Rechtbank Midden-Nederland, 15-07-2026 (C/16/609383 / BE ZA 26-13)
Erfrecht, erflaatster heeft in haar testament bepaald dat haar dochter erfgenaam is voor een deel gelijk aan de legitieme portie en zij heeft in haar testament zelf al een verdeling gemaakt, in die zin dat alle goederen van de nalatenschap zijn toegedeeld aan gedaagde (een andere erfgenaam) onder de last om het erfdeel van de dochter te voldoen. De bewindvoerder van de dochter vordert op grond van artikel 223 Rv (voorlopige voorziening in een lopende procedure) een afschrift van stukken die nodig zijn om de omvang van het erfdeel van dochter te kunnen berekenen. De vordering kan niet op dit wetsartikel worden gegrond. Artikel 4:78 BW biedt wel een grondslag voor de vordering. Dit artikel is namelijk naar analogie van toepassing.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Midden-Nederland Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/609383 / BE ZA 26-13 Vonnis van 15 juli 2026 in het incident in de zaak van [partij 1] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] (hierna: de zus), wonend in [woonplaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. S. Meeuwsen, tegen [partij 2] , in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: erflaatster), wonend in [woonplaats 2] , gedaagde partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: de executeur, advocaat: mr. H.C.J. Coumou. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding tevens incidentele vordering van 26 maart 2026, met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv en in de hoofdzaak. 1.2. Daarna is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen. 2 Waar gaat de zaak over? 2.1. Op [2023] is erflaatster overleden. Zij was de moeder van de zus, de executeur en de heer [A] (hierna: de broer). Hun vader is overleden op [2001] . Vanwege de ouderlijke boedelverdeling hebben de kinderen een vordering gekregen op erflaatster, die bij haar overlijden opeisbaar is geworden. 2.2. Erflaatster heeft voor het laatst een testament gemaakt op 22 maart 2002. Hierin heeft zij de zus en de broer tot erfgenamen benoemd ter grootte van de legitieme portie en de executeur tot erfgenaam voor het resterende gedeelte van haar nalatenschap. In haar testament heeft zij daarnaast alle activa van haar nalatenschap toebedeeld aan de executeur onder de last alle schulden als eigen schulden te voldoen en aan de zus en de broer hun erfdeel uit te betalen binnen acht maanden na haar overlijden. 2.3. De bewindvoerder heeft in het incident – samengevat – op grond van artikel 223 Rv gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de executeur veroordeelt tot afgifte van i) een taxatierapport van de woning van erflaatster, ii) een taxatierapport van de inboedel, iii) de bankafschriften van alle bankrekeningen van erflaatster over de periode van 2018 tot en met de datum van dagvaarding, en iv) de berekening van de vordering van de kinderen inzake de nalatenschap van de vader, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de executeur in de kosten in het incident. In de hoofdzaak vordert de bewindvoerder onder meer dat de rechtbank de executeur veroordeelt tot betaling aan de zus van i) een bedrag van ten minste € 15.660,00 voor wat betreft de vordering inzake de nalatenschap van de vader, en ii) het aan de zus toekomende erfdeel van ten minste € 37.953,00 in de nalatenschap van erflaatster. 2.4. De executeur heeft geconcludeerd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de bewindvoerder niet-ontvankelijk verklaart in haar incidentele vorderingen, althans deze vorderingen afwijst, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten in het incident. 3 De beoordeling In het incident Rechtsgrond vordering 3.1. De bewindvoerder baseert haar vordering tot afgifte van taxatierapporten en andere bescheiden op artikel 223 Rv, dat partijen de mogelijkheid biedt om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening (voorlopige maatregel) treft voor de duur van de hoofdprocedure. 3.2. De executeur voert het verweer dat een incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv niet mogelijk is. Een vordering tot veroordeling tot afgifte van taxatierapporten en bescheiden heeft namelijk naar haar aard een definitief karakter en reikt verder dan de duur van het geding. 3.3. De rechtbank is het met de executeur eens dat artikel 223 Rv niet als rechtsgrond kan dienen voor de vordering tot afgifte van taxatierapporten en bescheiden. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de rechtbank echter ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. Dat zal zij hierna in 3.5. doen. Maar eerst wordt het volgende opgemerkt. 