Skip to content
Case Law · Gerechtshof 's-Hertogenbosch ·ECLI:NL:GHSHE:2025:2794 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-10-2025 (200.349.338_01)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Summary

Hoofdverblijf Zorgregeling Partneralimentatie Kinderalimentatie

How it connects

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.349.338/01 zaaknummer rechtbank : C/01/385917 / FA RK 22-4173 beschikking van de meervoudige kamer van 9 oktober 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. I. Akkaya te Eindhoven, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. R.T.P. Tielemans te Eindhoven. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 2 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 23 december 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 2 oktober 2024. 2.2. De man heeft op 7 maart 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3. De vrouw heeft op 21 april 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 6 augustus 2025 met bijlagen; - een journaalbericht van de zijde van de man van 7 augustus 2025 met bijlagen; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 augustus 2025 met bijlagen. 2.5. De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt. 2.6. De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en de vrouw tevens door een tolk. Ook is verschenen de Raad voor de Kinderbescherming, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 3 De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Partijen zijn op 19 oktober 2013 met elkaar gehuwd te [plaats] , Peru. De vrouw heeft de Nederlandse en de Peruviaanse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij de bestreden beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 (hierna: [minderjarige 1] ), - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 (hierna: [minderjarige 2] ) en - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2018 (hierna: [minderjarige 3] ), (hierna ook: de kinderen). 4 De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat: 1. de kinderen in de Basisregistratie Persoonsgegevens ingeschreven zullen staan op het adres van de vrouw; 2. de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: - de kinderen verblijven wekelijks bij de man van maandag na school tot woensdag voor school; - de kinderen verblijven wekelijks bij de vrouw van woensdag na school tot vrijdag voor school; - de kinderen verblijven afwisselend de ene week bij de man van vrijdag na school tot maandag voor school en de andere week bij de vrouw van vrijdag na school tot maandag voor school; - de vakanties worden in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld; 3. de man € 99,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van de beschikking; 4. het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen. 4.2. De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep – na vermeerdering van haar verzoek – om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderalimentatie en de partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat: - de regeling inzake de verdeling van de zorg en opvoedingstaken primair overeenkomstig de eerste tabel zal zijn en subsidiair zoals in de tweede tabel: - de man aan de vrouw een kinderalimentatie dient te betalen van € 339,- per kind per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht, met ingang van 2 oktober 2024 en te bepalen dat de kinderalimentatie aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW is onderworpen, voor het eerst per 1 januari 2026; - de man aan de vrouw een partneralimentatie dient te betalen van € 504,- per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht, met ingang van 2 oktober 2024 en te bepalen dat de partneralimentatie aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW is onderworpen, voor het eerst per 1 januari 2026. De grieven van de vrouw zien op: - de zorg- en contactregeling (grief 1 in principaal hoger beroep); - de kinderalimentatie (grief 2 in principaal hoger beroep); - de partneralimentatie (grief 3 in principaal hoger beroep). 4.3. De man verzoekt in incidenteel hoger beroep – na verduidelijking van het petitum ter mondelinge behandeling – om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op het hoofdverblijf en, opnieuw rechtdoende, primair te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man zal zijn en subsidiair dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man zal zijn. De grief van de man ziet op het hoofdverblijf. 4.4. