Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 15-12-2025 (AUA202503845)
vovo art 52 Lma, schorst bestreden beschikking
How it connects
Related across sources
Full text
Uitspraak van 15 december 2025 Gaza nr. AUA202503845 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek om een beslissing bij voorraad in de zin van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [Verzoeker], wonend in Aruba, VERZOEKER, gemachtigde: de advocaat mr. J.J. Steward, gericht tegen: DE MINISTER, BELAST MET JUSTITIËLE AANGELEGENHEDEN, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters. INLEIDING 1.1 Verweerder heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 (bestreden beschikking) besloten verzoeker, met toepassing van artikel 52 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), tijdelijk met andere ambtelijke werkzaamheden te belasten. 1.2 Hiertegen heeft verzoeker op 19 november 2025 bezwaar gemaakt bij het gerecht. 1.3 In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La. Dit verzoek is eveneens op 19 november 2025 ingediend bij het gerecht. 1.4 Verweerder heeft op 28 november 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 1.5 Het gerecht heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 1 december 2025. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.6 Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag. BEOORDELING 2.1 Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegewezen als redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven en als ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk of noodzakelijk is. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat tot het treffen van een voorziening bij voorraad. Het verzoek wordt dan ook toegewezen. 2.2 Het gerecht legt hierna dit oordeel uit. Het oordeel van het gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Wat is relevant om te weten? 3.1 Verzoeker is ambtenaar en is met ingang van 23 januari 2024 benoemd als directeur van Inmigracion Aruba (IA). 3.2 Bij brief van 25 april 2025 heeft verweerder aan verzoeker verzocht om (i) informatie omtrent het reisgedrag van personen uit het RADEX-systeem, (ii) kopieën van alle bevelschriften van weigering van toelating, en (iii) kopieën van bevelschriften van uitzetting en in bewaringstelling die sinds 1 april 2025 zijn uitgegeven. 3.3 Bij brief van 14 mei 2025 heeft verzoeker – voor zover hier relevant – als volgt daarop gereageerd: “(…) Op het verzoek eerste “bullet”: Om een volledig beeld te geven inzake de opgevraagde informatie, is het aanbevelenswaardig om het verzoek, eventueel, nader te specificeren. Reden hiervoor is dat ons grenssysteem, RADEX, omvangrijke persoonsgegevens omvat, m.a.w. zowel gegevens van niet-toelatingsplichtigen en toelatingsplichtigen, waaronder tevens toeristen. Gelet op de laatste ontwikkelingen m.b.t. regelgeving in het kader van bescherming persoonsgegevens is het van belang, en ook in het kader van een deugdelijke motivering, om nader te specificeren om welke informatie het hier betreft. Hier kan er gedacht worden aan verscheidene informatie, bijvoorbeeld uitdraai RADEX identities alsook “raw” data m.b.t. reisgedrag. Intern wordt maandelijks een dashboard gecreëerd waarbij deelbare informatie omtrent algemene reisbewegingen van reizigers, zonder het privacy recht en regelgevingen in geding te brengen, gedeeld kan worden. Op het verzoek tweede en derde “bullet”: (…) Op dit verzoek zal erop aan gewerkt worden en op korte termijn zal [betrokkene] de verzochte stukken langs elektronische weg ontvangen. Ter afsluiting, richt ik me eerbiedig aan u met de vraag, wat is de reden voor deze bijzondere verzoek, aangezien dat intern bij de IA kunnen en hebben we de gelegenheid om de ruwe verzochte informatie zelf te veredelen en gemakshalve voor te bereiden. (…)” 3.4 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder besloten verzoeker, met toepassing van artikel 52 van de Lma, tijdelijk met andere ambtelijke werkzaamheden te belasten. Daarin staat – voor zover hier relevant – het volgende: “(…) Sinds mijn aantreden als minister is er tussen u, in uw functie als hoofd van Inmigracion Aruba, en mij een situatie ontstaan die heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk is gebaseerd op meerdere concrete gedragingen en nalatigheden van uw zijde, die ik hieronder uiteenzet. 