3.4. Erflaatster heeft de executeur aangewezen tot executeur en hij heeft die benoeming aanvaard. De executeur heeft in de conclusie van antwoord vermeld dat de bewindvoerder de nalatenschap namens de zus beneficiair heeft aanvaard en dat hij als executeur geen ruimschoots-verklaring heeft afgelegd. Of de executeur een dergelijke verklaring heeft afgelegd, is echter niet relevant, nog daargelaten dat de executeur niet duidelijk heeft gemaakt wat dit volgens hem voor de vorderingen betekent. Waar het om gaat, is of de executeur kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Hier heeft de executeur niets over gezegd. Uit de aangifte van erfbelasting blijkt in ieder geval dat de waarde van de goederen de omvang van de schulden ruimschoots overtreft. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de executeur nog in functie is. 3.5. De zus is erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster en heeft zoals vermeld recht op haar erfdeel ter grootte van de legitieme portie. Als erfgenaam in een onverdeelde nalatenschap zou de zus in haar hoedanigheid van erfgenaam recht hebben gehad op de genoemde stukken. Omdat erflaatster de nalatenschap echter zelf in haar testament al heeft verdeeld en het erfdeel van de zus heeft vastgesteld op een geldbedrag ter hoogte van de legitieme portie, heeft de zus alleen recht op informatie als de wettelijke bepalingen over de legitieme portie (naar analogie) worden toegepast. Dit sluit ook aan bij wat erflaatster in haar testament heeft bepaald: ‘het begrip ‘legitieme portie’ zal worden uitgelegd en berekend overeenkomstig de ten tijde van mijn overlijden geldende wettelijke bepalingen’ . 3.6. Over de legitieme portie bepaalt de wet onder meer het volgende. Een legitimaris die geen erfgenaam is kan op grond van artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) tegenover de executeur aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. In dit artikel staat ook dat de executeur hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen moet geven. Dit is een ruime informatieverplichting. Daarbij is van belang dat de legitieme portie op grond van artikel 4:65 BW wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met bepaalde giften en verminderd met bepaalde schulden. Het gaat om de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip van overlijden van erflaatster, zo volgt tot slot uit artikel 4:6 BW. 3.7. Hoewel in dit geval de zus wel erfgenaam is, heeft (de bewindvoerder namens) de zus naar analogie van artikel 4:78 BW recht op inzage en een afschrift van alle bescheiden die nodig zijn om haar legitieme portie te berekenen. 3.8. Hierna zal worden beoordeeld of de gevorderde stukken moeten worden verstrekt. Taxatierapport van de woning 3.9. De bewindvoerder vordert afgifte van een taxatierapport van de waarde van de woning op datum overlijden van erflaatster. De executeur heeft aangevoerd dat er geen taxatierapport van de woning voorhanden is. Hij heeft altijd in de woning gewoond; eerst samen met erflaatster en daarna (toen zij naar een verzorgingshuis verhuisde) alleen. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 357.000,00. Hij zal niet in staat zijn om de hypothecaire schuld over te nemen. Hij is alleenstaand, kampt met forse gezondheidsklachten en is arbeidsongeschikt. Om de schuld aan de zus en de broer te kunnen voldoen, zal hij de woning moeten verkopen. Hij beschikt ook niet over de financiële middelen om een taxatierapport te laten opstellen. De rechtbank heeft begrip voor zijn situatie. Toch zal hij een taxatierapport moeten laten maken, zodat kan worden vastgesteld wat de woning op [2023] waard was. De WOZ-waarde is in de regel namelijk lager dan de waarde in het economisch verkeer. De executeur zal daarom worden veroordeeld om dit rapport aan (de bewindvoerder van) de zus te verstrekken. Daarvoor zal hem een termijn worden gegeven van drie maanden na de datum van dit vonnis. Taxatierapport van de inboedel 3.10. De bewindvoerder vordert afgifte van een taxatierapport van de waarde van de inboedel op datum overlijden van erflaatster. De executeur heeft aangevoerd dat er (ook) geen taxatierapport van de inboedel voorhanden is. Hij heeft erop gewezen dat de inboedel vooral persoonlijke eigendommen (de rechtbank begrijpt: spullen zonder veel waarde) en memorabilia bevat, zodat de kosten van een taxatierapport de waarde van de inboedel vermoedelijk zullen overstijgen. De zus mag van de executeur uit de inboedel meenemen wat zij wenst. De rechtbank zal de vordering ook op dit onderdeel toewijzen. De executeur heeft in verschillende e-mails aan (de advocaat van) de bewindvoerder een opsomming gegeven van de inboedel, maar de waarde is hem onbekend, zo heeft hij gesteld. De rechtbank stelt vast dat hij ook niet heeft geprobeerd om de waarde van de inboedel te schatten. De