Rechtbank Rotterdam, 24-07-2026 (ROT 25/8349, 25/8350, 25/6295, 25/6296 en 25/6297)
Varia. AVG. Beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering voldoende heeft aangetoond dat de door eiser ingediende verzoeken buitensporig zijn. Met die aanvullende motivering kon het college weigeren gevolg te geven aan deze verzoeken op grond van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van de AVG. Omdat de verzoeken van eiser op grond van de artikel 14 AVG aangemerkt moeten worden als informatieverzoeken, is de reactie van het college hierop geen besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar open staat. Het college heeft deze bezwaren dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
How it connects
Cited by
- Austrian data protection authority slammed by CJEU
- Judgment of the Court (First Chamber) of 9 January 2025.#Österreichische Datenschutzbehörde v F R.#Request for a preliminary ruling from the Verwaltungsgerichtshof.#Reference for a preliminary ruling – Protection of natural persons with regard to the processing of personal data – Regulation (EU) 2016/679 – Article 57(1)(f) and Article 57(4) – Tasks of the supervisory authority – Concepts of a ‘request’ and ‘excessive requests’ – Charging of a reasonable fee or refusal to act on requests in the e
Related across sources
Full text
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/8349, 25/8350, 25/6295, 25/6296 en 25/6297 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de gevoegde zaken tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college (gemachtigden: mr. N. Elsheikh en mr. E.F. Vaal). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvragen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) wegens kennelijke buitensporigheid van die aanvragen. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser weliswaar gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op alle relevante omstandigheden van dit specifieke geval er sprake is van kennelijke buitensporige verzoeken van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop De zaken 25/6296 en 25/6297, 25/8349, 25/8350 2.1. Eiser heeft diverse verzoeken ingediend op grond van de AVG. Het college heeft deze verzoeken, voor zover sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb), met de primaire besluiten van 21 januari 2025 (de zaak 25/6296), 21 januari 2025 (25/6297), 27 maart 2025 (25/8349) en 9 mei 2025 (25/8350) afgewezen. 2.2. Met de bestreden besluiten van 20 februari 2025 (25/6295, 25/6296 en 25/6297) en 15 september 2025 (25/8349 en 25/8350) heeft het college de primaire besluiten gehandhaafd . De bezwaren voor zover deze zien op verzoeken die elementen bevatten die vallen onder de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG zijn ongegrond verklaard en de bezwaren voor die zien op de overige verzoeken zijn niet-ontvankelijk verklaard. De zaak 25/6295 2.3. Met het primaire besluit van 20 februari 2025 heeft het college eisers verzoek om een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 6 november 2024 op grond van artikel 14 van de AVG afgewezen. 2.4. Bij het bestreden besluit van 22 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder verbeterde motivering, gehandhaafd. Zaken 25/6295, 25/6296 en 25/6297, 25/8349, 25/8350 2.5. Eiser heeft in elke zaak afzonderlijk beroep ingesteld. 2.5. Het college heeft verweerschriften ingediend. 2.6. Eiser heeft een nadere reactie ingediend. In dit stuk, gedateerd 7 juni 2025 (2026 zo begrijpt de rechtbank), heeft eiser een groot deel van zijn verzoeken ingetrokken en een ander deel van zijn verzoeken geherformuleerd. 