Rechtbank Rotterdam, 20-07-2026 (C/10/721650)
Kort geding. Eiser vordert afschrift van diverse gegevens/documenten op grond van de artikelen 194 en 195 Rv en artikel 15 AVG. Afwijzing van de vorderingen.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/721650 / KG ZA 26-606 Vonnis in kort geding van 20 juli 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes, tegen NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. , gevestigd in Den Haag, gedaagde partij, hierna te noemen: NN, advocaat: mr. J.M. Bruidegom. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 19 juni 2026, met producties 1 tot en met 18; - de conclusie van antwoord, met producties A tot en met G; - de brief van 3 juli 2026 van [eiser] , met daarin een vermeerdering van eis en de aanvullende producties 19 tot en met 21; - de mondelinge behandeling op 6 juli 2026; - de pleitaantekeningen van [eiser] ; - de spreekaantekeningen van NN. 2 De feiten 2.1. Op 11 oktober 2021 werd [eiser] slachtoffer van een bedrijfsongeval. Tijdens het opbouwen van een steiger voor zijn werkgever, de besloten vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), liep [eiser] een fractuur op aan zijn linkervoet, waaraan hij tweemaal is geopereerd. 2.2. Bij brief van 23 februari 2022 stelde [eiser] [bedrijf] aansprakelijk voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade. 2.3. Op 7 november 2022 erkende NN, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf] , de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval. Sindsdien wordt tussen partijen onderhandeld over de uit het ongeval voortvloeiende schade. 2.4. Op 8 september 2025 maakte [eiser] een deelgeschilprocedure aanhangig bij deze rechtbank, als gevolg van een impasse tussen partijen over de schaderegeling. Op 8 december 2025 vond de mondelinge behandeling in die zaak plaats en zijn partijen mediation overeengekomen. De deelgeschilprocedure werd aangehouden in afwachting van de uitkomst van mediation. 2.5. De eerste mediationbijeenkomst werd gepland op 19 maart 2026. Twee dagen voorafgaand aan de mediation gaf NN aan dat zij die mediationbijeenkomst moest annuleren wegens omstandigheden. De mediationbijeenkomst werd verplaatst naar 12 mei 2026. 2.6. Achteraf is gebleken dat in de periode van januari tot mei 2026 NN een onderzoek naar de letselclaim van [eiser] heeft laten verrichten door een extern onderzoeksbureau (hierna: I-TEK). 2.7. Op 29 april 2026 stelde NN [eiser] op de hoogte van het feit dat NN onderzoek verricht naar (de letselclaim van) [eiser] en werd [eiser] uitgenodigd voor een gesprek om hem in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven op de nieuwe onderzoeksbevindingen van NN. NN geeft tevens aan dat ook de geplande mediationbijeenkomst op 12 mei 2026 geen doorgang zal vinden. 2.8. Bij e-mail van 30 april 2026 heeft [eiser] onder meer verzocht om afschrift van de reeds opgemaakte rapporten, verklaringen van derden, interne notities en/of andere vastgelegde feiten met betrekking tot het onderzoek naar [eiser] . 2.9. Tussen 5 en 8 mei 2026 corresponderen partijen over het al dan niet verstrekken van de door [eiser] gevraagde documenten/gegevens. 2.10. Op 12 mei 2026 hebben twee medewerkers van NN van Speciale Zaken [eiser] geïnterviewd. Daarbij is aan [eiser] medegedeeld dat NN gedurende vijf dagen een observatie heeft laten uitvoeren, maar dat [eiser] niet is gezien. 2.11. Op 26 mei 2026 verstrekte NN aan [eiser] een verslag van het gesprek/interview op 12 mei 2026, de ondertekende verklaringen van de heren [persoon A] en [persoon B] (collega’s van [eiser] , werkzaam bij [bedrijf] ) en een video die van 8 oktober 2025 zou zijn, waarop [eiser] is te zien. Diezelfde dag doet [eiser] zeven vervolgverzoeken voor het verstrekken van documenten/gegevens in verband met het onderzoek naar [eiser] . 2.12. Bij e-mail van 27 mei 2026 verstrekte NN aan [eiser] de tijdlijn van het verrichte onderzoek. Uit die tijdlijn volgt dat de aanleiding van het onderzoek is gelegen in een op 18 december 2025 door de afdeling Personenschade van NN ontvangen fraudemelding, waarbij voormelde video was gevoegd. Op die video is [eiser] lopend te zien. Naar aanleiding daarvan zijn bij NN grote twijfels ontstaan over de juistheid van het door [eiser] gepresenteerde letsel. 