Rechtbank Amsterdam, 30-07-2026 (13/098965-26)
EAB Polen; tussenuitspraak waarbij de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is aangehouden
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/098965-26 Datum uitspraak: 30 juli 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door the Circuit Court in Katowice , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen). ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 3 juni 2026 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op deze zitting. in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink. officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 17 juni 2026 Bij tussenuitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 16 juli 2026 Op de zitting van 16 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 17 juni 2026 In de tussenuitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW met betrekking tot vonnis 1 en de omzettingsbeslissing, de strafbaarheid van de feiten, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en over artikel 11 OLW juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 17 juni 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Ten aanzien van het vonnis van the District Court in Chorzów van 18 oktober 2022 met kenmerk: VII K 501/22 (hierna: vonnis 2)en het arrest van the Circuit Court in Katowice van 3 maart 2023 met kenmerk VI Ka 55/23 (hierna: het arrest) overweegt de rechtbank als volgt. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest toetsen aan artikel 12 OLW. Naar aanleiding van de vragen in de tussenuitspraak van 17 juni 2026 hebben de Poolse autoriteiten op 29 juni 2026 de volgende reactie gegeven, voor zover hier van belang: “The defence counsel was appointed by [opgeëiste persoon] – on the basis of the mandate issued and personally signed by [opgeëiste persoon] on 24th July 2022. (…) in view of the above, the scope of the mandate given to the defence counsel covered all procedural actions in the courts of further criminal proceedings in case VII K 501/22 until the final conclusion of the main proceedings, including also the authorization to lodge an appeal and to conduct the defence in appellate proceedings on behalf of the client (i.e. [opgeëiste persoon] ), as the mandate given to the defence counsel was not withdrawn. The defence counsel appointed by [opgeëiste persoon] filed an appeal with the Circuit Court in Katowice (i.e. court of second instance) and was duly notified of the date of the trial; however, he did not participate in that trial.” De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat artikel 12, sub b, OLW niet aan de orde is nu uit de geciteerde aanvullende informatie niet blijkt dat de gemachtigd advocaat de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk heeft verdedigd tijdens het proces in hoger beroep. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat had gemachtigd, die namens hem hoger beroep heeft ingesteld. Tijdens zijn verhoor bij de voorgeleiding op 7 april 2026 heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn advocaat zich zou bezighouden met de zittingen, dat hij naar Nederland is vertrokken en dat zijn advocaat geen contact meer met hem heeft opgenomen. De opgeëiste persoon heeft toen ook verklaard dat hij het is vergeten, omdat hij druk was met zijn leven op te bouwen in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de verdenking en het strafproces in hoger beroep, waarna hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn. Als de opgeëiste persoon gebruik had willen maken van zijn aanwezigheidsrecht, had het in ieder geval op zijn weg gelegen om contact te houden met zijn gemachtigd advocaat, nu hij deze had gemachtigd om zich bezig te houden met de zittingen. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7.2 van de tussenuitspraak van 17 juni 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd Naar aanleiding van de in de tussenuitspraak gestelde vragen heeft de rechtbank aanvullende informatie van 30 juni 2026 ontvangen. Deze aanvullende informatie is nagenoeg gelijkluidend aan de aanvullende informatie van 28 april 2026, die de rechtbank eerder heeft ontvangen. De rechtbank heeft toen al geoordeeld dat deze informatie onvoldoende is om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Myslowice als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier nog niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet. De rechtbank weegt mee dat het Openbaar Ministerie niet expliciet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft meegedeeld dat het ontbreken van een afdoende detentiegarantie er mogelijk toe leidt dat de rechtbank de overlevering niet toestaat. Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of, binnen een redelijke termijn, een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. De voortzetting van de zaak zal daarvoor worden ingepland in de periode van 1 september 2026 tot en met 10 september 2026. Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 1 augustus 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen. 6 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 1 september 2026 en 10 september 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub b, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:6648. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.