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De motivering van de beslissing Verdeling zorg- en opvoedingstaken (grief 1 in principaal hoger beroep) Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over de zorgregeling, omdat de kinderen op het moment dat het echtscheidingsverzoekschrift werd ingediend hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (artikel 7 Verordening Brussel II-ter). In hoger beroep staat vast dat, nu de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van deze verzoeken, het Nederlands recht van toepassing is (artikel 15 lid I Haags kinderbeschermingsverdrag 1996). 5.1.1. De rechtbank heeft de volgende regeling bepaald: - de kinderen verblijven wekelijks bij de man van maandag na school tot woensdag voor school; - de kinderen verblijven wekelijks bij de vrouw van woensdag na school tot vrijdag voor school; - de kinderen verblijven afwisselend de ene week bij de man van vrijdag na school tot maandag voor school en de andere week bij de vrouw van vrijdag na school tot maandag voor school; - de vakanties worden in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld. 5.1.2. De vrouw is van mening dat de door de rechtbank vastgestelde regeling niet in het belang van de kinderen is. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De vrouw is tijdens het huwelijk altijd de hoofdverzorger geweest van de kinderen. Partijen hadden een traditioneel huwelijk waarbij de man fulltime werkte en de vrouw thuisbleef om voor de kinderen te zorgen. Kinderopvang was volgens de man te duur. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking 6 december 2022) hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling als volgt: *papa helpt bij activiteiten en brengt en haalt [minderjarige 2] naar en van zwemles en brengt en haalt [minderjarige 1] van en naar hobbyclub. ** papa haalt en brengt en de kinderen hebben dan al bij papa gegeten ***papa brengt en haalt [minderjarige 1] van en naar voetbal Aan deze regeling waren de kinderen al twee jaar gewend en deze regeling sluit ook het meeste aan bij de situatie die de kinderen tijdens het huwelijk gewend waren. Volgens de vrouw heeft de man alleen om financiële redenen een co-ouderschapsregeling verzocht. De zorgregeling heeft nog geen enkele keer overeenkomstig de bestreden beschikking plaatsgevonden, terwijl de man wel met ingang van de datum van de bestreden beschikking de conform die beschikking - vanwege de co-ouderschapsregeling lagere - kinderalimentatie is gaan betalen en geen partneralimentatie meer voldoet. Verder heeft de man er voor gezorgd dat hij nu het kindgebonden budget ontvangt, dat hij vervolgens deels aan de vrouw overmaakt. De vrouw acht de door de rechtbank bepaalde regeling niet in het belang van de kinderen. De man werkt fulltime en kan de kinderen niet de tijd en aandacht geven die de vrouw hen kan geven. Dit hebben de kinderen ook zelf aangegeven. Zij vinden de regeling zoals vastgesteld in de voorlopige voorzieningen prima. Voor zover ze bij de man of bij hulpverlening anders verklaren, heeft dit te maken met een mogelijk loyaliteitsconflict en doordat de man de kinderen beïnvloedt. Hij spiegelt hen voor dat ze bij hem meer mogen snoepen en andere dingen mogen die door de vrouw worden verboden omdat ze die bijvoorbeeld ongezond of niet in hun belang acht. En hij geeft aan dat hij ze met de auto zal brengen, terwijl ze bij de vrouw alles met de fiets moeten doen. De vrouw merkt ook een gedragsverandering bij de kinderen na terugkomst van hun vader. De vrouw meent primair dat de door haar verzochte zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. In het geval dat de door de vrouw gewenste zorgregeling niet in het belang van de kinderen wordt geacht, stelt de vrouw subsidiair dat de huidige zorgregeling zoals opgenomen in de voorlopige voorzieningen waar partijen al ruim twee jaar uitvoering aan geven, als definitieve zorgregeling dient te worden vastgesteld, waarbij de verplichting voor de man met betrekking tot het halen en brengen op dinsdag vervalt. 