2.13. Bij e-mails van 28 mei 2026 geeft [eiser] aan dat hij in zijn e-mail van 30 april 2026 een beroep heeft gedaan op de AVG en NN heeft verzocht om inzage en afschrift van alle gegevens die betrekking hebben op [eiser] , waaronder alle (telefoon)notities, e-mails en/of andersoortige documenten die over [eiser] intern of extern zijn verstuurd dan wel opgemaakt. En dat indien NN die gegevens niet ter beschikking wil stellen, [eiser] de rechtbank zal vragen om NN daartoe te dwingen. 2.14. Bij e-mail van 2 juni 2026 geeft NN onder meer aan dat zij terug zal komen op het verzoek van [eiser] . 2.15. Bij e-mails van 3 en 9 juni 2026 verzoekt [eiser] , onder verwijzing naar zijn e-mail van 30 april 2026, de onderliggende documenten/gegevens te verschaffen. Daarvoor geeft hij NN een laatste termijn van zeven dagen. 2.16. Op 11 juni 2026 heeft NN het onderzoek naar [eiser] gesloten, zonder oplegging van enige maatregel. 2.17. Bij e-mail van 11 juni 2026 stuurt NN aan [eiser] een overzicht van verwerkte persoonsgegevens van [eiser] toe. In diezelfde e-mail schrijft NN dat zij van mening is dat [eiser] geen recht heeft op afschrift van interne communicatie van NN zoals e-mails, brieven en telefoonnotities en dat NN die gegevens daarom niet met [eiser] deelt. 2.18. Bij e-mail van 12 juni 2026 stelt [eiser] het niet eens te zijn met het standpunt van NN en dit ter toetsing aan de rechter voor te zullen leggen. 2.19. Bij e-mail van 29 juni 2026 verstrekt NN afschrift van gegevens waarvan NN, zoals zij aangeeft, van mening is dat ten aanzien daarvan is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 194 lid 1 Rv. 2.20. Bij e-mail van 30 juni 2026 schrijft [eiser] aan NN onder meer dat de door NN verstrekte gegevens niet binnen hun originele context zijn verstrekt dan wel dat deze door NN zijn bewerkt. Verder geeft [eiser] aan dat er zich kennelijk nog meer stukken binnen het domein van NN bevinden die NN niet met hem deelt en dat het niet aan NN is om een selectie van persoonsgegevens te maken, omdat dat zich niet verhoudt tot het doel van de AVG. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair I. NN te veroordelen om vóór 20 juli 2026 (door toezending aan diens advocaat) afschrift te verstrekken van de volgende gegevens: a. de documentatie die betrekking heeft op de interne (fraude)melding van de afdeling Personenschade aan de afdeling Speciale Zaken, waaronder de vooraankondiging van 16 december 2025 en de melding van 18 december 2025; de berichten waarmee de video van 8 oktober 2025 op of omstreeks 9 december 2025 aan mr. Bruidegom en op 18 december 2025 aan de afdeling Speciale Zaken is toegezonden; de vastlegging van de beoordeling van de " lead " als " onderzoekswaardig " d.d. 12 januari 2026 en de vastlegging en resultaten van het bureauonderzoek; het verslag dan wel de notitie van het gesprek met [persoon C] d.d.21 januari 2026; de (telefoon)notitie dan wel het verslag van de telefonische verklaring van de heer [persoon A] d.d. 11 februari 2026; de schriftelijke vastlegging van de goedkeuring d.d. 12 februari2026 voor het waarnemingsonderzoek, met inbegrip van de proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging en de vermelding van degene(n) die de goedkeuring heeft (hebben) verleend, alsmede met wie over die goedkeuring is gecommuniceerd; de schriftelijke opdrachtverstrekking d.d. 13 februari 2026 aan het externe onderzoeksbureau, onder vermelding van de naam van dat bureau, de daarbij betrokken onderzoeker(s) en de aan het bureau verstrekte onderzoeks- dan wel vraagstelling, alsmede met wie over die opdracht is gecommuniceerd; de rapportages, dagverslagen en/of (e-mail)terugkoppelingen van het externe onderzoeksbureau over de waarnemingen op 5, 11 en 17 maart 2026 en 12 en 13 april 2026, alsmede al het in dat kader vervaardigde of verzamelde materiaal; i. de facturen en de uren- dan wel werkzaamhedenverantwoording van het externe onderzoeksbureau; de interne vastlegging van het op 17 maart 2026 ingenomen standpunt tot uitstel van de mediation, alsmede met wie en op welke datum daarover is gecommuniceerd; de vastlegging van de beëindiging van het waarnemingsonderzoek d.d. 28 april 2026, alsmede met wie daarover is gecommuniceerd; de vastlegging van de raadpleging van de C|S-databank en de in het onderzoek betrokken stukken uit het dossier met schadenummer [nummer 1] , alsmede met wie de resultaten daarvan zijn gedeeld; de registraties van [eiser] in de Gebeurtenissenadministratie en het Incidentenregister en de vastlegging van de beëindiging daarvan; de eindrapportage dan wel de schriftelijke vastlegging van de eindconclusie en de sluiting van het onderzoek [nummer 2] ; de overige interne communicatie (e-mails, telefoonnotities, memo's en aantekeningen) over [eiser] betreffende de aanleiding tot, de besluitvorming over en de uitvoering van het onderzoek [nummer 2] ; de geluidsopname (bandopname) van het gesprek van 12 mei 2026, alsmede de schriftelijke opdracht aan en de naam van de externe partij die op basis daarvan het gespreksverslag heeft opgesteld; de stukken en de interne en externe communicatie betreffende de rol van NN Advocaten/mr. J.M. Bruidegom bij de video en bij het onderzoek waaronder het bericht waarmee de video op of omstreeks 9 december 2025 ten behoeve van Nationale-Nederlanden aan mr. Bruidegom is toegezonden; de medische gegevens van [eiser] die in het kader van het onderzoek [nummer 2] met de afdeling Speciale Zaken zijn gedeeld, onder vermelding van door wie, met wie en op welke datum die gegevens zijn gedeeld dan wel daarover is gecommuniceerd; de eigen onderzoeksopzet en de eigen proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging van I-TEK, alsmede het POB-vergunningnummer en de legitimatiebewijzen/kwalificaties van de betrokken onderzoekers, de heren [onderzoeker 1] en [onderzoeker 2] ; de offerte dan wel de opdrachtbevestiging van I-TEK, waarnaar de opdracht verwijst. II. te bepalen dat NN, voor zover zij stelt dat een of meer van de onder I genoemde gegevens niet (meer) bestaan, gehouden is om vóór 2O juli 2O26 per onderdeel een schriftelijke, gemotiveerde en door een daartoe bevoegde functionaris ondertekende verklaring aan [eiser] te verstrekken waarin is vermeld waarom het stuk niet (meer) bestaat en, in geval van vernietiging, wanneer, door wie en op welke grond het is vernietigd; III. NN te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet, niet volledig of niet tijdig aan de veroordelingen onder I en/of II voldoet, met een maximum van € 250.000,00, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen; subsidiair IV. zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht; primair en subsidiair V. NN te veroordelen in de proceskosten. 3.2. NN concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen volgt uit zijn onweersproken stellingen dat alsnog mediation tussen partijen zal plaatsvinden met een eerste afspraak voor 20 juli 2026. Volgens [eiser] kan hij niet op zinvolle wijze aan de mediation en de onderhandelingen deelnemen, noch zich goed verweren, zolang hij niet weet of, en zo ja in hoeverre, jegens hem onrechtmatig is gehandeld en welke documentatie zich in het onderzoeksdossier bevindt. Daarnaast stelt [eiser] dat indien de mediation niet tot overeenstemming leidt en de deelgeschilprocedure wordt voortgezet, hij in die procedure, voor zover inzage in het onderzoeksdossier daartoe aanleiding geeft, de rechtmatigheid van het jegens hem verrichte onderzoek aan de orde wil kunnen stellen. Standpunten partijen 4.2. [eiser] legt onder meer het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. NN heeft, in verband met de letselclaim van [eiser] , buiten medeweten van [eiser] een onderzoek naar de feiten en naar de persoon van [eiser] laten instellen, waaronder een vijfdaagse observatie. Het onderzoek is gesloten zonder enige maatregel op te leggen aan [eiser] . NN weigert echter, ondanks herhaalde verzoeken en sommaties daartoe, om het volledige onderliggende onderzoeksdossier aan [eiser] te verstrekken. Hierdoor is [eiser] niet in staat om het onderzoek te (laten) toetsen op rechtmatigheid en kan hij de daaraan ten grondslag liggende proportionaliteits- en/of subsidiariteitsafwegingen niet beoordelen. Daarnaast kan [eiser] niet nagaan of de uit het onderzoeksdossier voortvloeiende informatie (beeldopname en verklaringen) al dan niet door NN mogen worden gebruikt als bewijs tegen [eiser] . Ook wil [eiser] inzage in correspondentie met mr. Bruidegom om te kunnen beoordelen of NN misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Daarom vordert [eiser] , kort gezegd, afgifte van diverse documenten/gegevens op grond van de artikelen 194 Rv en 195 Rv juncto 15 AVG, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.3. NN voert onder meer aan dat zij inmiddels een groot aantal documenten/gegevens aan [eiser] heeft verstrekt. Ten aanzien van de overige documenten/gegevens meent zij dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv, dan wel de uitzonderingsgrond van artikel 194 lid 2 sub a of b Rv van toepassing is, en dat de gegevens evenmin verstrekt hoeven te worden op grond van artikel 15 AVG. Juridisch kader 4.4. De vorderingen van [eiser] zien op het recht op inzage in/afschrift van diverse documenten/gegevens. Aan een dergelijke vordering liggen de artikelen 194 en 195 Rv ten grondslag. [eiser] heeft niet toegelicht dat en waarom artikel 15 AVG (ook) aan zijn vorderingen ten grondslag zou liggen. 