1. Verzuim van verantwoord leiderschap: Kort na mijn aantreden heeft u verlof opgenomen zonder zorg te dragen voor een adequate waarneming. U heeft nagelaten een waarnemer voor te dragen, hetgeen niet strookt met de verantwoordelijkheden die uw functie met zich brengt. 2. Ondergraving van ministerieel gezag: U heeft voorwaarden gesteld aan mijn verzoek om informatie, terwijl ik als minister daartoe wettelijk bevoegd ben. Het is onaanvaardbaar dat u, als -nota bene- gemandateerde functionaris, mijn bevoegdheid ter discussie stelt en voorwaarden formuleert voor het verstrekken van informatie die onder mijn bevoegdheid valt. 3. Ongepaste uitlatingen: U heeft zich in een Whatsapp-groepschat -herkenbaar als hoofd van Inmigracion- op respectloze en denigrerende wijze over mij uitgelaten, waaronder het gebruik van termen als “koeienpoep” en “leugenaar”. Een kopie van deze communicatie is als bijlage toegevoegd. 4. Onbevoegd handelen: U heeft dispensatiebrieven ondertekend namens de toenmalige minister van Justitie, terwijl noch de minister noch u daartoe bevoegd waren. Op een aantal van de hierboven vermelde gedragingen en tekortkomingen bent u op ambtelijk verantwoorde wijze tijdens een gesprek met mij -in aanwezigheid van een derde- op mijn bureau gehoord. Uw reactie bestond uitsluitend uit de stelling dat sprake zou zijn van misinterpretatie mijnerzijds. Deze verantwoording acht ik ontoereikend en onvoldoende overtuigend in het licht van de ernst en aard van de aan u tegengeworpen gedragingen. Gelet op het vorenstaande is besloten u, met toepassing van artikel 52 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), tijdelijk met andere werkzaamheden te belasten. Met ingang van 27 oktober 2025 wordt u, voor de duur van zes maanden, belast met de coördinatie van het traject tot verzelfstandiging van de afdeling Rijbewijzen, welke thans ressorteert onder het beheer van het Korps Politie Aruba (KPA). U wordt verzocht zich op voormelde datum bij de korpschef te melden teneinde de aanvang van deze werkzaamheden te effectueren. Gedurende deze periode zal voorts een audit plaatsvinden van zowel RADEX als de (financieel) administratieve processen binnen de dienst. De uitkomsten van deze audit zullen mede bepalend zijn of u wel of niet terugkeert naar Inmigracion Aruba. (…)” 3.5 Tegen voornoemde beslissing heeft verzoeker bezwaar gemaakt en onderhavig verzoek gedaan. Wat vraagt verzoeker? 4. Verzoeker verzoekt om schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking totdat op het bezwaar is beslist en om te bepalen dat verweerder gehouden is om verzoeker weer toe te laten tot de uitoefening van zijn functie en de daarbij behorende werkzaamheden als directeur van de IA, althans hem niet langer te verplichten tot het verrichten van andere werkzaamheden. Daartoe voert verzoeker – kort samengevat – aan dat de door verweerder genoemde gronden de artikel 52 Lma-maatregel niet rechtvaardigen, en dat dit artikel niet is bedoeld voor het opleggen van een disciplinaire straf dan wel als alternatief daarvoor. Dit alles maakt dat de bestreden beschikking als onrechtmatig moet worden aangemerkt en in bezwaar naar verwachting geen stand zal houden. Ter voorkoming van onevenredig nadeel is het daarom noodzakelijk dat de gevraagde voorlopige voorziening wordt getroffen, aldus nog steeds verzoeker. Wat staat in de wet? 5.1 Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. 5.2 Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Lma, is de ambtenaar verplicht zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht. Ingevolge het derde lid worden de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de ambtenaar opgedragen door of namens de betrokken minister. Wat vindt het gerecht? 