5.1.3. De man voert het volgende aan. De door de rechtbank vastgestelde regeling is het meest in het belang van de kinderen omdat zij daarmee evenveel bij beide ouders zijn en de vrouw meer vrije tijd met de kinderen kan besteden omdat de weekenden gelijk verdeeld zijn. De bij de bestreden beschikking vastgestelde regeling wordt vanwege praktische redenen op dit moment nog niet nagekomen. Hierover hebben partijen in onderling overleg afspraken gemaakt. De vrouw woont momenteel nog in de voormalige echtelijke woning en de man verblijft tijdelijk bij zijn huidige partner in [woonplaats] . Het was de bedoeling dat de man de voormalige echtelijke woning spoedig zou overnemen en dat de vrouw andere woonruimte zou zoeken. De vrouw weigert echter hieraan mee te werken, waardoor de man geen woonruimte heeft waar hij de kinderen gedurende de week kan opvangen. De vrouw heeft gedurende de zeer lang durende bodemprocedure ook al de taxatie van de woning gefrustreerd en doet dit thans weer. De man wordt gedwongen een kort geding te starten tot nakoming van de beschikking en een taxatie te kunnen laten verrichten. De vrouw stelt dat zij in januari jongstleden een verzoek tot urgentie bij de woningstichting heeft ingediend maar weigert hier inzage in te geven. De man is de vrouw enorm tegemoetgekomen door haar nog enige tijd in de woning te laten verblijven en zelf elders te verblijven. Dit wordt nu tegen hem gebruikt en de onderling gemaakte afspraken worden niet benoemd in het beroepschrift van de vrouw. De man wil niets liever dan de kinderen veel meer zien dan thans het geval is, maar vanwege de reistafstand kon dit niet. Sinds 1 augustus is de situatie veranderd en woont de man in de echtelijke woning. Het beeld dat de vrouw schetst dat zij tijdens het huwelijk de enige verzorger was van de kinderen is onjuist. De man heeft zijn rol als ouder ondanks zijn fulltime baan zeker gepakt. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de dagelijkse zorg en de belangrijkste opvoedkundige taken op zich genomen. De vrouw vraagt nog altijd aan de man om met de kinderen te praten als zich iets heeft voorgedaan. Daarnaast heeft hij de praktische zaken altijd op zich genomen. Het gaat hierbij onder andere om de administratieve taken zoals inschrijvingen voor onderwijs, sport of hobby activiteiten, dokters- en tandartsbezoeken. 5.1.4. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling te handhaven omdat het een mooie evenwichtige regeling is, waarbij de kinderen zowel bij hun vader als bij hun moeder kunnen verblijven. 5.1.5. Het hof oordeelt als volgt. Met hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd heeft zij onvoldoende aangetoond dat de vastgestelde regeling niet in het belang van de kinderen is. Dat de verdeling van zorgtaken tijdens het huwelijk anders was maakt dat niet anders. Het huwelijk van partijen is geëindigd en de situatie is nu anders. Met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling kunnen beide ouders in gelijke mate hun bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de kinderen. Ook de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het een mooie, evenwichtige regeling is. Voor zover de vrouw het de man verwijt dat de regeling tot op heden niet is uitgevoerd, is het hof van oordeel dat dit te wijten is aan het feit dat de vrouw tot 1 augustus 2025 in de voormalige echtelijke woning is blijven wonen en de man niet over geschikte woonruimte beschikte om de kinderen langer te kunnen ontvangen. De man heeft met ingang van 1 augustus 2025 zijn intrek genomen in de voormalige echtelijke woning, zodat er sindsdien geen beletselen meer zijn voor uitvoering van de zorgregeling. Hoewel de vrouw op dit moment naar eigen zeggen nog niet beschikt over een eigen woning, heeft ze urgentie verkregen en is de verwachting dat ze binnenkort ook een woning zal hebben waar ze met de kinderen kan verblijven. Het hof gaat er van uit dat de man tot die tijd met de vrouw meedenkt over de uitvoering van de zorgregeling. Hoofdverblijf (grief in incidenteel hoger beroep) Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.2. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, omdat de kinderen op het moment dat het echtscheidingsverzoekschrift werd ingediend hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (artikel 7 Verordening Brussel II-ter). In hoger beroep staat vast dat, nu de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van deze verzoeken, het Nederlands recht van toepassing is (artikel 15 lid 1 Haags kinderbeschermingsverdrag 1996). 5.2.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de hoofdverblijfplaats van een van de kinderen bij één van de ouders te bepalen omdat dit geen recht doet aan de gelijkwaardige rol die de ouders gelet op de gelijke verdeling van zorg zullen vervullen. Ten aanzien van de inschrijving van de kinderen in de BRP heeft de rechtbank beslist dat alle drie de kinderen worden ingeschreven op het adres van de vrouw, om te voorkomen dat de ouders over allerlei financiële kwesties die de kinderen betreffen afspraken moeten maken om ongelijkheid tussen de kinderen te voorkomen en om zo de spanningen tussen de ouders te verminderen. 