1.7. De rechtbank heeft de beroepen op 22 juni 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college, samen met [persoon A] . Na de zitting heeft de rechtbank de beroepen gevoegd. Totstandkoming van de bestreden besluiten 3.1. De zaken zien op in totaal 73 afzonderlijke verzoeken op grond van de AVG die eiser bij het college heeft ingediend in de periode tussen 1 november 2024 en 23 februari 2025. Deze verzoeken zijn (bijna) elk onderverdeeld in meerdere deelverzoeken. Eiser heeft zijn (deel)verzoeken gebaseerd op de artikelen 5, 6, 10, 14, 15, 16, 17 en 19 van de AVG. 3.2. Het college heeft bij de primaire besluiten overzichten gegeven van al eisers AVG verzoeken die in voornoemde besluiten aan de orde zijn, waarin de data en de grondslagen van de verzoeken zijn weergegeven. Het college verwijst bovendien naar eerdere besluiten waarin op 206 afzonderlijke AVG verzoeken van eiser is beslist. De verzoeken op grond van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van de AVG heeft het college afgewezen. Het college stelt zich allereerst op het standpunt dat de verzoeken tot het verstrekken van informatie op grond van artikel 14 AVG en de verzoeken op grond van de artikelen 15-19 AVG buitensporig zijn. Op grond hiervan kan het college, op grond van artikel 12, vijfde lid, van de AVG, weigeren gevolg te geven aan de verzoeken. Het college meent dat de verzoeken systematisch en als onderdeel van een campagne zijn ingezonden en dat de verzoeken eenvoudig gebundeld hadden kunnen worden. Het doen van verschillende verzoeken zonder redelijke tussenpozen is onevenredig. Bovendien is volgens het college het indienen van de verzoeken niet objectief noodzakelijk voor de bescherming van de rechten van belanghebbende onder de AVG. Desondanks heeft het college de verzoeken van eiser op grond van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van de AVG ook inhoudelijk beoordeeld. Ten aanzien van de inzageverzoeken op grond van artikel 15 AVG stelt verweerder zich op het standpunt dat een deel van deze verzoeken niet kwalificeren als inzageverzoek in de zin van voornoemd artikel. Ten aanzien van een ander deel van de verzoeken geldt dat het college niet beschikt over meer persoonsgegevens en/of de door eiser genoemde stukken. Bovendien ziet een deel van de verzoeken op zaken waarover al eerder door deze rechtbank uitspraak is gedaan. De verzoeken om rectificatie en/of verwijdering op grond van de artikelen 16 en 17 van de AVG heeft het college afgewezen omdat de verzoeken zien op gegevens waar de gemeente niet over beschikt of waarvan rectificatie en verwijdering niet binnen haar macht ligt, het rectificatierecht niet bedoeld is om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waar eiser zich niet mee kan verenigingen te corrigeren dan wel te verwijderen, geen sprake is van persoonsgegevens die onjuist of onvolledig zijn of omdat geen sprake is van onjuiste en/of niet actuele persoonsgegevens. De verzoeken op grond van de artikelen 5, 6, 10 en 14 van de AVG zijn volgens het college aan te merken als informatieverzoeken en ook zodanig behandeld. Het college geeft aan eiser eerder al volledig te hebben geïnformeerd en niet te beschikken over aanvullende informatie. 3.3. Met de bestreden besluiten heeft het college de bezwaarschriften van eiser voor zover gericht tegen de verzoeken op grond van de artikelen 15-19 ongegrond verklaard en voor zover gericht tegen de verzoeken op grond van de overige artikelen niet-ontvankelijk verklaard. Aan de ongegrondverklaring heeft het college ten grondslag gelegd dat de verzoeken tot het verstrekken van informatie op grond van artikel 14 AVG en de verzoeken op grond van de artikelen 15-19 AVG buitensporig zijn. De verzoeken kunnen niet los gezien worden van de AVG verzoeken die eiser in de periode van 1 november 2024 tot en met 29 januari 2025 heeft ingediend en ook niet van het KPMG onderzoek en het naar aanleiding daarvan opgesteld eindrapport. Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat de wijze waarop eiser zijn verzoeken indient onnodig belastend is voor het college. Daarbij gaat het om de wijze waarop eiser zijn verzoeken formuleert, de structurering van deze verzoeken en de relatief korte termijn waarbinnen de vele verzoeken zijn ingediend. De verzoeken hebben veelal betrekking op hetzelfde (sub-)onderwerp en onderscheiden zij zich vaak op een enkel detail. Nagenoeg elk verzoek bevat een aantal deel-verzoeken. Verder weegt het college mee dat eiser juridisch onderlegd is, de werkprocessen van de gemeente kent en weet hoe hij die kan vertragen. Het college concludeert op basis van deze overwegingen dat eisers verzoeken redelijkerwijs geen ander doel kunnen dienen dan het heropenen van de juridische beoordelingen van de feiten die eerder tot civielrechtelijke en strafrechtelijke veroordelingen van eiser hebben geleid. Ten aanzien van het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar gericht tegen de verzoeken van eisers op grond van de artikelen 5, 6, 10 en 14 AVG stelt het college zich op het standpunt dat dit slechts informatieverzoeken zijn en dat hier op is gereageerd. De reactie van de gemeente op deze informatieverzoeken is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank stelt voorop dat eiser in zijn stuk van 7 juni 2026 al zijn (bewijs)verzoeken op grond van de artikel 5, 6 en 10 van de AVG heeft ingetrokken. Dat geldt ook voor zijn inzageverzoeken op grond van artikel van de 15 AVG over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de periode van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2019. Ter zitting is vastgesteld dat hieruit volgt dat eiser een drietal inzageverzoeken handhaaft, namelijk de verzoeken van 11, 13 en 16 februari 2025. De verzoeken op grond van de artikelen 14, 16, 17 en 19 AVG handhaaft eiser ook, al dan niet na herformulering. De rechtbank laat zich in deze uitspraak enkel uit over de gehandhaafde verzoeken van eiser. Zij zal beoordelen of de bestreden besluiten, voor zover ze betrekking hebben op deze verzoeken, in stand kunnen blijven. Dit doet zij aan de hand van de door eiser ingediende gronden van beroep. Is sprake van buitensporige verzoeken? 5. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of het college de verzoeken ten aanzien van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van de AVG op grond van artikel 12, vijfde lid, van de AVG heeft mogen weigeren omdat sprake is van buitensporige verzoeken. Eiser voert in dit verband aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van buitensporige verzoeken. Hij stelt al zijn verzoeken afzonderlijk gespecificeerd en gedocumenteerd te hebben ingediend met het doel om de juistheid van zijn verwerkte persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de gegevensverwerkingen te kunnen controleren èn de gemeente daarbij in staat te stellen zijn verzoeken in de context van hun afzonderlijke gegevensverwerkingen te beoordelen. Het is aan het college om aan te tonen dat eiser met kwade bedoelingen zijn AVG verzoeken heeft ingediend. Daar is het college niet in geslaagd, aldus eiser. Het college kijkt enkel naar het aantal verzoeken, maar moet ook kijken naar de context van de verzoeken en de doelstellingen van de AVG. 5.1. Op grond van de AVG heeft een betrokkene zoals eiser het recht om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld in te zien en om deze gegevens, voor zover aan de orde, te laten rectificeren of wissen. Dit recht moet hij eenvoudig en met redelijke tussenpozen kunnen uitoefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Ook heeft een betrokkene, voor zover aan de orde, het recht om zijn persoonsgegevens te laten rectificeren of wissen. Deze rechten zijn echter niet onbeperkt. Wanneer verzoeken van een betrokkene kennelijk buitensporig zijn, met name vanwege het repetitieve karakter, mag de verwerkingsverantwoordelijke weigeren gevolg te geven aan het verzoek. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke, in dit geval het college, om de kennelijk buitensporige aard van de verzoeken aan te tonen. Het begrip buitensporig moet restrictief worden uitgelegd. Daarbij moet niet enkel rekening gehouden worden met het aantal ingediende verzoeken, maar moeten alle specifieke omstandigheden van het geval worden betrokken. Dat sprake is van kwade trouw is geen vereiste en hoeft de verwerkingsverantwoordelijke dan ook niet aan te tonen. Wel moet, aan de hand van alle relevante omstandigheden van het specifieke geval, worden vastgesteld dat er sprake is van opzettelijk misbruik door de betrokkene, waarbij opzet kan worden vastgesteld wanneer deze persoon dat verzoek indient zonder dat dit objectief noodzakelijk is om diens rechten te beschermen die hij aan de AVG ontleent. 