Rechtbank Amsterdam, 04-08-2026 (13-143561-26)
Executie-EAB Polen. Tussenuitspraak. Afzien van weigeren ten aanzien van artikel 12. Adresinstructie. Gelijksstellingsverweer slaagt. In afwachting van het certificaat en vonnis.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-143561-26 Datum uitspraak: 4 augustus 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 21 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2015 door de Regional Court in Gliwice 5th Criminal Division based in Rybnik , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Polen), feitelijke verblijfplaats: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt meerdere vonnissen, namelijk: een vonnis van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 18 januari 2011, met referentie: II K 2319/10. De tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is voorwaardelijk opgeschort. Bij beslissing van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 20 mei 2013, met referentie: II Ko 896/13, is de tenuitvoerlegging van de straf bevolen. een vonnis van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 22 maart 2013, met referentie: II 1392/12. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van respectievelijk twee jaar en één jaar en tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straffen ondergaan in Polen. Deze straffen resteren nog volledig. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vonnissen met kenmerken II K 2319/10 en II K 1392/12 aan artikel 12 OLW moeten worden getoetst en dat de weigeringsgrond van artikel 12 niet aan overlevering in de weg staat. Immers, de opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij beide van deze processen, die hebben geleid tot voornoemde vonnissen. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het vonnis met referentie II K 2319/10: De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat hij – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 15 juni 2026 van uitvaardigende justitiële autoriteit (hierna de aanvullende informatie) blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek het adres: [adres in Polen] , heeft opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden. Vervolgens is de dagvaarding daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij heeft geen adreswijziging doorgegeven. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn geweest van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Beslissing met kenmerk II Ko 896/13 De vrijheidsstraf van het vonnis met het kenmerk II K 2319/10 is aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van de District Court of Jastrzębiu-Zdrój van 20 mei 2013, met referentie II Ko 896/13, is de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis met referentie II K 1392/12 De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie 6 blijkt dat de veroordeling met kenmerk II 1392/12 heeft geleid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek is gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden. Vervolgens is de dagvaarding daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij heeft geen adreswijziging doorgegeven. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn geweest van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Hij heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: - medeplegen van mishandeling; - diefstal door twee of meer verenigde personen; - openlijke geweldpleging; - medeplegen van mishandeling; - vrijheidsberoving; - bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Uit de brief van de IND van 22 juli 2026 volgt dat dat de strafrechtelijke feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht er niet toe leiden dat hij zijn verblijfsrecht verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Dit betekent dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen lager zijn dan de straffen die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. Bovendien zijn de opgelegde sancties naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraffen hoeven daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van de veroordelende vonnissen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de zaak te heropenen om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het arrest af te wachten. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor bepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de arresten. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het vierde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, tweede lid, OLW. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen 13 augustus 2026 om 9:00 uur , met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen 13 augustus 2026 om 9:00 uur . Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. Zie HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)). Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.