5.2.2. De man voert in incidenteel hoger beroep aan dat het niet alleen om financiële gevolgen gaat maar ook om het gevoel van evenredig ouderschap. De man stelt dat de kinderen gelijk zullen worden behandeld, alsof zij staan ingeschreven op één adres en dat de alimentatie ook op die wijze kan worden berekend, inhoudende dat de man de onderhoudsbijdrage aan de vrouw voldoet alsof alle kinderen staan ingeschreven bij de vrouw, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgkorting van 35%. De door de rechtbank veronderstelde spanning tussen partijen behelst slechts het frustreren van de afwikkeling van de echtscheiding en nakoming van de beschikking zijdens de vrouw. 5.2.3. De vrouw heeft het standpunt van de man weersproken. Zij voert aan dat de man alleen het hoofdverblijf verzoekt vanwege financiële voordelen en dat het bepalen van het hoofverblijf bij de man niet passend is bij de zorgregeling zoals die feitelijk wordt uitgevoerd, omdat de man de co-ouderschaps-regeling zoals die in de bestreden beschikking is bepaald zelf niet nakomt. De vrouw acht het niet in het belang van de kinderen als het hoofdverblijf van de kinderen bij de man wordt bepaald en/of (een van de) kinderen op het adres van de man wordt ingeschreven in de BRP. 5.2.4. Het hof oordeelt als volgt. Nu het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling zal bekrachtigen en er dus een gelijke verdeling van zorgtaken is, zal het hof ook de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf bekrachtigen. De rechtbank heeft op goede gronden, die het hof na zelfstandige beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, geoordeeld dat bepaling van het hoofdverblijf bij één van de ouders geen recht doet aan de gelijkwaardige rol die de ouders zullen vervullen. Ook voor wat betreft de inschrijving in de BRP is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof na zelfstandige beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, heeft beslist dat het in het belang van de kinderen is dat alle drie de kinderen worden ingeschreven op het adres van de vrouw, om ongelijkheid tussen de kinderen te voorkomen. Omdat de ouder waar het kind staat ingeschreven wordt geacht de verblijfsoverstijgende kosten voor dat kind te voldoen is een verdeling van de kinderen over de adressen van de ouders niet wenselijk, omdat dit te veel afstemming vergt tussen de ouders over financiële kwesties. Kinderalimentatie (grief II in principaal hoger beroep) Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.3. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. In hoger beroep staat tussen partijen vast dat Nederlands recht van toepassing is. Ingangsdatum 5.4. De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten 2 oktober 2024, is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt. Hoogte behoefte kinderen 5.5. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de behoefte van de kinderen, te weten € 348,- per kind per maand in 2022 en € 382,- per kind per maand in 2024. Draagkracht vrouw 5.6. De rechtbank heeft aan de zijde van de vrouw gerekend met een door de man gestelde verdiencapaciteit van € 2.070,- bruto per maand, ofwel € 24.840,- bruto per jaar, omdat de vrouw onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de man dat ze meer zou kunnen werken. De vrouw heeft niet toegelicht waarom ze, nu de kinderen inmiddels alle drie naar school gaan en ze de zorgtaken voor de kinderen zal gaan delen, niet meer uren zou kunnen gaan werken dan ze nu doet. Van enig beletsel om meer te gaan werken is ook niet gebleken. 5.6.1. De vrouw werkt op dit moment gemiddeld 10 uur per week en heeft een salaris van gemiddeld € 640,48 bruto per maand. De verdiencapaciteit waar de rechtbank mee rekent is drie keer zo hoog als haar feitelijk inkomen. De vrouw acht het buitenproportioneel en onredelijk om van een dergelijke verdiencapaciteit uit te gaan. De vrouw voert aan dat ze nooit meer heeft verdiend dan € 13.005,- bruto op jaarbasis en dat was nota bene in de periode dat de man vanwege de Coronacrisis veel thuis werkte en de vrouw kon ondersteunen met het ophalen van de kinderen uit school. Nu staat de vrouw er weer alleen voor. De vrouw is dan ook van mening dat van haar feitelijk inkomen moet worden uitgegaan en dat meer verdienen niet van haar gevergd kan worden als hoofdverzorgster van drie kinderen van 11, 7 en 6 jaar oud. Tijdens het huwelijk