Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:6539 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-06-2026 (C/02/419977 FA RK 24-1127)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en gezag aangehouden vanwege ondertoezichtstelling. Geen rekening gehouden met schulden bij beoordeling draagkracht voor kinderalimentatie.

How it connects

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/419977 FA RK 24-1127 datum uitspraak: 1 juli 2026 nadere beschikking betreffende gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. S. Klootwijk, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.M.M. Heesmans. Over de minderjarige: [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna ook: [minderjarige] . 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van 22 november 2024 en alle daarin vermelde stukken; - de brief van de Jeugdprofessional van de gemeente Rucphen van 12 augustus 2025; - de brief van mr. Klootwijk van 20 augustus 2025; - de brief van mr. Heesmans van 26 augustus 2025; - de brief van mr. Heesmans van 1 september 2025; - de brief van mr. Klootwijk van 5 september 2025; - het F9-formulier van mr. Klootwijk van 23 februari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Heesmans van 12 maart 2026 met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Klootwijk van 13 maart 2026 met bijlagen - het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 10 februari 2025. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 24 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. 1.3 Als informant is opgeroepen: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de GI. 1.4 Zoals besproken op de zitting, en met instemming van partijen, zijn er na de zitting nog aanvullende stukken ingediend. De rechtbank heeft ontvangen: - een brief van de GI van 26 maart 2026 met bijlagen; - een F9-formulier van mr. Klootwijk van 31 maart 2026 met bijlagen; - de brieven van mr. Heesmans van 30 maart 2026, met bijlage, en 22 mei 2026. 1.5 De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2 De nog te beoordelen verzoeken 2.1 De verzoeken die er over en weer nu nog ter boordeling voorliggen aan de rechtbank zijn de navolgende. 2.2 De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen: - dat het contact tussen [minderjarige] en de man wordt stopgezet, dan wel dat de man het contact met [minderjarige] wordt ontzegd voor onbepaalde tijd; - dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd en dat de vrouw alleen het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen. 2.3 Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek betreffende de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] (deels) gewijzigd. Zij verzoekt nu: - bepaling dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 250,= per maand (rechtstreeks) aan haar dient te voldoen ten behoeve van zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 2.4 De vrouw heeft haar verzoek tot bepaling dat de man verplicht is om een bedrag van € 2.940,64 te voldoen ter zake van niet betaalde kinderalimentatie op de zitting ingetrokken. Op dit verzoek hoeft daarom niet meer inhoudelijk te worden beslist en zal worden afgewezen. 2.5 De man heeft tijdens de zitting zijn zelfstandig verzoek betreffende de kinderalimentatie gewijzigd. Hij verzoekt nu: - de door hem te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking nader vast te stellen op nihil, althans een in goede justitie vast te stellen bijdrage en ingangsdatum. 3 De nadere beoordeling 3.1 Bij voormelde beschikking van 22 november 2024 in de onderhavige procedure zijn partijen verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA). De beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de zorgregeling en de kinderalimentatie is aangehouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject. 3.2 Uit de overgelegde stukken en hetgeen is verklaard op de zitting is gebleken dat [minderjarige] met ingang van 10 februari 2025 onder toezicht is gesteld. Om die reden is het hulpverleningstraject in het kader van het UHA beëindigd. De onder toezichtstelling is verlengd tot 10 februari 2027. Gezag en zorgregeling 3.3 Tijdens de zitting heeft de vrouw de rechtbank verzocht om de beslissing ten aanzien van haar verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorgregeling aan te houden, in afwachting van de uitkomst van de verdere hulpverlening. Zij heeft tijdens de zitting onder meer het volgende daarvoor aangevoerd. In het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zijn diverse hulpverleningstrajecten opgestart. Er is inmiddels diagnostisch onderzoek uitgevoerd en voor [minderjarige] zal onder meer opnieuw speltherapie worden ingezet. Verder