6. Aan verweerder komt de bevoegdheid toe om op grond van artikel 52 van de Lma aan ambtenaren zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden op te dragen. Verweerder heeft bij toepassing van bovengenoemde artikel een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de werkzaamheden. Verweerder dient echter zijn bevoegdheid zorgvuldig en voor het doel waarvoor zij is verleend toe te passen. verbod op détournement de pouvoir 6.1 Verzoeker heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking in strijd is met het verbod op détournement de pouvoir. De aantijgingen aan het adres van verzoeker hebben een strafkarakter. Verweerder had daarom de disciplinaire procedure moeten volgen, aangezien dit voor verzoeker meer waarborgen biedt (zorgvuldig onderzoek, formele tenlastelegging, hoor en wederhoor en een deugdelijke motivering bij strafoplegging). Het willekeurig omleiden van de verweten gedragingen naar de artikel 52 Lma-maatregel is volgens verzoeker in strijd met het genoemde beginsel. 6.2 Het gerecht deelt deze opvatting niet. De beslissing om verzoeker tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen, is gebaseerd op vermeende gedragingen en tekortkomingen in het functioneren van verzoeker als directeur IA, die volgens verweerder hebben geleid tot een vertrouwensbreuk. Verweerder is – zo is ter zitting gesteld – aangevangen met een audit binnen IA (het RADEX-systeem en financiële kwesties), en mede afhankelijk van de uitkomst daarvan zal worden bezien of verzoeker kan terugkeren in zijn functie. Het stond verweerder dan ook in beginsel vrij om te kiezen voor het traject van artikel 52 van de Lma in plaats van de disciplinaire procedure, mits hij zijn bevoegdheid zorgvuldig toepast. Dat (enkele van) de vermeende gedragingen plichtsverzuim zouden kunnen opleveren, betekent niet dat verweerder gehouden is de disciplinaire procedure te volgen. hoor en wederhoor 6.3 Het gerecht heeft ter zitting – uit oogpunt van de voor verweerder te betrachten zorgvuldigheid – de kwestie van hoor en wederhoor aan de orde gesteld. Hoewel artikel 52 van de Lma geen expliciete hoorplicht kent, vloeit uit het zorgvuldigheidsbeginsel voort dat de betrokkene vooraf wordt gehoord over het voornemen hem tijdelijk met andere werkzaamheden te belasten. In dit geval geldt dit temeer nu verweerder verzoeker concrete verwijten maakt over zijn functioneren en zich beroept op een vertrouwensbreuk. 6.4 Verzoeker heeft ter zitting – onweersproken – verklaard dat hij tweemaal op verzoek van verweerder is verschenen: de eerste keer in verband met het vermeende verzuim aan verantwoord leiderschap en ondermijning van ministerieel gezag, de tweede keer wegens vermeend onbevoegd handelen en ongepaste uitlatingen. In beide gevallen werd verzoeker telefonisch benaderd door een assistent van verweerder, met het verzoek zich te melden voor een gesprek, zonder dat vooraf duidelijk werd gemaakt wat het onderwerp daarvan zou zijn. Verzoeker verkeerde in de veronderstelling dat verweerder met hem wilde spreken over beleidszaken en lopende dossiers, en werd pas tijdens de gesprekken geconfronteerd met de werkelijke aanleiding. 6.5 Gelet op deze gang van zaken is het gerecht van oordeel dat verzoeker niet op deugdelijke wijze is gehoord. Aangezien hij tijdens het gesprek voor het eerst met de aantijgingen werd geconfronteerd, heeft hij daar niet adequaat op kunnen reageren en had hij zich daarop niet kunnen voorbereiden. Er lijkt veeleer sprake te zijn geweest van een gesprek waarin verweerder zijn oordeel reeds had gevormd en dit aan verzoeker heeft kenbaar gemaakt. Het gerecht acht het handelen van verweerder in dit opzicht dan ook niet zorgvuldig. Alleen al om die reden zal de bestreden beschikking naar verwachting in bezwaar geen stand houden. vertrouwensbreuk 6.6 Ten aanzien van de door verweerder gestelde vertrouwensbreuk jegens verzoeker stelt het gerecht voorop dat een gebrek aan vertrouwen in een ambtenaar moet berusten op objectief verifieerbare feiten of omstandigheden die een dergelijk vertrouwensbreuk kunnen rechtvaardigen. In dat verband heeft verweerder vier gedragingen aangevoerd, die het gerecht hierna afzonderlijk zal beoordelen. Verzuim van verantwoord leiderschap 6.7 Verweerder stelt dat het niet in overeenstemming is met de verantwoordelijkheden die aan