5.2. Met de gegeven motivering van de bestreden besluiten heeft het college naar het oordeel van de rechtbank het opzettelijk misbruik niet aangetoond, zodat sprake is van strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De bestreden besluiten kunnen daarom geen stand houden. Echter is de rechtbank van oordeel dat het college met de aanvullende motivering in het verweerschrift van 11 juni 2026 waarin wordt verwezen naar het verweerschrift van 7 juli 2025 zoals in bezwaar overgelegd, alsnog voldoende heeft aangetoond dat de door eiser ingediende verzoeken buitensporig zijn. Met die aanvullende motivering kon het college weigeren gevolg te geven aan deze verzoeken op grond van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van de AVG. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. 5.3. Vast staat dat eiser een groot aantal AVG verzoeken heeft ingediend binnen een periode van enkele maanden en dat de afzonderlijke verzoeken veelal bestaan uit verschillende deelverzoeken. Het college stelt terecht dat eisers AVG verzoeken niet los gezien kunnen worden van het door KPMG uitgevoerde onderzoek en andere (lopende) procedures van eiser bij zowel de bestuurs-, straf-, civiele- als tuchtrechter, als procedures bij en tegen (ambtenaren van) de gemeente Rotterdam, Divosa, (accountants van) KPMG, de ombudsman en zijn eigen curator. Een eerder door eiser bij het college ingediend inzageverzoek om inzage in zijn persoonsgegevens in de periode van 1 januari 2012 tot en met 1 oktober 2019 is bij het college met besluiten van 3 januari 2020, 30 juni 2020 en 19 april 2022 afgedaan. Ten tijde van het indienen van onderhavige verzoeken diende deze procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een groot deel van de inzageverzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag liggen zien op dezelfde persoonsgegevens. Het college merkt daarbij terecht op dat de frequentie van het wijzigen van deze persoonsgegevens (zeer) laag is. Na voornoemde besluiten zijn de persoonsgegevens van eiser waar het college over beschikt niet gewijzigd, anders dan dat verwerkingen plaatsvinden in het kader van de door eiser aangespannen procedures (waaronder begrepen de onderhavige AVG-verzoeken zelf) en het voldoen aan wettelijke bewaartermijnen. Het college stelt terecht dat de verzoeken van eiser daarmee op een (grotendeels) statisch geheel aan persoonsgegevens ziet. Het verwerken door het college van eisers persoonsgegevens rechtvaardigt in elk geval dan ook niet het grote aantal inzageverzoeken op grond van artikel 15 van de AVG. Daarnaast geldt dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijze waarop eiser zijn verzoeken heeft ingediend onnodig belastend is voor het college. Zo heeft eiser in een kort tijdsbestek, met soms meerdere verzoeken per dag, niet alleen een grote hoeveelheid aan verzoeken ingediend, maar zien deze verzoeken veelal op dezelfde onderwerpen en/of (proces)stukken en zijn er verschillende afzonderlijke verzoeken die vaak slechts op kleine punten van elkaar verschillen. Het nagaan of en zo ja hoe die verzoeken verschillen bevatten is (onnodig) tijdrovend. In het verweerschrift van 7 juli 2025 heeft het college hier enkele voorbeelden van gegeven. Gewezen wordt op in totaal acht afzonderlijke verzoeken van 12 januari 2025 waarbij bij elk verzoek dezelfde bijlagen zijn meegestuurd. In elk van de verzoeken verwijst eiser naar document [documentnummer] . Eisers deelverzoeken zien vervolgens op facturen van CID-beheer van 9 december 2010 en 20 april 2011, Factor 3BV van 13 april, 15, 18 en 19 april 2011, Werkland B.V. van 19 november 2009 (tweemaal). De deelverzoeken zijn voor het overige in alle acht de verzoeken gelijkluidend. Met het college is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat eiser deze verzoeken niet gebundeld kon indienen en dat het splitsen van de verzoeken noodzakelijk was voor het