gaan partijen samen een ouderschapstraject bij De Gezinsmanager aan en zal een contacthersteltraject voor de man en [minderjarige] worden opgestart. De informatie die uit de speltherapie naar voren komt, zal ook worden gebruikt voor het ouderschapstraject en het contacthersteltraject bij De Gezinsmanager. Het is dus volgens de vrouw te vroeg om te zeggen dat er inmiddels eindsituatie is ontstaan. Daarom vindt de vrouw dat de beslissing op haar verzoeken nu nog niet moet worden genomen. De vrouw maakt zich daarnaast nog steeds ernstige zorgen over de thuissituatie van de man, zijn mentale toestand en zijn (mogelijke) drugsgebruik. De man heeft verder in het verleden meerdere keren gezegd dat hij mee zou werken aan hulpverlening, maar uiteindelijk deed hij dit steeds niet. De vrouw vreest dat dit mogelijk weer gebeurt en om te voorkomen dat ze dan een nieuwe procedure moet opstarten, wenst zij nu een aanhouding van de beslissing, en geen intrekking van het verzoek. Tenslotte heeft de vrouw op de zitting nogmaals benadrukt dat zij de man een rol gunt in het leven van [minderjarige] , maar dat er ook nog de nodige stappen moeten worden gezet. Zij hoopt oprecht dat de man inziet dat hij daar zelf een grote rol in te spelen heeft, al is het maar door alles te doen wat door de hulpverlenende instanties van hem wordt gevraagd. Dit is allemaal in het belang van [minderjarige] . 3.4 De man heeft, nadat hij zijn standpunt heeft toegelicht, ingestemd met aanhouding van de beslissing over de verzoeken met betrekking tot een zorgregeling. Hij is bereid om aan alles mee te werken dat nodig is om tot contactherstel met [minderjarige] te komen. Die toezegging heeft hij altijd al gedaan, en die doet hij nog steeds. Zo heeft hij ook, op advies van de GI, zichzelf laten onderzoeken en is door de betreffende persoon, werkzaam bij de GGZ, aangegeven dat er rondom zijn persoon(lijkheid) geen bijzonderheden zijn en in ieder geval geen beletselen voor contact met [minderjarige] . Die informatie heeft hij ook met de GI gedeeld. De man vindt het nog steeds erg jammer dat hij [minderjarige] al lange tijd niet heeft gezien of gesproken terwijl daar volgens hem geen goede en gegronde redenen voor zijn. Er had al lang tot contactherstel kunnen worden gekomen. Wat betreft het verzoek om het ouderlijk gezag te wijzigen heeft de man aangegeven dat hij wil dat daar nu wel al een beslissing over wordt genomen. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zou volgens hem al eerder hebben geadviseerd dat het verzoek van de vrouw kan worden afgewezen. De man is van mening dat de situatie onveranderd is en dat die conclusie van de Raad nog steeds gevolgd kan worden. Hij ontkent in ieder geval alle aantijgingen zoals de vrouw deze heeft uitgesproken. 3.5 De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat er in december 2025 een verzoek is ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige] en dat dat verzoek ook is toegewezen. Door meerdere oorzaken is er vertraging ontstaan en krijgt het proces en de hulpverlening in het kader van de OTS nu pas een duidelijke en concrete invulling. De GI verwijst naar (het later ingediende) Werkplan OTS (ondertoezichtstelling). Daaruit volgt dat in de aankomende periode ingezet gaat worden op het behalen van meerdere voorwaarden/doelen en zal telkens de voortgang moeten worden gemonitord. Zo moet er zicht komen op de opvoedvaardigheden en -situatie bij ouders. De afspraken voor deze voorwaarde zijn: - onderzoek naar de vorm en mogelijkheden voor omgang tussen [minderjarige] en vader; - begeleide omgang tussen vader en [minderjarige] als deze opstart; - moeder geeft emotionele toestemming voor omgang met vader; - regie over de omgang bij JBB (de GI); - opvoedondersteuning bij beide ouders voor inzicht en begeleiding waar nodig. Verder is een van de voorwaarde dat [minderjarige] zich leeftijdsadequaat kan ontwikkelen, met de volgende afspraken - diagnostisch onderzoek en aansluitend passende begeleiding/behandeling; ook in relatie met school; - onderzoek van de relatie tussen omgevingsfactoren en school; - emotionele ondersteuning bij het uiten van haar gevoelens. En tenslotte wordt ingezet op de voorwaarde dat de ouders een modus van veilige oudercommunicatie gaan vinden. De afspraken voor deze voorwaarde zijn: - er mogen geen geweld/ruzies/conflicten tussen de ouders plaatsvinden in de aanwezigheid van [minderjarige] ; - ouders kunnen in het belang van [minderjarige] een passende wijze van communicatie toepassen. Aanvullend daarbij heeft de GI tijdens de zitting verklaard dat zij op dit moment onder andere bezig is met het invullen/vorm geven van deze afspraken. De speltherapie is ten tijde van de zitting namelijk nog niet (her)opgestart en de ouderschaps- en contacthersteltrajecten bevinden zich ook nog in de beginfase. Mede gelet hierop heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat ze er achter kunnen staan dat nu nog geen definitieve beslissing wordt genomen ten aanzien van de voorliggende verzoeken (gezag èn contactregeling). Ook zij achten daarom een aanhouding zoals de vrouw dat vraagt aangewezen, een en ander in afwachting van het verdere verloop van alle hulpverlening. 