verzoekers functie zijn verbonden, dat hij verlof heeft opgenomen zonder te zorgen voor adequate waarneming. IA is een essentiële dienst, belast met de uitvoering en handhaving van immigratiewet- en regelgeving. Doordat tijdens verzoekers afwezigheid geen waarnemer was aangewezen, konden belangrijke beslissingen die uitsluitend aan de directeur zijn voorbehouden, niet worden genomen, met alle mogelijke gevolgen van dien. 6.8 Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij weliswaar geen formele waarnemer heeft aangewezen, maar dat hij verweerder voorafgaand aan zijn verlof hierover per WhatsApp heeft geïnformeerd. In dat bericht heeft hij aangegeven dat er geen waarnemer zal zijn, maar dat “ cada afdelingshoofd ta keda verantwoordelijk pa su afdeling ” gedurende zijn afwezigheid en dat hij zelf bereikbaar zal blijven voor “ cualquier eventualidad ”. Verweerder heeft kennis genomen van dit bericht en daartegen geen bezwaar gemaakt, noch nadere instructies gegeven. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat het bij IA – evenals bij andere essentiële diensten – in het verleden vaker is voorgekomen dat wegens onderbezetting geen waarnemer werd aangewezen. 6.9 Naar het oordeel van het gerecht kan het enkele feit dat verzoeker tijdens zijn verlof (1 tot en met 11 april 2025) geen waarnemer heeft aangewezen, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van onverantwoord leiderschap aan de zijde van verzoeker. Gesteld noch gebleken is dat de fysieke aanwezigheid van verzoeker, dan wel van een waarnemer, gedurende de verlofperiode onontbeerlijk was. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom, ondanks de aanwezigheid van afdelingshoofden en de bereikbaarheid van verzoeker tijdens zijn verlof, het niet verantwoord zou zijn geweest de dienst tijdelijk zonder directeur of aangewezen waarnemer te laten functioneren. Dit temeer nu het om een relatief korte verlofperiode ging, en evenmin is gesteld of gebleken dat zich in die periode besluiten of andere omstandigheden van zodanig gewicht hebben voorgedaan dat directe aansturing door een directeur of waarnemer vereist was. Zelfs indien dit anders zou zijn geweest, had het op de weg van verweerder gelegen om reeds in een eerder stadium bezwaar te maken tegen het ontbreken van een waarnemer, temeer nu hij daarmee tijdig bekend was. Het gerecht betrekt hierbij tevens dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het, mede gelet op de bestaande onderbezetting, binnen IA (maar ook bij andere essentiële diensten) niet ongebruikelijk is dat bij verlof van korte duur geen waarnemer wordt aangewezen. Van verzuim van verantwoord leiderschap is dus geen sprake. Ondergraving van ministerieel gezag 6.10 Verweerder heeft over dit onderdeel nader toegelicht dat verzoeker zijn ministerieel gezag heeft ondermijnd door in zijn brief van 14 mei 2025 te adviseren om de informatieaanvraag, in verband met de wetgeving inzake gegevensbescherming, nader te specificeren en door te vragen naar de reden van de informatieaanvraag. Volgens verweerder heeft verzoeker daarmee zijn wettelijke bevoegdheid ter discussie gesteld en ten onrechte voorwaarden verbonden aan het verstrekken van informatie die binnen zijn eigen bevoegdheid valt. 6.11 Verzoeker heeft hierover verklaard dat sprake is van een misinterpretatie aan de zijde van verweerder. Hij stelt dat hij enkel heeft verzocht om nadere specificering van de gevraagde informatie, gelet op de aard en de omvang van de gegevens in het RADEX-systeem en de toepasselijke privacywetgeving, zodat hij verweerder beter van dienst kon zijn. 6.12 Het gerecht is van oordeel dat uit de brief van 14 mei 2025 – gelet op de bewoordingen daarvan – op geen enkele wijze blijkt dat verzoeker het ministerieel gezag van verweerder heeft ondermijnd. Verzoeker heeft de informatieverstrekking niet geweigerd, maar enkel gevraagd naar de reden van de aanvraag en om nadere specificering daarvan. Gelet op de aard en omvang van de op te vragen informatie uit het RADEX-systeem (uitgebreide reisgegevens van zowel toelatingsplichtigen als niet-toelatingsplichtigen), acht het gerecht het volkomen