hebben partijen er voor gekozen dat de vrouw niet zou werken en de volledige zorg voor de kinderen zou dragen. Dit was volgens de man financieel beter voor het gezin omdat kinderopvang te duur was. Hierdoor heeft de vrouw geen enkele kans gehad om zich te ontwikkelen en de Nederlandse taal te leren. De vrouw heeft verder ook geen opleiding genoten. Ze heeft hierdoor een afstand tot de arbeidsmarkt. Toen de kinderen wat ouder werden, is de vrouw parttime als schoonmaker gaan werken. Omdat de vastgestelde co-ouderschapsregeling nooit is uitgevoerd en ze dus nog altijd bijna volledig de zorg voor de kinderen draagt, kan ze niet meer uren werken en is er geen sprake van onbenut gelaten verdiencapaciteit. De vrouw is van mening dat haar tijd moet worden gegund voor opleiding en ontwikkeling alvorens van haar kan worden verlangd dat ze haar werkzaamheden uitbreidt. Ze acht het redelijk dat haar een termijn van drie jaar wordt gegund om haar werkzaamheden uit te breiden naar 16 uur per week, tot een verdiencapaciteit van € 13.005,- bruto per jaar. Dit was het inkomen dat de vrouw in 2021 verdiende toen ze meer kon werken omdat de man destijds vanuit huis werkte en haar kon ondersteunen met de kinderen. De vrouw wijst er op dat de rechtbank er bovendien ten onrechte van uit is gegaan dat zij het kindgebonden budget ontvangt, terwijl het de man is die dat momenteel ontvangt. 5.6.2. De man voert het volgende verweer. Er is een co-ouderschap vastgesteld, inhoudende dat partijen evenveel zorg zullen dragen voor de kinderen. Bovendien gaan de kinderen allemaal naar school en kan de vrouw in ieder geval tijdens de schooltijden van de kinderen en de weekenden dat de kinderen bij de man zijn werken. Drie jaar om zich te ontwikkelen en haar uren uit te breiden vindt de man een te lange termijn. De vrouw heeft een baan voor 10 uur per week en om haar uren uit te breiden heeft ze geen opleiding of ontwikkeling nodig. De verdiencapaciteit waarmee de rechtbank heeft gerekend is het minimuminkomen. Als wordt gerekend met het huidige uurloon van de vrouw in een fulltime dienstverband zou dat zelfs neerkomen op circa € 3.000,- bruto per maand, dus meer dan waarmee de rechtbank heeft gerekend. De verdiencapaciteit van € 2.070,- bruto per maand kan de vrouw verdienen als ze parttime werkt. 5.6.3. Het hof is van oordeel dat van de vrouw verwacht mag worden dat ze meer uren gaat werken. Omdat de vastgestelde co-ouderschapsregeling vanaf nu uitgevoerd zal gaan worden heeft de vrouw ruimte om haar uren aanzienlijk uit te breiden. De vrouw heeft ook niet betwist dat ze met uitbreiding van haar huidige werkzaamheden het door de rechtbank begrote inkomen zou kunnen verdienen. Omdat haar uurloon hoger ligt dan het minimumloon waarvan de rechtbank is uitgegaan, hoeft de vrouw niet fulltime te gaan werken om dit inkomen te verdienen. Aan de vrouw hoeft geen tijd te worden gegund voor opleiding en ontwikkeling, omdat het gaat om werkzaamheden die ze nu ook al verricht. Omdat de vrouw dit inkomen tot op heden feitelijk niet heeft gehad zal het hof, om te voorkomen dat niet in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien, niet reeds met ingang van 2 oktober 2024 met deze verdiencapaciteit rekening houden. Het hof acht het redelijk om met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van deze beschikking rekening te houden met de verdiencapaciteit. De vrouw heeft er vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank rekening mee kunnen houden dat van haar verwacht werd dat zij haar uren ging uitbreiden. Ook met de mate van zorg voor de kinderen die de vrouw in de afgelopen periode heeft gehad, kon van haar verlangd worden dat ze meer dan 10 uur per week werkt. De kinderen hebben immers allemaal de schoolgaande leeftijd, zodat het op de weg van de vrouw had gelegen om haar uren uit te breiden. De vrouw wordt nu nog de periode van 9 oktober 2025 tot 1 november 2025 gegund om de urenuitbreiding te realiseren. Het hof acht dit gelet op alle omstandigheden redelijk. Het voorgaande betekent dat het hof van 2 oktober 2024 tot 1 november 2025 uit zal gaan van het feitelijk inkomen van de vrouw en met ingang van 1 november 2025 van de door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit. Voor wat betreft de discussie over het kindgebonden budget stelt het hof vast dat de man tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft gesteld dat hij het volledige kindgebonden budget altijd heeft overgemaakt op de rekening van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw sinds juli 2025 het kindgebonden budget rechtstreeks op haar eigen rekening ontvangt. Het hof houdt dus rekening met het kindgebonden budget aan de zijde van de vrouw. 