3.6 De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en haar veiligheid niet in gevaar brengt. Verder kan, op grond van artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. 3.7 Uit de ingediende stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is naar voren gekomen dat in het kader van de nog voortdurende OTS meerdere hulpverleningstrajecten lopende zijn of nog (opnieuw) moeten worden opgestart. Zo zal [minderjarige] een (nieuw) traject bij een speltherapeut gaan doorlopen; de eerdere speltherapie was met name gericht op haar emoties. Het advies is nu om de speltherapie voort te zetten, maar dit nu meer te richten op ingrijpende gebeurtenissen (de ruzies tussen ouders) en vertrouwen. Ook moeten partijen nog starten met een ouderschapsbemiddelingstraject, mede om de mogelijkheden voor contactherstel te inventariseren. En als die mogelijkheden er zijn zal daarna het contacthersteltraject tussen de man en [minderjarige] ook nog vorm moeten gaan krijgen. De regie wat betreft het contact tussen [minderjarige] en de man ligt bij de GI en het onderliggende Werkplan is leidend in het kader van het mogelijk contactherstel. In het kader van de OTS zijn derhalve nog veel doelen te behalen en is op meerdere fronten nog geen eindsituatie is ontstaan. De rechtbank acht zich op basis van de nu beschikbare informatie dan ook onvoldoende geïnformeerd om (definitief) te kunnen beoordelen of redelijkerwijs te verwachten is dat zich in de toekomst één of meerdere contra-indicaties voor gezamenlijk gezag kunnen voordoen en hoe een mogelijke contactregeling er uit moet komen te zien, in het belang van [minderjarige] . Nu is niet vast te stellen of de doelen uiteindelijk haalbaar en realistisch zullen zijn. De rechtbank zal de definitieve beslissing ten aanzien van het gezag èn de zorgregeling aanhouden tot de einddatum van de lopende ondertoezichtstelling, zijnde 10 februari 2027. 3.8 De rechtbank hecht er tenslotte aan op te merken dat zij ervan uitgaat dat zowel de vrouw als de man nu onvoorwaardelijk hun medewerking zullen gaan geven aan alle trajecten met onder meer als doel om te komen tot herstel in het contact tussen de man en [minderjarige] , waarbij zij het belang van [minderjarige] voorop stellen en een waarborg wordt gegeven voor de veiligheid van [minderjarige] . Kinderalimentatie 3.9 In artikel 8.3 van het ouderschapsplan hebben partijen afspraken over de kosten van [minderjarige] vastgelegd. Dit artikel luidt als volgt: “De ouders kiezen voor co-ouderschap. Dat betekent dat ouders ieder de eigen kosten van Inwoning van [minderjarige] dragen wanneer zij bij hen is. De kindgebonden kosten worden betaald van een rekening die gezamenlijk wordt aangehouden. Van deze en/of rekening heeft iedere ouder een pinpas. De ouders zijn elkaar rekening en verantwoording verschuldigd van hun opnames en zijn bij opheffing van deze rekening leder naar rato van hun bijdragen gerechtigd tot het saldo. De ouders wensen geen specifieke afspraken vast te leggen over welke kosten wel en welke kosten niet maandelijks worden voldaan vanaf de kinderrekening. Met ingang van de eerste dag van de maand na het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant, stort de vader maandelijks € 150,= op deze kinderrekening zolang [minderjarige] minderjarig is. De ouders komen met elkaar overeen dat betalingen uitsluitend met de pin worden voldaan. Deze berekening is erop gebaseerd dat de kinderbijslag voor [minderjarige] rechtstreeks op de gezamenlijke kinderrekening wordt overgemaakt. Indien een of beide ouders zijn of haar bijdrage aan de kinderrekening niet of niet geheel voldoet, de afspraken niet nakomt, of er sprake is van onenigheid omtrent de kindertekening dan zien de ouders dat als een wijziging van omstandigheden welke aanleiding kan zijn om de afspraken over de kinderalimentatie aan te passen. De wettelijke indexatie is van toepassing voor het eerst per 1 januari 2023.” 