begrijpelijk dat hij om opheldering en nadere duiding heeft verzocht. Nergens uit blijkt dat verzoeker verweerders wettelijke bevoegdheid ter discussie heeft gesteld of voorwaarden heeft verbonden aan het verstrekken van informatie die binnen diens bevoegdheid valt. Van ondermijning van verweerders ministerieel gezag is dus geen sprake. Ongepaste uitlatingen 6.13 Niet in geschil is dat verzoeker in een WhatsApp-groepschat met enkele medewerkers van IA heeft bericht dat “ Den e interview bo ta scucha cu Marlin a pidi pa mi ta den e meeting. Anto Minjus ta duna excuse fofo cu tin problema cu email ”, en achter dit bericht een koe- en een poep-emoticon heeft geplaatst. Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij de gebruikte bewoordingen en emoticons betreurt, die in een opwelling zijn geuit binnen een besloten groep collega’s. Hij stelt dat deze uitingen voortkwamen uit frustratie over zijn uitsluiting van een overleg met de vakbond, waarvan de reden volgens hem onjuist werd voorgesteld. De emoticons waren bedoeld om zijn ongeloof daarover te uiten, niet als persoonlijke aanval. Tot slot benadrukt hij dat de chat niet openbaar was. 6.14 Het gerecht stelt voorop dat van een ambtenaar in een leidinggevende functie mag worden verwacht dat hij zich, ook in informele communicatiesettings, professioneel uitlaat. Het gebruik van emoticons, zoals de hierboven genoemde, om een mening te uiten over een uitlating van een ander, is in dat licht bezien weinig professioneel en kan als onhandig worden beschouwd, aangezien deze vorm van communicatie ruimte laat voor misinterpretatie en onvoldoende distantie uitstraalt. Bij de verdere beoordeling acht de rechter echter van doorslaggevend belang dat de reactie van verzoeker in de chat uitsluitend was gericht op de door verweerder gegeven reden voor verzoekers afwezigheid bij het overleg met de vakbond, te weten dat er problemen zouden zijn geweest met de e-mail. Met de gebruikte emoticons heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij deze uitlating als onzinnig beschouwde. Niet is gebleken dat de reactie was gericht tegen verweerder zelf, noch dat deze een beledigend, respectloos of denigrerend karakter had jegens hem. Voorts weegt mee dat de uiting is gedaan binnen een besloten WhatsApp-groep (waaraan deelnamen verzoeker, de beleidsmedewerker/ jurist, twee ICT-medewerkers en de planner/management ondersteuner van IA) en niet in een openbare context. Hoewel het handelen van verzoeker als weinig professioneel kan worden beschouwd en daarmee botst met de norm van goed ambtenaarschap, oordeelt de rechter dat deze gedraging op zichzelf onvoldoende ernstig is om de door verweerder gestelde vertrouwensbreuk te rechtvaardigen. Onbevoegd handelen 6.15 Verzoeker wordt verweten dat hij dispensatiebrieven heeft ondertekend namens de voormalige minister van Justitie en Sociale Zaken, terwijl noch de minister, noch verzoeker daartoe bevoegd waren. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat, ondanks rechterlijke uitspraken waarin de minister belast met het vreemdelingen- en integratiebeleid is aangewezen als bevoegd gezag, verzoeker toch beslissingen heeft genomen over een niet-toelatingsperiode. Verweerder kwalificeert dit als een ernstige nalatigheid in de uitoefening van verzoekers functie als directeur. 6.16 Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij zich ten tijde van het ondertekenen van de dispensatiebrief van 29 augustus 2023 niet bewust was van de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg waarin de minister belast met het vreemdelingen- en integratiebeleid is aangewezen als de bevoegde minister om te beslissen over het al dan niet opheffen of verkorten van een niet-toelatingsperiode. Volgens verzoeker bestond binnen IA al geruime tijd onduidelijkheid over welke minister in dergelijke gevallen bevoegd is. Hij stelt hierover herhaaldelijk om duidelijkheid te hebben verzocht, maar daarop nooit een reactie te hebben ontvangen. Verzoeker benadrukt dat het nooit zijn intentie is geweest om in strijd met de wet te handelen. 