beschermen van zijn rechten onder de AVG. 5.4. Alles tezamen bezien is sprake van opzettelijk misbruik door eiser. De omstandigheid dat eiser met zijn schrijven van 7 juni 2026 een groot deel van zijn verzoeken heeft ingetrokken, maakt dit niet anders. De rechtbank beoordeelt of het college ten tijde van de bestreden besluiten (dus op 20 februari 2025 en 22 juli 2025) terecht tot de conclusie van buitensporige verzoeken is gekomen. Dat is het geval. Dat betekent ook dat niet wordt ingegaan op de herformuleerde verzoeken. De verzoeken op grond van de artikel 14 AVG. 6. De rechtbank zal ten aanzien van de verzoeken op grond van artikel 14 van de AVG beoordelen of de schriftelijke afdoening van deze verzoeken op rechtsgevolg is gericht en daarmee een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Eiser voert in dit verband aan dat het college een onjuiste uitleg geeft aan de bepalingen uit de AVG en de Awb. De informatieplicht uit artikel 14 AVG is gericht op rechtsgevolgen. Dat artikel 14 AVG niet is genoemd in artikel 34 UAVG is omdat de wetgever er kennelijk (en volgens eiser dus ten onrechte) van is uitgegaan dat verwerkingsverantwoordelijken de op hen rustende informatieplicht zullen nakomen èn dat een burger daar niet om hoeft te vragen. 6.1. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet onder besluit worden: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Op grond van artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG) wordt een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de AVG genoemde termijnen en geldt, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Awb. 6.2. De rechtbank stelt vast dat uit artikel 34 UAVG volgt dat een reactie op een verzoek op grond van de artikelen 15-22 AVG, geldt als een besluit in de zin van de Awb. De wetgever heeft er niet voor gekozen om ook de reactie op verzoeken op grond van artikel 14 van de AVG als besluit aan te merken of dit voor de rechtsbescherming hieraan gelijk te stellen. Eisers verzoeken op grond van artikel 14 van de AVG zijn informatieverzoeken. Dit volgt ook uit de betreffende artikelen van de AVG. De rechten van betrokkenen, evenals de verplichtingen voor een verwerkingsverantwoordelijke, worden rechtstreeks bepaald door de AVG. Hoofdstuk III van de AVG ziet op de rechten van betrokkenen. Dit betreffen de artikelen 12 tot en met 23 AVG. De artikelen 15 tot en met 22 AVG geven betrokkenen een aantal rechten, zoals het inzage- en rectificatierecht. Betrokkenen kunnen deze rechten uitoefenen door middel van het indienen van verzoeken aan de verwerkingsverantwoordelijke. Een reactie op een dergelijk verzoek is, voor zover de verwerkingsverantwoordelijke een bestuursorgaan is, een besluit in de zin van de Awb. Dit is niet het geval bij een reactie naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 14 AVG, hoewel ook dit artikel in hoofdstuk III van de AVG is opgenomen. Artikel 14 AVG ziet op het verstrekken van informatie aan de betrokkene. Een toewijzende of afwijzende reactie op een informatieverzoek door een bestuursorgaan levert geen publiekrechtelijke rechtshandeling op omdat met zo’n verzoek geen verandering van de rechten en plichten van de verzoeker (of iemand anders) is beoogd. Het al dan niet verstrekken van informatie betreft een feitelijke handeling. Uit de door eiser aangehaalde uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant, Amsterdam en het Gerechtshof Den Haag leidt de rechtbank niet af dat bij de bestuursrechter met een beroep op (analoge toepassing van) artikel 34 UAVG nakoming van artikel 14 AVG kan worden verzocht. Dit volgt evenmin uit de aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juli 2025, 4 oktober 2024 en 28 november 2024. Dit betekent overigens niet dat eiser niet kan opkomen tegen de reactie van het college op de informatieverzoeken dan wel het uitblijven van een reactie. Eiser kan zich in een voorkomend geval wenden tot de Autoriteit Persoonsgegevens of tot de burgerlijke rechter als hij meent dat het college op onjuiste wijze uitvoering geeft aan diens verantwoordelijkheid op basis van artikel 14 AVG. 6.3. Omdat de verzoeken van eiser op grond van de artikel 14 AVG aangemerkt moeten worden als informatieverzoeken, is de reactie van het college hierop (in de primaire besluiten genoemd hierboven bij punt 2.1 en 2.3 van deze uitspraak) geen besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar open staat. Het college heeft deze bezwaren dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gerichte beroep is ongegrond. 