3.10 De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Sinds de ondertekening van het ouderschapsplan heeft de man een tijd lang geen kinderalimentatie op de kinderrekening gestort. In artikel 8.3 staat dat indien een of beide ouders zijn of haar bijdrage aan de kinderrekening niet of niet geheel voldoet, de afspraken niet nakomt of er sprake is van onenigheid omtrent de kinderrekening, de ouders dat zien als een wijziging van omstandigheden die aanleiding kan zijn om de afspraken over de kinderalimentatie aan te passen. Daarnaast is er geen sprake van meer co-ouderschap. 3.11 De man voert verweer. Hij betwist onder meer de draagkracht te hebben tot betaling van de verzochte onderhoudsbijdrage. Wijziging van omstandigheden 3.12 Tijdens de zitting is met en door partijen vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan de eerder in het ouderschapsplan opgenomen financiële regeling over de kosten van [minderjarige] gewijzigd moet worden. Zo is vastgesteld dat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling niet meer wordt uitgevoerd en daarnaast dat er een wijziging is gekomen in het inkomen van in ieder geval de vrouw. Verder staat tussen partijen vast dat de man enige tijd de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] niet heeft betaald. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de door partijen gedane verzoeken. Ingangsdatum 3.13 Nadat partijen tijdens de zitting kort hun standpunten ten aanzien van de ingangsdatum en de door de man gedane betalingen hebben toegelicht, hebben partijen desgevraagd bevestigd dat indien en voor zover het bedrag aan alimentatie wordt gewijzigd, de ingangsdatum de datum van deze af te geven beschikking zal zijn. De rechtbank volgt partijen hierin. Behoefte van [minderjarige] 3.14 Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. 3.15 Nadat de zitting voor korte tijd geschorst is geweest, hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij het alsnog eens zijn over de behoefte van [minderjarige] . Deze is door partijen vastgesteld op € 611,64 per maand in 2026. Dit is de basisbehoefte van € 500,= per maand in 2021, zijnde het laatste (volledige) jaar dat partijen samen waren, vermeerderd met de wettelijke indexering. Draagkracht van partijen 3.16 Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige] tussen de onderhoudsplichtige ouders zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van een kind tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. De vrouw 3.17 Tussen partijen staat vast dat de vrouw een draagkracht heeft van € 25,= per maand. Dit is gebaseerd op de berekening die de vrouw heeft gemaakt (productie 23), en waarin zij is uitgegaan van een jaarinkomen van € 13.378,= bruto ( [bedrijf 1] ) en een kindgebonden budget van € 5.900,= per jaar. De rechtbank volgt partijen in hun standpunt en gaat hier ook van uit. De man 3.18 Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de man een NBI heeft van € 2.274,= per maand, zulks gebaseerd op een jaarinkomen van € 29.598,= bruto. De man is sinds 1 juli 2025 in dienst bij [bedrijf 2] B.V. Hij verdiende daar (in de tweede helft van 2025) een inkomen van € 14.799,= bruto. Partijen hebben dit omgerekend naar een jaar en volgens hen komt dit neer op voormeld inkomen van € 29.598,=. De rechtbank volgt partijen hierin. 3.19 Partijen verschillen van mening of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met een aantal aflossingsverplichtingen die de man heeft ter zake van meerdere schulden. 3.20 De man voert ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aan. Hij heeft een totale schuldenlast van om en nabij de 70 à 80 duizend euro. Het grootste deel van de schuldenlast wordt gevormd door een schuld aan de Belastingdienst voor niet afgedragen inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringswet. Ondanks deze hoge schuldenlast wil de man dat in het kader van de berekening van zijn draagkracht voor kinderalimentatie slechts rekening wordt gehouden met een beperkt aantal schulden en een aantal aflossingsverplichtingen (totaal € 500,=) die hij nu heeft. Zo heeft hij een persoonlijk krediet waar hij nu € 100,= per maand op aflost aan [B.V. 1] Tijdens zitting heeft man toegelicht dat deze schuld stamt uit 2022, dat deze te maken heeft gehad met een aanpassing van de voormalig echtelijke woning en dat hij sinds kort € 100,= per maand hierop aflost. Verder lost hij een bedrag van € 300,= per maand af op een schuld die hij heeft aan [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). De man heeft toegelicht dat deze schuld is ontstaan rondom mei 2024, dat de schuld eerst hoger was en dat nu nog een bedrag van € 1.200,= dient te worden afgelost. Ten slotte heeft de man aangegeven dat hij ook nog maandelijks een bedrag van € 100,= aflost bij [B.V. 3] (hierna [B.V. 3] ) in verband met achterstallige leges voor de aanvraag van een vergunning. Deze schuld is ontstaan in 2025 en de man dient het totale bedrag in twaalf maanden af te lossen. De man heeft toegelicht dat hij nu in de derde maand zit van zijn aflossingsschema. 