6.17 Het gerecht stelt voorop dat uit artikel 11, derde lid, van het Toelatingsbesluit 2009 (Tb) volgt dat de minister belast met vreemdelingen- en integratiebeleid bevoegd is om te beslissen over een periode van niet-toelating. Niet in geschil is dat verzoeker bij mandaatbeschikkingen van 19 april 2021 en 28 juli 2021 door de toenmalige minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, was gemandateerd om namens deze minister – die destijds belast was met het vreemdelingen- en integratiebeleid – beslissingen te nemen over het verkorten of opheffen van een periode van niet-toelating. 6.18 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft bij uitspraak van 15 november 2023 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:216), in lijn met de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van 17 mei 2023, geoordeeld dat op grond van het Tb de minister belast met het vreemdelingen- en integratiebeleid bevoegd is om te beslissen over de periode van niet-toelating, en niet de minister belast met justitiële aangelegenheden. Tot aan deze uitspraak ging de voormalige minister van Justitie en Sociale Zaken – als gevolg van een onjuiste interpretatie van artikel 15, tweede lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting – ervan uit dat hij bevoegd was om te beslissen over perioden van niet-toelating. Dit blijkt uit de zijn beleidsinstructie van 14 juli 2022 en uit het standpunt dat hij innam in de hogerberoepsprocedure die tot bovengenoemde uitspraak heeft geleid. Ook verzoeker ging uit van deze onjuiste veronderstelling. Hoewel hij rechtsgeldig was gemandateerd om beslissingen te nemen over een niet-toelatingsperiode, blijkt uit de dispensatiebrief van 29 augustus 2023 dat hij deze beslissing heeft genomen namens de toenmalige minister van Justitie en Sociale Zaken – en dus namens de onjuiste minister. 6.19 Naar het oordeel van het gerecht kan deze omissie verzoeker desondanks niet worden aangerekend. Niet is gebleken dat hij door de toenmalige minister van Justitie en Sociale Zaken, of door de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, is gewezen op de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van 17 mei 2023. Dat hij de dispensatiebrief van 29 augustus 2023 namens de onjuiste minister heeft ondertekend, kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Dit geldt temeer nu pas bij het Samenwerkingsprotocol Immigratie van 29 november 2023 tussen de minister van Justitie en Sociale Zaken en de minister van Arbeid, Energie en Integratie door deze minister wordt onderkend dat laatstgenoemde bevoegd is om te beslissen over het verkorten of opheffen van een periode van niet-toelating. Niet is gebleken dat verzoeker nadien nog dispensatiebrieven heeft ondertekend namens de minister belast met justitiële aangelegenheden. Van bewust onbevoegd handelen is dan ook geen sprake. CONCLUSIE 7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat vooralsnog onvoldoende is gebleken van objectief gerechtvaardigde gronden voor een gebrek aan vertrouwen van verweerder in verzoeker. Dit betekent dat er geen aanleiding bestaat om verzoeker op grond van artikel 52 van de Lma te verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten. De bestreden beschikking brengt dan ook onevenredig nadeel voor verzoeker met zich. Het gerecht ziet hierin aanleiding het verzoek toe te wijzen en de bestreden beschikking te schorsen totdat op het daartegen gerichte bezwaar is beslist. De schorsing heeft tot gevolg dat verzoeker vanaf vandaag dient te worden toegelaten tot (hervatting van) zijn werkzaamheden als directeur IA. 8. Verweerder dient op navolgende wijze in de kosten te worden veroordeeld. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - schorst de bestreden beschikking van 21 oktober 2025, totdat op het daartegen gemaakte bezwaar zal zijn beslist; - veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris. Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. Informatie over hoger beroep Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld. Beschikkingen over verkorting of opheffing van een periode van niet-toelating worden in informele bewoordingen ook wel dispensatiebrieven genoemd.