4.5. In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. 4.6. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv moet de degene die informatie van een ander verlangt aannemelijk maken dat (i) hij/zij partij is bij een rechtsbetrekking waarop het verzoek betrekking heeft, (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald is, (iii) hij/zij voldoende belang heeft bij het informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd, over de gevraagde informatie beschikken. Wanneer sprake is van een uitzonderingsgrond uit lid 2 van dit artikel, te weten een gewichtige reden of verschoningsrecht, dan verzet dat zich tegen het verstrekken van de gevraagde informatie. 4.7. Het voorgaande betekent het volgende voor de vorderingen. Vorderingen e, g, i, l, p, r, s en t 4.8. Uit het overzicht in de pleitnotitie en de verklaringen van [eiser] ter zitting volgt dat dat de documenten/gegevens die zien op de vorderingen e, g en l reeds aan [eiser] zijn verstrekt, zodat [eiser] geen belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen. Daarom worden deze vorderingen afgewezen. 4.9. Ook de vorderingen i en t worden afgewezen nu [eiser] ter zitting heeft verklaard dat (volledige) verstrekking van die documenten/gegevens voor hem van minder groot belang is. Tegen die achtergrond is onvoldoende aannemelijk dat [eiser] belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen. 4.10. Ten aanzien van de vorderingen p en r heeft NN ter zitting onweersproken gesteld dat zij die documenten/gegevens reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Ter zitting is afgesproken dat [eiser] nagaat of hij die gegevens/documenten daadwerkelijk heeft ontvangen en dat, indien dit niet het geval is, NN deze gegevens alsnog aan [eiser] zal verstrekken. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat NN deze afspraak zal nakomen. Gelet hierop heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van deze vorderingen, zodat deze vorderingen worden afgewezen. 4.11. Ten aanzien van vordering s heeft NN gesteld dat zij niet over die documenten/gegevens beschikt, maar dat I-TEK daarover mogelijk wel beschikt. NN heeft ter zitting verklaard dat zij deze documenten/gegevens zal opvragen bij I-TEK en dat, indien I-TEK over deze documenten/gegevens beschikt, NN deze documenten/gegevens aan [eiser] toestuurt. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat NN deze afspraak zal nakomen. Gelet hierop heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van deze vordering, zodat deze vordering wordt afgewezen. Vordering a 4.12. [eiser] vordert verstrekking van de documentatie die betrekking heeft op de interne (fraude) melding van de afdeling Personenschade aan de afdeling Speciale Zaken, waaronder de vooraankondiging van 16 december 2025 en de melding van 18 december 2025. Volgens [eiser] volgt het bestaan van deze meldingen uit de tijdlijn die NN aan hem heeft verstrekt en uit de e-mail van 2 juni 2026 van NN. 4.13. NN voert aan dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij de opgevraagde documentatie. Daarnaast heeft volgens NN op 16 december 2025 een kort overleg tussen beide afdelingen en de advocaat van NN plaatsgevonden, maar van dit overleg is geen notitie of verslag opgemaakt, zodat afschrift daarvan niet verstrekt kan worden. Op 18 december 2025 is de melding van Personenschade door Speciale Zaken ontvangen en op dat moment werd een dossier bij Speciale Zaken aangemaakt. NN kwalificeert de melding als een interne notitie en meent dat het belang van [eiser] bij afgifte van deze notitie ontoereikend is. 4.14. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd wat zijn belang is bij verstrekking van deze gegevens in het kader van de beoordeling of het onderzoek van NN rechtmatig was. Daar komt bij dat, nog daargelaten dat NN betwist dat zij in het bezit is van een notitie of verslag van het gesprek op 16 december 2025, het in beide gevallen gaat om interne communicatie. NN voert terecht aan dat het belang van [eiser] bij afgifte van deze interne notitie onvoldoende toereikend is, gelet op het legitieme belang van NN om interne gedachtenvorming (bij de afwegingen om al dan niet een mogelijke lead (een signaal dat mogelijk nader onderzoek vergt) bij Speciale Zaken te melden) niet prijs te hoeven geven. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering b 4.15. [eiser] stelt dat het bestaan van deze video volgt uit de e-mail van NN van 2 juni 2026. [eiser] vordert verstrekking van de berichten waarmee de video (die beweerdelijk van 8 oktober 2025 zou zijn) op of omstreeks 9 december 2025 aan mr. Bruidegom en op 18 december 2025 aan de afdeling Personenschade en Speciale Zaken is toegezonden. Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat hij niet weet wanneer de video (werkelijk) is opgenomen en dat hij wil nagaan of uit de brongegevens blijkt dat de datum klopt. Zo is het volgens [eiser] onduidelijk of deze video dateert van voor het ongeluk of van daarna. De video kan eventueel zelfs door AI gegenereerd zijn, aldus [eiser] . 4.16. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is dat uit de berichten waarmee de video aan mr. Bruidegom en aan de afdeling Speciale Zaken is toegezonden zal kunnen blijken of de video op 8 oktober 2025 is opgenomen, of daarvoor of daarna. Mr. Bruidegom, aan wie de video is toegestuurd, lichtte op zitting toe dat zij de video heeft ontvangen als bijlage en heeft doorgestuurd aan de afdeling Speciale Zaken, en dat zij uit het bericht aan haar niet kon opmaken wanneer de video (werkelijk) was gemaakt. Voorts is onvoldoende inzichtelijk dat [eiser] de gevraagde informatie nodig heeft voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek naar [eiser] . [eiser] heeft dat niet toegelicht en het belang van [eiser] bij toewijzing van deze vordering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat NN terecht aanvoert dat de correspondentie tussen cliënt en advocaat valt onder de bescherming van het functioneel verschoningsrecht als bedoeld in artikel 194 lid 2 sub a Rv. Degenen die informatie uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking onder zich hebben en geheim moeten houden of die hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, hoeven niet mee te werken aan het verstrekken van informatie. Als bepaalde gegevens zich niet bij een functioneel verschoningsgerechtigde, zoals een arts, advocaat of notaris bevinden, maar bij diens patiënt of cliënt, zijn laatstgenoemden niet zonder meer gehouden inzage van de verlangde gegevens te verstrekken. Het professionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. Indien NN inzage moet verstrekken in vertrouwelijke correspondentie met haar advocaat doet dit afbreuk aan de rechten van NN om zich vrijelijk tot haar advocaat te kunnen wenden en met haar advocaat te kunnen corresponderen en informatie te kunnen uitwisselen zonder dat een wederpartij of een derde daarin inzage krijgt. 4.17. Het voorgaande leidt ertoe dat deze vordering wordt afgewezen. Vordering c 4.18. [eiser] vordert verstrekking van de vastlegging van de beoordeling van de “lead” als “onderzoekswaardig” van 12 januari 2026 en de vastlegging en resultaten van het bureauonderzoek. [eiser] stelt dat de tijdlijn deze beoordeling en dit bureauonderzoek als afzonderlijke stappen vermeldt en dat uit de AVG-reactie van 11 juni 2026 blijkt dat het onderzoeksbureau onder meer raadpleging van de CIS-databank en het veiligstellen van Facebook-screenshots omvatte. [eiser] meent dat een professionele onderzoeksafdeling die een lead beoordeelt en bureauonderzoek verricht, die bevindingen zal vastleggen. Tevens zal dus vastlegging plaatsvinden van de proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging die aan de aanvang van het onderzoek ten grondslag is gelegd, van wie die afweging heeft gemaakt en met wie daarover (intern dan wel extern) is gecommuniceerd. 4.19. NN voert aan dat zij de notitie van 12 januari 2026, waarin is vastgelegd dat de lead onderzoekswaardig is, reeds op 29 juni 2026 aan [eiser] heeft verstrekt. Ook de raadpleging van de CIS-databank heeft zij reeds op 29 juni 2026 verstrekt aan [eiser] . De Facebook-screenshots heeft NN reeds op 11 juni 2026 aan [eiser] verstrekt, aldus NN. Verder voert NN aan dat er geen (andere) notities zijn waarin een proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging is vastgelegd, zodat NN die ook niet kan verstrekken. 4.20. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat NN over meer documenten/gegevens beschikt met daarin een proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging, dan de documenten/gegevens die zij reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering d 4.21. [eiser] vordert verstrekking van het verslag dan wel de notitie van het gesprek van 21 januari 2026 tussen de verzekeringnemer, [persoon C] van [bedrijf] , en de toedrachtsonderzoeker, [onderzoeker 3] , van 21 januari 2026. [eiser] stelt dat de tijdlijn dit gesprek als onderzoekshandeling vermeldt. Volgens [eiser] legt een toedrachtsonderzoeker, die in het kader van een fraudeonderzoek de verzekeringnemer hoort, dat gesprek vast. Zonder vastlegging had het gesprek ook niet in de tijdlijn kunnen worden opgenomen, aldus [eiser] . 4.22. NN voert aan dat zij op 29 juni 2026 een schriftelijke verklaring van [persoon C] van 27 januari 2026 aan [eiser] heeft verstrekt. Uit deze verklaring volgt wat er tussen [persoon C] en [onderzoeker 3] is besproken tijdens hun gesprek op 21 januari 2026. Volgens NN is de informatie uit die schriftelijke verklaring meegewogen in het kader van de vraag of er een waarnemingsonderzoek naar [eiser] gestart zou worden. NN heeft ter zitting verklaard dat [onderzoeker 3] wel een e-mail aan mr. Bruidegom over het gesprek van 21 januari 2026 heeft gestuurd dat ‘meer’ omvat dan die schriftelijke verklaring van [persoon C] . Ten aanzien van die e-mail beroept NN zich echter op het verschoningsrecht uit artikel 194 lid 2 sub a Rv. Een separate notitie over het gesprek is er niet, aldus NN. 4.23. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat NN, behalve over de schriftelijke verklaring van [persoon C] die NN op 29 juni 2026 aan [eiser] heeft verstrekt, ook beschikt over een separaat gespreksverslag of separate notitie van het gesprek van 21 juni 2026. Ten aanzien van de e-mail aan mr. Bruidegom komt NN, zoals reeds onder 4.16 is overwogen, op grond van artikel 194 lid 2 sub a Rv een beroep op het verschoningsrecht toe. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering f 4.24. [eiser] vordert verstrekking van de schriftelijke vastlegging van de goedkeuring op 12 februari 2026 voor het waarnemingsonderzoek, met inbegrip van de proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging en de vermelding van degene(n) die de goedkeuring heeft/hebben verleend, alsmede met wie over die goedkeuring is gecommuniceerd. [eiser] stelt dat NN die afweging weliswaar bij e-mail van 2 juni 2026 aan [eiser] heeft verstrekt maar dat dit slechts een samenvatting betreft die ongedateerd is en een andere lay-out heeft dan de overige door NN aan [eiser] verstrekte documenten. 4.25. NN voert aan dat de vastlegging van het waarnemingsonderzoek, ‘motivatie persoonlijk onderzoek’ in een deel van het digitale systeem van Speciale Zaken plaatsvindt waarin geen datum en tijdstip worden vermeld. De lay-out van de verstrekte notitie is daardoor anders dan de lay-out van de overige documenten die zij aan [eiser] heeft verstrekt, maar NN heeft de lay-out niet bewerkt, aldus NN. Dat de vastlegging op 12 februari 2026 heeft plaatsgevonden volgt volgens NN uit een notitie van die datum die als productie G bij de conclusie van antwoord is overgelegd. Uit productie G volgt volgens NN dat [persoon D] (werkzaam op de afdeling Speciale Zaken bij NN) de notitie heeft opgesteld en dat het verzoek voor observatie voor goedkeuring is doorgezet naar ‘ [persoon E] ’. Uit de tweede pagina van productie G volgt dat ‘ [persoon E] ’ de leidinggevende is van [persoon D] . [eiser] heeft geen belang bij de volledige naam van [persoon E] , aldus NN. 4.26. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat gelet op de uitgebreide toelichting van NN, voldoende aannemelijk is dat de vastlegging van de goedkeuring van het waarnemingsonderzoek op 12 februari 2026 plaatsvond en dat NN dus de originele notitie reeds aan [eiser] heeft verstrekt. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat NN moet beschikken over meer of andere documenten/gegevens ten aanzien van deze vordering, dan NN reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Voorts heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd wat zijn belang is bij de vermelding van degene(n) die de goedkeuring heeft/hebben verleend, alsmede met wie over die goedkeuring is gecommuniceerd. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering h 4.27. [eiser] vordert verstrekking van de rapportages, dagverslagen en/of (e-mail)terugkoppelingen van I-TEK over de waarnemingen op 5, 11 en 17 maart 2026 en op 12 en 13 april 2026, alsmede al het in dat kader vervaardigde of verzamelde materiaal. [eiser] stelt dat NN weet en meldt dat op vijf concrete dagen is waargenomen en wat daarbij is gezien. Die wetenschap kan alleen berusten op verslaglegging door I-TEK aan NN. Voor zover NN stelt dat geen opnamen zijn opgeslagen en geen onderzoeksrapport is opgesteld, laat dat onverlet dat I-TEK over de uitvoering en uitkomst van iedere waarnemingsdag aan NN moet hebben gerapporteerd, schriftelijk dan wel per e-mail. 4.28. NN voert aan dat zij de notities van de terugkoppeling van I-TEK op of na de waarnemingsdagen op 29 juni 2026 aan [eiser] heeft verstrekt. NN voert verder aan dat zij niet beschikt over een rapportage of dagverslagen van I-TEK en dat dergelijke verslagen ook niet zijn opgesteld. Daartoe bestond volgens NN ook geen aanleiding omdat [eiser] niet is waargenomen op de waarnemingsdagen. Evenmin beschikt NN over beeldmateriaal van de waarneming. Ook I-TEK heeft geen beeldmateriaal opgeslagen, aldus NN. 4.29. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat NN over meer documenten/gegevens beschikt ten aanzien van deze vordering dan de documenten/gegevens die NN reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering j 4.30. [eiser] vordert verstrekking van de interne vastlegging van het op 17 maart 2026 ingenomen standpunt voor uitstel van de mediation, alsmede met wie en op welke datum daarover – intern en/of extern – is gecommuniceerd. [eiser] stelt dat de tijdlijn dit standpunt als gebeurtenis vermeldt binnen het onderzoek en dat dit stuk van bijzonder belang is omdat [eiser] diezelfde dag werd voorgehouden dat de mediation ‘wegens omstandigheden’ niet kon doorgaan. 4.31. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de gevorderde documenten/gegevens van belang zijn voor het kunnen (laten) beoordelen of het onderzoek door NN rechtmatig was en of daarbij is voldaan aan de subsidiariteits- en proportionaliteitsafweging. Dit is ook door NN aangevoerd. Ten aanzien van het verwijt van misbruik van procesrecht is zonder nadere toelichting van [eiser] , die ontbreekt, niet aannemelijk dat dergelijk misbruik uit de verslaglegging kan blijken. Dit ligt mogelijk anders ten aanzien van de door NN genomen beslissing om het eerste tijdstip voor een mediationbijeenkomst te annuleren, maar de voorzieningenrechter ziet niet in welk belang [eiser] heeft bij de ontvangst van de interne verslaglegging daarover. Daar komt bij dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.14, het in dit geval deels gaat om interne communicatie en dat het belang van [eiser] bij afgifte hiervan onvoldoende toereikend is tegenover het belang van NN om haar eigen interne gedachtevorming niet prijs te hoeven geven. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering k 4.32. [eiser] vordert verstrekking van de vastlegging van de beëindiging van het waarnemingsonderzoek op 28 april 2026, alsmede met wie daarover is gecommuniceerd. [eiser] stelt dat deze beslissing in de tijdlijn van NN staat vermeld en daarom moet zijn vastgelegd. 4.33. NN voert aan dat zij niet beschikt over een notitie waarin de beëindiging van het waarnemingsonderzoek is vastgelegd. Volgens NN heeft er op 28 april 2026 wel een gesprek plaatsgevonden tussen NN en haar advocaat, mr. Bruidegom. Ten aanzien van de notitie die van dat gesprek in het systeem van de afdeling Speciale Zaken is opgenomen doet NN een beroep op artikel 194 lid 2 sub a juncto sub b Rv. 4.34. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.16, NN terecht een beroep doet op het verschoningsrecht uit artikel 194 lid 2 sub a Rv. Daarnaast heeft [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat NN nog over andere documenten/gegevens beschikt ten aanzien van deze vordering dan de documenten/gegevens die zij reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering m 4.35. [eiser] vordert verstrekking van de registraties in de gebeurtenissenadministratie en het incidentenregister en de vastlegging van de beëindiging daarvan. [eiser] stelt dat NN op 11 juni 2026 zelf heeft medegedeeld: "Tijdelijke registraties in de Gebeurtenissenadministatie en het Incidentenregister zijn beëindigd." Die registraties en de beëindiging daarvan zijn ingevolge het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen gedocumenteerd, aldus [eiser] . 4.36. NN voert aan dat zij op 29 juni 2026 de beschikbare informatie heeft gedeeld waaruit de – op 29 mei 2026 beëindigde – registratie in de Gebeurtenissenadministratie en het Incidentenregister blijkt. 4.37. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat NN ten aanzien van deze vordering over meer documenten/gegevens beschikt dan de documenten/gegevens die zij reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering n 4.38. [eiser] vordert verstrekking van de eindrapportage dan wel de schriftelijke vastlegging van de eindconclusie en de sluiting van het onderzoek [nummer 2] . [eiser] stelt dat NN de eindconclusie per e-mail heeft meegedeeld en zelf heeft verklaart dat "het onderzoeksdossier" na sluiting zeven jaar en drie maanden wordt bewaard. Er is dus een onderzoeksdossier met een vastgelegde uitkomst, aldus [eiser] . 4.39. NN voert aan dat zij niet beschikt over een eindrapportage en dat de conclusie van het onderzoek en de beantwoording van de onderzoeksvraag op 11 juni 2026 aan [eiser] is verstrekt. De inhoud van die e-mail is vastgelegd in het systeem van Speciale Zaken, zoals op 29 juni 2026 aan [eiser] verstrekt, aldus NN. 4.40. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat NN ten aanzien van deze vordering over meer documenten/gegevens beschikt dan de documenten/gegevens die zij reeds aan [eiser] heeft verstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering o 4.41. [eiser] vordert verstrekking van de overige interne communicatie (e-mails, telefoonnotities, memo's en aantekeningen) over [eiser] tussen de afdeling Personenschade, de afdeling Speciale Zaken, NN Advocaten en/of [bedrijf] , voor zover deze betrekking hebben op de aanleiding tot, de besluitvorming over en de uitvoering van het onderzoek [nummer 2] . [eiser] stelt dat het bestaan van deze communicatie volgt uit de eigen mededelingen van NN over de gang van zaken en uit de AVG-reactie. 4.42. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat NN terecht heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 194 lid 1 Rv, dat de gegevens voldoende bepaald moeten zijn. De vordering is daarvoor te ruim geformuleerd. Bovendien ziet de vordering op interne communicatie. Zoals reeds is overwogen onder 4.14 is het belang van [eiser] bij afgifte van deze gegevens onvoldoende toereikend tegenover het belang van NN om haar eigen interne gedachtevorming niet prijs te hoeven geven. Daarnaast heeft [eiser] niet inzichtelijk gemaakt welk belang hij heeft bij afschrift van deze gegevens in het licht van het kunnen (laten) beoordelen of het onderzoek door NN rechtmatig was en daarbij voldaan is aan de subsidiariteits- en proportionaliteitsafweging dan wel het verwijt van misbruik van procesrecht. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Vordering q 4.43. [eiser] vordert verstrekking van de stukken en de interne en externe communicatie betreffende de rol van mr. Bruidegom bij de video en bij het onderzoek, waaronder het bericht waarmee [bedrijf] de video op of omstreeks 9 december 2025 ten behoeve van NN aan mr. Bruidegom heeft toegezonden, en alle correspondentie over de betrokkenheid van de advocaat bij de besluitvorming over het onderzoek en over het uitstel van de mediation. 4.44. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat NN terecht aanvoert dat niet is voldaan aan het vereiste uit artikel 194 lid 1 Rv, dat de gegevens voldoende bepaald moeten zijn. De vordering is daarvoor te ruim geformuleerd. Bovendien wordt wederom verzocht om verstrekking van interne communicatie, zodat wordt verwezen naar hetgeen onder 4.14 is overwogen. Ten aanzien van de communicatie met mr. Bruidegom geldt dat, gelet op hetgeen reeds onder 4.16 is overwogen, NN terecht een beroep het verschoningsrecht toekomt. De vordering wordt daarom afgewezen. Vordering II 4.45. Vordering II wordt afgewezen. De vordering is declaratoir geformuleerd gelet op de zinsnede “ te bepalen dat... ”. In deze zinsnede ligt over het algemeen besloten dat er om een verklaring voor recht wordt gevraagd. In een kort geding kan een verklaring voor recht niet worden toegewezen. Daarnaast stelt NN niet dat één of meerdere gegevens zoals gevorderd onder I niet meer bestaan. Vordering III 4.46. De gevorderde dwangsom is onlosmakelijk verbonden met de vorderingen onder I en II. Nu die vorderingen worden afgewezen wordt ook de gevorderde dwangsom afgewezen. Vordering IV 4.47. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding enige voorziening te treffen. Deze vordering wordt ook afgewezen. Proceskosten 4.48. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NN worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4.49. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend; 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026. [3894/638] Hof Amsterdam 10 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1232, r.o. 3.21.