5.6.4. In de periode van 2 oktober 2024 tot 1 november 2025 volgt het hof de door de vrouw als productie 38 overgelegde draagkrachtberekening – waarin de vrouw ook rekening heeft gehouden met het kindgebonden budget – welke berekening verder door de man niet is betwist. Uit deze berekening volgt dat de vrouw een NBI heeft van € 1.635,- per maand en dat ze een minimale draagkracht heeft voor kinderalimentatie van in totaal € 50,- per maand. Met ingang van 1 november 2025 gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van € 566,- per maand. Draagkracht man 5.7. De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op basis van het inkomen dat de man verdiende bij [werkgever 1] 2021, geïndexeerd naar 2024, hetgeen neerkomt op een bruto jaarinkomen van € 54.909,-. De rechtbank heeft rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en, omdat sprake zal zijn van een gelijke verdeling van de zorgtaken (co-ouderschap), ook met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis van deze gegevens heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man becijferd op € 3.624,- per maand. 5.7.1. De vrouw voert aan de man inmiddels een nieuwe baan heeft bij [werkgever 2] en dat haar niet bekend is welk inkomen hij nu verdient. Gelet op zijn opleiding en werkervaring acht de vrouw een verdiencapaciteit van € 75.000,- per jaar redelijk. Voor zover het huidige inkomen van de man lager zou zijn dan zijn geïndexeerde oude inkomen uit 2021 ad € 54.909,- moet dit volgens de vrouw beschouwd worden als verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw is dan primair van mening dat uitgegaan moet worden van een inkomen van € 75.000,- omdat, als de man niet zou zijn ontslagen, hij wellicht inmiddels een betere functie met een hoger salaris bij [werkgever 1] zou hebben gehad. Subsidiair is de vrouw van mening dat minimaal van het oude geïndexeerde inkomen moet worden uit gegaan. Verder heeft de rechtbank ten onrechte gerekend met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Indien de grief van de vrouw tegen de zorgregeling slaagt heeft de man in ieder geval geen aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, maar omdat de man de bij bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling nooit is nagekomen is er feitelijk nooit sprake geweest van co-ouderschap en moet er geen rekening worden gehouden met deze korting, aldus de vrouw. 5.7.2. De man betwist de door de vrouw gestelde verdiencapaciteit van € 75.000,-. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd is de man niet academisch geschoold. Zijn huidige inkomen bij [werkgever 2] is € 38.297,- bruto per jaar. De man kan zich vinden in het uitgangspunt van de rechtbank waarbij zijn draagkracht is berekend aan de hand van zijn geïndexeerde inkomen bij [werkgever 1] . Als de man thans nog zou werken bij [werkgever 1] zou hij nooit een inkomen van € 75.000,- kunnen verdienen. 5.7.3. Het hof zal evenals de rechtbank uitgaan van het geïndexeerde ‘oude’ inkomen van de man. Het betreft een fictief inkomen, want de man verdient feitelijk minder. Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met een nog hoger fictief inkomen op basis van de fictieve omstandigheden dat de man niet zou zijn ontslagen bij [werkgever 1] en eventueel een hoger betaalde functie zou hebben gekregen. Dat dit een reële mogelijkheid zou zijn geweest is gesteld noch gebleken. Nu het hof de zorgregeling zal bekrachtigen is er aan de zijde van de man terecht rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw ingestemd met het rekenen met het woonforfait. Het hof volgt dus de berekening van de rechtbank. Zorgkorting 5.8. De vrouw is het niet eens met de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting van 35% omdat die is gebaseerd op een co-ouderschap terwijl partijen tot op heden de zorgregeling zoals vastgesteld bij de voorlopige voorzieningen hebben laten doorlopen. Bij die zorgregeling past een zorgkorting van 15%. 5.8.1. Omdat de vastgestelde zorgregeling, die door het hof wordt bekrachtigd, in ieder geval tot de datum van de mondelinge behandeling nog niet was nagekomen, ziet het hof aanleiding om niet reeds vanaf de ingangsdatum van 2 oktober 2024 rekening te houden met de zorgkorting van 35%, omdat de man deze kosten feitelijk niet heeft gehad. Bij de regeling zoals die wel werd uitgevoerd is een zorgkorting van 25% passend. Om pragmatische overwegingen, om te voorkomen dat alleen vanwege de zorgkorting een extra “knip” moet worden gemaakt, zal het hof met ingang van 1 november 2025 gaan rekenen met de zorgkorting van 35%. 