7. Omdat de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden zien op een inhoudelijke beoordeling van de verschillende AVG verzoeken komt de rechtbank aan de bespreking van deze gronden niet toe. Het beroep tegen het dwangsombesluit (25/6295). 8. Uit het hierboven bij punt 6 van deze uitspraak overwogene volgt dat ook het beroep van eiser gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om een dwangsom ongegrond is. Het dwangsomverzoek zag op het niet tijdig beslissen op een verzoek op grond van artikel 14 van de AVG. Zoals hiervoor overwogen is dit een verzoek om informatie. Het college was dan ook niet gehouden een besluit op dit verzoek te nemen zodat het college de dwangsom terecht heeft afgewezen. Overigens heeft het college op 23 januari 2025 op het informatieverzoek van eiser gereageerd. Conclusie en gevolgen 9. De beroepen van eiser in de zaken 25/8349, 25/8350, 25/6296 en 25/6297 zijn gegrond, voor zover gericht tegen de afwijzing van de verzoeken op grond van de artikelen 15-22 van de AVG. Het college heeft pas met het verweerschrift van 11 juni 2026, waarbij verwezen is naar het verweerschrift in bezwaar van 7 juli 2025, afdoende gemotiveerd dat sprake is van kennelijk buitensporige verzoeken. De bestreden besluiten van 20 februari 2025 en 15 september 2025 zijn in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal deze besluiten vernietigen, maar laat, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen in stand, omdat het college de gebreken in beroep heeft hersteld. Dit betekent concreet dat het college de verzoeken van eiser niet (alsnog) inhoudelijk hoeft te behandelen. De beroepen tegen het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaarschriften ten aanzien van de verzoeken op grond van artikel 14 van de AVG zijn ongegrond. 10. Omdat de beroepen in de zaken 25/8349, 25/8350, 25/6296 en 25/6297 gegrond zijn, moet het college het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Vanwege de samenhang tussen de verschillende zaken van eiser is enkel in de zaak 25/8349 (en niet in de zaak 25/8350) en enkel in de zaak 25/6295 (en niet in de zaken 25/6296 en 25/6297) een bedrag van (2 x € 194,- =) € 388,- aan griffierecht betaald. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank; verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar ongegrond; verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de afwijzing van de verzoeken op grond van de artikelen 15-22 van de AVG gegrond; vernietigt de bestreden besluiten van 20 februari 2025 en 22 juli 2025 voor zover gericht tegen de afwijzing van de verzoeken op grond van de artikelen 15-22 van de AVG; bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde delen van deze besluiten in stand blijven; bepaalt dat het college de door eiser betaalde griffierechten van totaal € 388,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit de overwegingen 63 en 65 van de Considerans behorende bij de AVG. Zie de artikelen 16 en 17 van de AVG. Uit artikel 12, vijfde lid, aanhef en onder b van de AVG volgt dat de verwerkingsverantwoordelijke mag weigeren gevolg te geven aan de verzoeken als de verzoeken van een betrokkene buitensporig zijn, met name vanwege het repetitieve karakter. Dit volgt uit de arresten van het Europees Hof van Justitie van 9 januari 2025 in de zaak C-416/23, ECLI:EU:C:2025:3, Österreichischer Datenschutzbehörde (overwegingen 50 en 57) en van 19 maart 2026 in de zaak C-526/24, ECLI:EU:C:2026:216, Brillen Rottler. Op 22 april 2026 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in deze zaak, ECLI:NL:RVS:2026:2278.