Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-07-2026 (BRE 26/3395)
Vovo. Geen recht op wissing gegevens ogv artikel 17 AVG.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/3395 AVG uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en Het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (de Omgevingsdienst), verweerder (gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van verzoeker tot het wissen van gegevens. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Verzoeker heeft op 6 mei 2026 om 20:05 uur een e-mail met bijlagen aan de Omgevingsdienst gestuurd. Vervolgens heeft verzoeker in een e-mail van 20:10 uur gesteld dat hij de e-mail van 20:05 uur per abuis heeft gestuurd en heeft hij de Omgevingsdienst verzocht om die e-mail als niet verzonden te beschouwen, uit de digitale bestanden te verwijderen en de privacyregels en AVG in acht te nemen. In een brief van 7 mei 2026 heeft verzoeker verzocht om zijn e-mail van 6 mei 2026 om 20:05 uur en alle corresponderen/mails daarna te verwijderen. 2.2 Met het bestreden besluit van 3 juni 2026 heeft de Omgevingsdienst het verzoek van verzoeker afgewezen. Volgens de Omgevingsdienst heeft zij als werkgever de wettelijke verplichting om in het personeelsdossier de gegevens op te slaan die relevant zijn voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Daarbij horen ook gegevens die te relateren zijn aan verzoekers ontslag. Daarnaast heeft de Omgevingsdienst een gerechtvaardigd belang bij het bewaren van de gegevens. De stukken zijn relevant voor de lopende procedure tegen de geldigheid van het ontslag en daarmee samenhangende financiële aanspraken. Het belang van het bewaren van gegevens die kunnen dienen als bewijs van een feit met rechtsgevolg, weegt zwaarder dan verzoekers belang van bescherming van zijn privacy. Er is dan ook een rechtmatige grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens. 2.3 Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.4 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van de Omgevingsdienst, [persoon 1] (jurist bij de Omgevingsdienst) en [persoon 2] (Privacy Officer bij de Omgevingsdienst). Standpunten van partijen Standpunt van verzoeker 3. Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De Omgevingsdienst heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom verwerking van de gegevens voldoet aan artikel 5 en 6 van de AVG. Bovendien volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 20 mei 2026 dat eerst moet worden vastgesteld of recht op wissing bestaat voor toetsing aan artikel 17, derde lid, van de AVG. De Omgevingsdienst heeft echter rechtstreeks naar de rechtsvorderingsuitzondering gegrepen. Subsidiair stelt verzoeker dat als wissing niet direct toewijsbaar is, beperking van verwerking op grond van artikel 18 van de AVG in beeld moet komen. Verweerschrift 4. De Omgevingsdienst stelt zich op het standpunt dat de e-mail van verzoeker en de bijlagen daarbij kunnen strekken tot bewijs van een feit dat verzoeker tot op heden niet heeft erkend en dat ten grondslag ligt aan het ontslag op staande voet. Dat ontslag is onderwerp van een civiele procedure. Volgens de Omgevingsdienst is de verwerking van de persoonsgegevens van verzoeker dan ook noodzakelijk voor de behartiging van haar gerechtvaardigde belangen. Zij wil zich kunnen verweren tegen de rechtsvordering die verzoeker aanhangig heeft gemaakt. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van verzoeker bij het beperken van de verwerking van de gegevens. Artikel 17, eerste lid, van de AVG biedt verzoeker dan geen recht op wissing. Reactie verzoeker 5. In reactie op het verweerschrift heeft verzoeker aangevoerd dat de Omgevingsdienst erkent dat de stukken voor een ander doel zullen worden gebruikt, namelijk in de ontslagzaak. Juist dan moeten doelbinding, noodzakelijkheid en verenigbaarheid opnieuw worden getoetst aan artikel 5 en artikel 6 van de AVG. Subsidiair beroept verzoeker zich nogmaals op beperking van verwerking. Verder merkt verzoeker op dat de onderhavige situatie kenmerken heeft van een datalek. De Omgevingsdienst kan het incidentele en onbedoelde karakter van de toezending van de stukken dan ook niet aangrijpen als vrijbrief voor verdere dossieropbouw. Zij moet terughoudend en controleerbaar handelen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Beoordelingskader 6. De voor de beoordeling van het verzoek relevante bepalingen uit de AVG zijn te vinden in een bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling Spoedeisend belang 7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóórdat dat besluit genomen is onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. 8. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening, omdat de stukken ieder moment door de Omgevingsdienst ingebracht kunnen worden in de civiele procedure. De gevolgen van het bestreden besluit zijn dan onomkeerbaar. De Omgevingsdienst betwist het spoedeisend belang. Ter zitting is toegezegd dat de stukken niet zullen worden ingebracht in de civiele procedure tot de beslissing op bezwaar in deze zaak is genomen. De hoorzitting in bezwaar staat gepland op 2 september 2026 en de beslissing op bezwaar zal medio september worden genomen. Pas dan is eventuele toezending aan de kantonrechter aan de orde. De zitting bij de kantonrechter staat gepland op 22 oktober 2026. 9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Omgevingsdienst pas ter zitting de toezegging heeft gedaan de stukken niet in te brengen in de civiele procedure tot de beslissing op bezwaar. Daarbij is relevant dat de datum van de hoorzitting in bezwaar al eens is verschoven, namelijk van begin augustus naar begin september. Er is dan ook geen sprake van een concrete datum waarop de beslissing op bezwaar zal worden genomen. Onder deze omstandigheden en mede gelet op de geplande zitting bij de kantonrechter, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het spoedeisend belang in deze zaak aan te nemen. De procedure bij de voorzieningenrechter 10. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter in zijn reactie op het verweerschrift verzocht om prejudiciële vragen te stellen, onder meer over de uitleg van artikel 17 van de AVG. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de voorlopige voorziening procedure zich niet leent voor het stellen van prejudiciële vragen. 11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Reikwijdte van het verzoek 12. Verzoeker heeft de Omgevingsdienst verzocht de door hem toegezonden stukken in zijn geheel te wissen. Uit de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 20 mei 2026 volgt echter dat er geen grondslag bestaat voor een verzoek tot vernietiging van bij bestuursorganen berustende documenten. Het verzoek is door de Omgevingsdienst dan ook terecht aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de AVG. Volgens dat artikel kan er alleen een recht bestaan op wissing van hem betreffende persoonsgegevens en dus niet van de overige gegevens die in die stukken staan vermeld. Artikel 17 van de AVG strekt daarom niet zover dat de Omgevingsdienst de stukken in zijn geheel diende te wissen. Volledige wissing, zoals verzoeker zowel aan de Omgevingsdienst als bij wijze van voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter heeft gevraagd, kent dus geen wettelijke basis in artikel 17 van de AVG en kan niet worden toegewezen. 12.1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter subsidiair verzocht om beperking van de verwerking van zijn persoonsgegevens. Het door verzoeker in dat verband gedane beroep op artikel 18 van de AVG en de artikelen 8:29 en 8:32 van de Awb is ter zitting niet langer gehandhaafd. Volgens verzoeker moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit omdat dit in strijd is met artikel 17 van de AVG, hetgeen in ieder geval reden is om enige (verdere) verwerking van zijn persoonsgegevens te beperken. Heeft verzoeker recht op wissing van zijn persoonsgegevens? 13. Partijen zijn het erover eens en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat in dit geval artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG van toepassing is. Hieruit volgt dat er recht op wissing van persoonsgegevens verkregen kan worden als de betrokkene de toestemming waarop de verwerking berust intrekt en er geen andere rechtsgrond voor verwerking bestaat. Vast staat dat verzoeker de met de toezending van de stukken impliciet gegeven toestemming voor de verwerking van zijn persoonsgegevens heeft ingetrokken. In geschil is of er een andere rechtsgrond voor verwerking van deze gegevens bestaat. 14. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig als de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, behalve wanneer de belangen van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. De Omgevingsdienst stelt dat de stukken noodzakelijk zijn voor de behartiging van haar belangen in de civiele procedure. In het kader van doeltreffende geschilbeslechting is het van belang dat de kantonrechter de beschikking heeft over een volledig dossier. Dit is ook in het belang van de waarheidsvinding over de feiten die ten grondslag hebben aan het ontslag van verzoeker. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat de inhoud van de stukken los staat van de ontslagzaak, maar dat zijn belang is gelegen in het voorkomen van oneigenlijke dan wel negatieve beeldvorming bij de kantonrechter. 15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan de kantonrechter is om te beoordelen of de stukken relevant zijn voor de civiele procedure. Daarom weegt het belang van verzoeker niet zwaarder dan het belang van de Omgevingsdienst. Dit betekent dat er een rechtsgrond voor de verwerking van verzoekers persoonsgegevens bestaat. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG heeft verzoeker dan geen recht op wissing van zijn persoonsgegevens. Ten overvloede 16. Als verzoeker al gevolgd zou moeten worden in de stelling dat hij recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens, dan is de uitzondering van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG van toepassing. Daaruit volgt dat het recht op wissing niet van toepassing is voor zover verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Dit is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de orde, omdat de Omgevingsdienst de stukken noodzakelijk acht ter onderbouwing van haar standpunt in de civiele procedure. Conclusie en gevolgen 17. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er is dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter komt niet toe aan een bespreking van de overige verzoeken van verzoeker. 18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 23 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: relevante wet- en regelgeving AVG Artikel 6, eerste lid 1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. Artikel 17, eerste en derde lid 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: a. a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking; c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2; d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1. […] 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: a. a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie; b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3; d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen; e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. De Algemene Verordening Gegevensbescherming, Verordening (EU) 2016/679. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2026:2694. Algemene wet bestuursrecht.