlijk geweld gepleegd bij een zalencentrum in Den Haag, waar aanhangers van dat regime kort daarvoor bijeen waren gekomen. Toen het binnen gaan van het zalencentrum door de ME werd belet, ontstond er een grimmige sfeer. Ondanks dat werd opgeroepen de omgeving direct te verlaten, werden de ME’ers bekogeld met onder andere stenen en stokken. Ook politievoertuigen, een touringcar en personenauto’s hebben het moeten ontgelden. Toen de brandweer ter plaatse kwam om in brand gestoken voertuigen te blussen, richtte het geweld zich ook tegen de brandweer. Ook zijn een fotograaf en een journalist direct geconfronteerd met het geweld. Diverse personen zijn ten gevolge van het handelen van de verdachte en zijn mededaders gewond geraakt. Het geweld is van een ongekende heftigheid geweest. Voorts moet voor de aanwezigen in het zalencentrum de situatie uitermate beangstigend zijn geweest. Dergelijk handelen gaat de perken van wat toelaatbaar is zeer ver te buiten. Dat de verdachte en zijn mededaders enkel naar Den Haag zouden zijn afgereisd om ter plaatse ‘vreedzaam te demonstreren’ verhoudt zich op geen enkele wijze met hetgeen zich aldaar heeft voltrokken. De aard, de intensiteit en de duur van het geweld hebben, blijkens de vele aangiften, slachtofferverklaring(en) en de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij een enorme impact op de aldaar aanwezigen gehad. Betrokken politieagenten/ME-ers hebben het geweld omschreven als een oorlogssituatie en hebben soms gevreesd voor hun leven. De verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het tegen de politie gerichte geweld zoals hiervoor bewezen verklaard. De persoon van de verdachte Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door de verdediging naar voren gebracht. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier volgt dat er geen (grote) zorgen zijn op de verschillende domeinen. Het hof heeft dit ook bij het oordeel betrokken. Slot Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoedingen De vorderingen van de benadeelde partijen/ de schadevergoedingsmaatregel Slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht telkens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte op te leggen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan. Het oordeel van het hof Algemene uitgangspunten en overwegingen Onevenredige belasting van het strafgeding De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren vanwege het aantal vorderingen, de grootte van de vorderingen en vaak ook de onderbouwing. Het hof overweegt als volgt. Het enkele feit dat in deze zaak door veel benadeelde partijen vorderingen zijn ingediend betekent niet dat de vorderingen in de strafzaak niet inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. De behandeling van deze hoeveelheid vorderingen levert naar het oordeel van het hof op zichzelf geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Ook anderszins is van een dergelijke onevenredige belasting naar het oordeel van het hof geen sprake. Mede in aanmerking genomen dat de meeste vorderingen eenvoudig van aard en beperkt van omvang zijn, is de verdediging naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest om de vorderingen te bestuderen en (gemotiveerd) te betwisten. Bovendien zijn 66 vorderingen van benadeelde verbalisanten, die in hoger beroep werden vertegenwoordigd door een tweetal advocaten, onderling samenhangend en op een overzichtelijke en eenvoudige wijze gepresenteerd. Ook de overige door de verdediging in dit kader aangedragen omstandigheden maken dit oordeel niet anders. Het hof zal hierna iedere vordering afzonderlijk beoordelen. Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid De verdachte heeft zich met zijn gedragingen schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. In artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedrag in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Een beroep op het ontbreken van het causaal verband wegens het niet kunnen koppelen van de individuele handelingen van de verdachte aan de specifieke schade houdt derhalve geen stand. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken. De regeling van art. 6:166 BW voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Het hof heeft voorts acht geslagen op de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 663-664) en relevante rechtspraak, zoals onder meer ECLI:NL:HR:2015:2914, ECLI:NL:HR:2025:1056 in vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:1870 (Mallorca-zaak) en ECLI:NL:HR:2025:1507 in vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2024:1204 (Pegida-zaak). Matigen naar billijkheid? De verdediging heeft matiging naar billijkheid bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het gaat om schade van een enorme omvang die is veroorzaakt door honderden personen, terwijl slechts een klein deel