5.8.2. In de periode van 2 oktober 2024 tot 1 november 2025 is sprake van een draagkrachttekort van (behoefte kinderen € 1.146,- -/- draagkracht man € 887,- -/- draagkracht vrouw € 50,- =) € 209,-. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen. Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting wordt de helft van het tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. De helft van het tekort bedraagt € 104,50 en is minder dan de zorgkorting van (25% van € 1.146,- =) € 286,50. Het hof zal de helft van het tekort in mindering brengen op de zorgkorting. Dit betekent dat er een bedrag van (€ 286,50 -/- € 104,50 =) € 182,- in mindering zal worden gebracht op de door de man te betalen bijdrage. Dit betekent dat de man (€ 887,- -/- € 182,- =) € 705,- per maand, ofwel € 235,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Conclusie kinderalimentatie 5.9. Het voorgaande betekent dat de man met ingang van 2 oktober 2024 met een bedrag van € 235,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen. Omdat de vrouw in hoger beroep heeft verzocht te bepalen dat de kinderalimentatie voor het eerst per 1 januari 2026 aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW is onderworpen, zal het hof niet al met ingang van 1 januari 2025 rekening houden met de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering. Met ingang van 1 november 2025 gaat het hof uit van de door de rechtbank berekende bijdrage, hetgeen neerkomt op een bijdrage van € 99,- per kind per maand. Ook hier heeft het hof, gelet op het verzoek van de vrouw ten aanzien van de wettelijke indexering, geen jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering toegepast. De bijdrage van € 99,- zal dus voor het eerst geïndexeerd worden op 1 januari 2026. Partneralimentatie (grief III in principaal hoger beroep) Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.10. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. In hoger beroep staat tussen partijen vast dat Nederlands recht van toepassing is. Ingangsdatum 5.11. De rechtbank heeft als ingangsdatum van een eventueel vast te stellen bijdrage de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gehanteerd omdat uit de wet volgt dat de rechter de partneralimentatie niet eerder dan met ingang van die datum kan laten ingaan (artikel 1:157 lid 6 BW). De vrouw verzoekt in hoger beroep een partnerbijdrage met ingang van 2 oktober 2024. Omdat deze datum is gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is dat niet mogelijk, zodat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de partneralimentatie 11 april 2025 zal zijn. Huwelijksgerelateerde behoefte 5.12. In hoger beroep staat tussen partijen vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 1.805,- netto per maand bedroeg in 2022, geïndexeerd naar 2024 € 1.982,- netto per maand, zodat het hof hiervan zal uitgaan. Aanvullende behoefte 5.13. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud, omdat ze op basis van de aan haar toegekende verdiencapaciteit een NBI heeft van € 2.070,- per maand. De rechtbank heeft haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud dan ook afgewezen. 5.13.1. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 5.6.3. en 5.6.4. volgt het hof deze berekening van de rechtbank voor de periode met ingang van 1 november 2025. In de periode van 2 oktober 2024 tot 1 november 2025 wordt de volledige draagkracht van de man aangewend voor de kinderalimentatie en verblijfskosten van de kinderen, waardoor er geen draagkracht resteert voor partneralimentatie. Er is dan ook geen noodzaak om de aanvullende behoefte van de vrouw in deze periode te berekenen. Conclusie partneralimentatie 5.14. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, bekrachtigen. 6 De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt. 6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 7 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 2 oktober 2024, voor zover het betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2018 zal betalen: - met ingang van 2 oktober 2024 tot 1 november 2025 € 235,- per kind per maand; - met ingang van 1 november 2025 € 99,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en M.E.M. Beijersbergen, en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Similar Content