3.21 De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat met de schulden geen rekening moet worden gehouden. 3.22 De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige rekening te houden met alle uitgaven die voor de bepaling van die draagkrachtkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn. Op de draagkracht zijn in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. Wel kan er reden zijn om aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als die schulden na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen. 3.23 De rechtbank houdt geen rekening met de aflossingsverplichting aan [B.V. 2] en [B.V. 3] . Uit de toelichting van de man op de zitting is gebleken dat hij nog een paar maanden deze aflossingsverplichtingen heeft, maar dat daarna beide schulden volledig zijn ingelost. Nu de kinderalimentatie wordt vastgesteld voor de langere termijn, acht de rechtbank het niet redelijk om rekening te houden met deze schulden. Dit nog los van het feit dat de man ter onderbouwing van beide schulden slechts één aflossingsbewijs aan [B.V. 3] en één aflossingsbewijs aan [B.V. 2] (productie 5: twee bankafschriften) overlegt. Overige stukken, zoals bijvoorbeeld een bewijs van de (oorspronkelijke) hoofdsom heeft de man niet in het geding gebracht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan [B.V. 2] is aan te merken als een verwijtbare last, omdat de man blijkens zijn toelichting kennelijk een concurrentiebeding heeft geschonden. Ook om die reden zou de schuld aan [B.V. 2] buiten beschouwing moeten worden gelaten. 3.24 De vrouw heeft betwist dat met de schuld ter zake van het persoonlijk krediet rekening moet worden gehouden, omdat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt wat de reden is geweest voor het afsluiten van het krediet en hoe hoog de hoofdsom van dit krediet was en hoe hoog het bedrag is dat nog moet worden ingelost. Gelet op de gemotiveerde betwisting ligt het op de weg van de man om deze last nader te onderbouwen met bewijsstukken. Hij volstaat echter met overlegging van een enkel bankafschrift van 26 februari 2026. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor deze door de man opgevoerde last en dit komt voor zijn rekening en risico. Met het persoonlijk krediet wordt daarom ook geen rekening gehouden. 3.25 Zoals hiervoor al is overwogen zijn partijen het erover eens dat de man een NBI heeft van € 2.274,= per maand. Zij hebben allebei een berekening in de procedure gebracht waaruit dit blijkt en waarin zij dezelfde uitgangspunten hanteren. De man heeft in zijn berekening echter, in tegenstelling tot de vrouw, zijn draagkrachtloos inkomen verhoogd vanwege de door hem opgevoerde schulden. Nu de rechtbank met die schulden geen rekening houdt, volgt de rechtbank ter bepaling van de draagkracht van de man de berekening van de vrouw. Uit die berekening volgt dat de man een draagkracht heeft van € 197,= per maand. 3.26 De totale draagkracht van partijen is € 222,= ( € 25,= + € 197,=). Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de behoefte van [minderjarige] van € 611,64 per maand. 3.27 Partijen zijn het erover eens dat op dit moment geen zorgkorting toegepast moet worden. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van [minderjarige] moet voorzien. Conclusie 3.28 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 197,= per maand en daarbij bepalen, in overeenstemming met het niet weersproken verzoek van de vrouw, dat de man die bijdrage voortaan rechtstreeks aan de vrouw moet betalen. 3.29 De rechtbank ziet aanleiding om de kinderalimentatie nu al definitief vast te stellen. Het is aan partijen zelf om op het moment dat er structureel contact is tussen de man en [minderjarige] , en de man dus aanspraak kan maken op een zorgkorting, in onderling overleg met elkaar te bezien of de kinderalimentatie aanpassing behoeft en zelf, met inachtneming van de uitgangspunten in deze beschikking, een nieuwe te berekening maken. 4 De beslissing De rechtbank 4.1 wijzigt voormeld ouderschapsplan als volgt: 4.2 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld op € 197,= (honderdzevenennegentig euro) per maand, voor de toekomst door de man bij vooruitbetaling rechtstreeks aan de vrouw te voldoen; 4.3 wijst het meer of anders verzochte wat betreft de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige af; 4.4 houdt de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het ouderlijk gezag en de zorgregeling aan tot 10 februari 2027 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Similar Content