van hen terecht staat voor openlijke geweldpleging. Dat maakt volgens de verdediging dat een disproportioneel klein aantal schadeveroorzakers verantwoordelijk wordt gehouden voor schade van enorme omvang. Het hof dient een billijkheidscorrectie toe te passen en de schadevergoedingsverplichting van de verdachte te beperken, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. In artikel 6:166, tweede lid BW is bepaald hoe de onderlinge verdeling van schade tussen de tot de groep behorende personen behoort plaats te vinden: zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert. Uit artikel 6:166, eerste en tweede lid BW samen volgt aldus een systeem waarin ieder van de betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, wat verhaal van deze schade door de benadeelden vergemakkelijkt. Na vergoeding van de schade kan een betrokkene vervolgens op zijn medegroepsleden het bedrag verhalen dat hij te veel heeft betaald, waarbij de bijdrage in het geweld (mede)bepalend kan zijn voor het aandeel dat ieder uiteindelijk te dragen heeft. Het ligt aldus in de eerste plaats op de weg van de verdachte - en andere betrokkenen bij de rellen op 17 februari 2024 - om op deze manier de schade onderling te verdelen. Een billijkheidscorrectie zou betekenen dat de benadeelde partijen worden beperkt in hun verhaalsmogelijkheden. Dat acht het hof, gelet op de wettelijke regeling, niet billijk. Gelet op het voorgaande ziet het hof ten aanzien van de verschillende vorderingen van de benadeelde partij dan ook geen grond voor matiging naar billijkheid en aldus afwijking van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte. Horen getuigen De raadsman heeft in het kader van het door de verdediging gevoerde verweer, al dan niet in voorwaardelijk zin, verzocht te horen: - de benadeelde partijen (politieambtenaren) die een vordering onder nummer hebben ingediend; - de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 3] , [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] ten aanzien van het door hen gestelde psychisch letsel, - [naam deskundige] uit hoofde van haar gestelde deskundigheid op het gebied van BTW ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de Nationale Politie, en - een niet nader geduide medewerker van de [naam bank 1] dan wel de [naam bank 2] in geval een vijftal betalingen van € 1,00 aan de Nationale Politie ten behoeve van een vijftal vorderingen benadeelde partij zouden worden betwist. Nu het de benadeelde partij ingevolge artikel 334, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet is toegestaan ter onderbouwing van zijn vordering getuigen of deskundigen aan te brengen, staan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder de ‘equality of arms’, eraan in de weg dat wel aan de verdachte de bevoegdheid zou toekomen met betrekking tot deze vordering getuigen aan te brengen (zie ECLI:NL:HR:2011:BQ0834 en ECLI:NL:HR:2014:1448). Het hof wijst reeds hierom, voor zover aan de orde, de verzoeken van de verdediging tot het horen van de desbetreffende personen af. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld, waardoor hij jegens de benadeelde partijen aansprakelijk is voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. Het hof is van oordeel dat vergoeding van de schade een bij uitstek passende maatregel is bij een dergelijke vorm van openlijk geweld. Om die reden én als extra waarborg voor de betaling aan de benadeelde partijen zal het hof aan de verdachte - voor de toegewezen bedragen - steeds hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel geen onderscheid maken tussen namens natuurlijke personen en rechtspersonen gevorderde en toegewezen schadevergoedingen. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand (MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 5). Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd. Dat een benadeelde partij een rechtspersoon is, is aldus geen criterium dat bij de keuze voor het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsregeling een rol behoeft te spelen, zodat dit aspect het oordeel van het hof niet anders maakt. Daaraan doet ook niet af dat rechtspersonen en bedrijven in het algemeen beter in staat zullen zijn om een toegewezen vordering te (laten) executeren. Gelet op de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling, is het totaal van de opgelegde gijzeling 365 dagen. Wettelijke rente Indien het hof de vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal hij daarbij tevens de vordering tot betaling van de wettelijke rente toewijzen vanaf 17 februari 2024, de dag dat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, tenzij hieronder anders wordt overwogen en beslist. Politieambtenaren Namens 66 politieambtenaren is een vordering benadeelde partij ingediend. Een aantal van deze vorderingen is onderscheiden in drie categorieën. Het hof zal iedere vordering, na het bespreken van algemene verweren, al dan niet per categorie, afzonderlijk beoordelen. Algemene verweren Ontbreken voegingsformulieren De verdediging heeft bepleit dat de 66 politieambtenaren niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering omdat zij geen gebruik hebben gemaakt van het door de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) vastgestelde formulier ex artikel 51g Sv (hierna: het voegingsformulier). De verdediging heeft bepleit dat benadeelde partijen verplicht zijn om het voegingsformulier te gebruiken, omdat het voegingsformulier de waarborg bevat dat de benadeelde partij zelf tekent, direct dan wel indirect verklaart het formulier naar waarheid te hebben ingevuld en daarmee naar waarheid een opgave heeft gedaan van de reeds vergoede schade. De zich in het dossier bevindende verzoeken tot schadevergoeding, opgesteld door de advocaten van de benadeelde partijen, wijken volgens de verdediging zodanig af van het door de minister vastgestelde formulier, dat die niet daarvoor in de plaats kunnen treden. Het hof stelt vast dat de advocaten van de benadeelde partijen namens deze voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een schriftelijke ‘vordering benadeelde partij’ hebben ingediend, welke vordering telkens is toegelicht. Er is opgave gedaan van de inhoud van de vorderingen en van de gronden waarop deze berusten. Hiermee voldoen de namens de benadeelde partijen ingediende vorderingen aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 51g, eerste lid, eerste volzin Sv. Hierbij is geen gebruik gemaakt van het voegingsformulier of een – kort gezegd – elektronische voorziening, zoals bepaald in artikel 51g, eerste lid, tweede volzin Sv. Het hof stelt voorop dat het in artikel 51g eerste lid, tweede volzin Sv genoemde voegingsformulier vooral is bedoeld om de benadeelde partij tegemoet te komen en een efficiënte afhandeling van de vordering te bevorderen. Het betreft niet een formaliteit die de verdachte beoogt te beschermen en waarop deze zich kan beroepen. Bij het voorgaande neemt het hof mede in aanmerking dat voeging op grond van artikel 51g, derde lid Sv desnoods nog ter terechtzitting mondeling kan gebeuren en dat in het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan het niet gebruik maken van het voegingsformulier. Voorts betrekt het hof hierbij dat de advocaten van de benadeelde partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting de vorderingen hebben toegelicht en de verdediging in de gelegenheid is geweest daarover vragen te stellen en verweer te voeren. Nu in de namens de benadeelde partijen ingediende schriftelijke vorderingen telkens tijdig opgave is gedaan van de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust, een en ander als bedoeld in artikel 51g lid 1 Sv en niet is gebleken dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden doordat geen gebruik is gemaakt van het voegingsformulier, ziet het hof geen aanleiding om de benadeelde partijen om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering. Vorderingen ingediend onder nummer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen die hun vordering niet onder eigen naam maar onder nummer hebben ingediend, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de naam van een partij te worden vermeld. Een gedaagde kan zich anders niet verweren tegen de eiser en kan bij de eiser anders ook geen proceskosten incasseren. Het door de minister vastgestelde formulier bevat volgens de verdediging niet voor niets een deel met persoonsgegevens en een deel waarop alleen de naam moet worden vermeld. Verder komt het de verdediging voor dat niet iedereen onder nummer deel uitmaakt van een bijzondere eenheid die anonimiteit vereist. Volgens de verdediging is lidmaatschap van het Team Parate Eenheid niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat afgeweken kan worden van de ondergrens die in het door de minister vastgestelde formulier is getrokken. Het hof oordeelt als volgt. De mogelijkheid om onder nummer aangifte te doen, is bedoeld voor het slachtoffer dat een gegrond vermoeden heeft dat een aangifte of verhoor kan leiden tot overlast zoals gevaar voor de persoonlijke veiligheid of veiligheid van anderen of tot belemmering in de uitoefening van zijn of haar beroep. Bij aangifte of verhoor onder nummer wordt de identiteit van het slachtoffer niet prijsgegeven: naam, geboortedatum en adresgegevens worden niet in de aangifte of het proces-verbaal van verhoor opgenomen en het slachtoffer wordt met een specifieke code aangeduid. Deze gegevens zijn wel bekend bij de opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie, maar worden afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Dit is ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal desgevraagd bevestigd, alsmede dat de aangiftes onder nummer corresponderen met de nummers waaronder de desbetreffende politieambtenaren zich als benadeelde partij in het strafgeding hebben gevoegd. Wanneer een slachtoffer, dat aangifte heeft gedaan onder nummer, een vordering tot schadevergoeding wenst in te dienen, is het van belang dat kan worden vastgesteld dat dit slachtoffer de betreffende aangifte heeft gedaan. Gelet op het specifieke nummer waaronder aangifte is gedaan, is het hof van oordeel dat genoegzaam valt vast te stellen dat de vordering door de betreffende aangever is ingediend. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom aangevers hun anonimiteit niet zouden mogen voortzetten wanneer zij de door hun geleden schade door verdachte vergoed wensen te zien. Dit geldt temeer nu de verdediging door de specifieke code die gekoppeld is aan zowel de aangifte als de vordering, waardoor de vordering te herleiden is tot de aangever, niet wordt geschaad in haar verdedigingsrecht. Daar komt bij dat door de verbalisanten en de casemanagers GTPA (Geweld Tegen Politieambtenaren) twee advocaten zijn gemachtigd tot het indienen van de vorderingen en het geven van een toelichting daarop, hetgeen zij ook ter zitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben gedaan. Concluderend ziet het hof in de - betrekkelijke - anonimiteit van de verbalisanten geen reden om hen als benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen. Ten onrechte is de schade niet door de werkgever vergoed en handelingsonbevoegdheid De verdediging heeft zich – verkort weergegeven – op het standpunt gesteld dat een werkgever in beginsel verplicht is om de schade van een werknemer te vergoeden die de werknemer bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden heeft geleden. De benadeelde partijen zijn allen politieambtenaar en hadden de gestelde schade moeten verhalen bij hun werkgever de Nationale Politie. Voorts dienen de politieambtenaren naar analogie van artikel 3:40 BW handelingsonbevoegd te worden verklaard. Ook om die reden zou de schade door de Nationale Politie vergoed dienen te worden, ter waarborging van de integriteit. Anders dan de verdediging heeft betoogd, schrijft de wet de door de verdediging voorgestane volgorde niet voor. Het staat de benadeelde partij vrij om te kiezen of hij zijn schade via het strafproces of via de burgerlijke rechter op de dader verhaalt, dan wel op andere wijze schadeloos wordt gesteld, zoals bij de verzekeraar of de werkgever. Dat de benadeelde partijen hun schade mogelijk ook op andere wijze zouden kunnen verhalen, staat aan toewijzing van de vorderingen niet in de weg. Het verweer dat de benadeelde partij handelingsonbevoegd dient te worden verklaard naar analogie van artikel 3:40 BW op de grond dat politieambtenaren geen rechtstreeks belang mogen hebben bij de uitkomst van een procedure waarbij de politieambtenaar in functie bij is betrokken, wordt verworpen. Uitgangspunt van de wet is dat een ieder die stelt schade te hebben geleden ten gevolge van een tegen hem gepleegd strafbaar feit in beginsel het recht toekomt zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Dat geldt ook voor individuele politieambtenaren die stellen in functie schade te hebben geleden. De door de verdediging gestelde beperking vindt geen steun in het recht. De vorderingen van € 350,00 In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 350,00. Het betreft: nr. 4: [naam benadeelde partij 55] nr. 14: [naam benadeelde partij 6] nr. 18: [naam benadeelde partij 2] nr. 19: [naam benadeelde partij 7] nr. 24: [naam benadeelde partij 8] nr. 25: [naam benadeelde partij 9] nr. 26: [naam benadeelde partij 5] nr. 27: [naam benadeelde partij 10] nr. 28: [naam benadeelde partij 3] nr. 29: [naam benadeelde partij 11] nr. 30: [naam benadeelde partij 12] nr. 31: [naam benadeelde partij 13] nr. 32: [naam benadeelde partij 14] nr. 33: [naam benadeelde partij 1] nr. 34: [naam benadeelde partij 4] nr. 35: [naam benadeelde partij 15] nr. 36: [naam benadeelde partij 16] nr. 37: 3254616 nr. 38: 3254628 nr. 39: 3254839 nr. 44: 3255764 nr. 46: 3256007 nr. 48: 3256065 nr. 50: 3256298 nr. 51: 3256309 nr. 52: 3256357 nr. 55: 3256600 nr. 56: 3256945 nr. 57: 3257688 nr. 58: 3258166 nr. 59: 3259023 nr. 60: 3259472 nr. 61: 3260529 nr. 62: 3272822 nr. 65: [naam benadeelde partij 17] nr. 66: [naam benadeelde partij 18] . In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 350,00. De advocaat-generaal heeft telkens geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde toelichtingen volgt dat de benadeelde partijen nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde openlijk geweld. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders mee dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de politieambtenaren zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichameli

Similar Content