bewindvoerder kan zo niet beoordelen wat de waarde van de inboedel van erflaatster was toen zij overleed. Een taxatierapport is daarom nodig en moet aan (de bewindvoerder van) de zus worden verstrekt. Ook voor het laten opstellen van dit taxatierapport zal aan de executeur een termijn worden gegeven van drie maanden na de datum van dit vonnis. Bankafschriften van alle bankrekeningen van erflaatster vanaf 2018 tot en met heden 3.11. Voor de berekening van de legitieme portie van de zus heeft (de bewindvoerder namens) de zus recht op inzage in de bankafschriften van alle bankrekeningen van erflaatster vanaf 2018. Anders dan de bewindvoerder meent, hoeven er voor de berekening van de legitieme portie geen bankafschriften te worden verstrekt tot de datum van dagvaarding (18 maart 2026). De bewindvoerder heeft aangevoerd dat zij wil zien of er nog “nagekomen baten” zijn ontvangen. De rechtbank begrijpt dat zij hiermee doelt op teruggave van vooruitbetalingen die erflaatster heeft gedaan, dus op betalingen die betrekking hebben op de periode na haar overlijden. Deze teruggave zal in de regel binnen drie maanden na overlijden wel hebben plaatsgevonden. De executeur zal daarom worden veroordeeld tot afgifte van de bankafschriften van alle bankrekeningen vanaf vijf jaar voor de datum van overlijden tot en met drie maanden na deze datum, dus tot 23 augustus 2023. Ook hiervoor zal hem een termijn worden gegeven van drie maanden na de datum van dit vonnis. 3.12. Dat er geen verklaring executele is opgemaakt waarmee de executeur de bankafschriften kan opvragen, doet aan de hiervoor genoemde verplichting niet af. De executeur zal ervoor moeten zorgen dat de verklaring van executele alsnog wordt opgemaakt. Deze is nu eenmaal nodig om de nalatenschap te kunnen afwikkelen. De berekening van de vordering van de kinderen inzake de nalatenschap van de vader 3.13. De bewindvoerder heeft erop gewezen dat in de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflaatster is vermeld dat deze vordering € 15.560,00 per kind bedraagt. Om te kunnen vaststellen of dit bedrag juist is, wil zij de berekening zien met onderliggende stukken. De executeur heeft er op zijn beurt op gewezen dat het hier gaat om een vordering die vijfentwintig jaar geleden is ontstaan. Hij weet niet hoe de nalatenschap van vader destijds is afgewikkeld en beschikt niet over de onderliggende gegevens. In overleg met vrijwilligers van (onder meer) het wijkteam heeft hij de aangifte opgesteld. Hij zal degene die hem hierbij heeft geholpen, vragen waarom dit bedrag in de aangifte is vermeld. De rechtbank zal de executeur veroordelen om een afschrift van de brief of e-mail waarin hij dit verzoek doet en het schriftelijke antwoord van deze persoon aan de bewindvoerder te verstrekken. Ook hiervoor zal hem een termijn worden gegeven van drie maanden na de datum van dit vonnis. Dwangsom 3.14. Uit het voorgaande volgt dat het merendeel van de vorderingen zal worden toegewezen. De executeur moet dus in actie komen. Om ervoor te zorgen dat dit ook gebeurt, zal aan de veroordeling tot afgifte van de bankafschriften een dwangsom worden verbonden van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de executeur de hiervoor genoemde stukken niet na de genoemde termijn van drie maanden verstrekt. Zoals vermeld, heeft de rechtbank echter begrip voor de (financiële) situatie waarin de executeur zegt te verkeren. De dwangsom zal daarom worden gemaximeerd op € 2.500,00. 3.15. Als de executeur ondanks de dwangsom niet in actie komt, zouden de bewindvoerder of de broer de kantonrechter kunnen verzoeken hem te ontslaan. De executeur zou ook zelf kunnen verzoeken om zijn ontslag. In beide gevallen zal de bewindvoerder namens de zus zelf in staat zijn om een taxatierapport te laten opstellen en bankafschriften op te vragen. Hoewel de zus slechts een vordering heeft gekregen in geld, is zij wel “gewoon” erfgenaam. Dat zal dan ook in een verklaring van erfrecht kunnen worden bevestigd. Proceskosten 3.16. Omdat sprake is van een familieverhouding, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat ieder de eigen kosten moet dragen. In de hoofdzaak Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding 3.17. Anders dan de executeur stelt, is in deze zaak geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover de executeur hiermee heeft bedoeld te zeggen dat ook de broer in de procedure moet worden betrokken, is dit dus onjuist. Zoals hiervoor in randnummer 2.2 vermeld, zijn alle goederen van de nalatenschap aan de executeur toebedeeld. Hij moet het erfdeel van de zus en de broer uitbetalen ter grootte van hun legitieme portie. De nalatenschap hoeft dus niet meer te worden verdeeld; er moet slechts een bedrag aan de zus worden voldaan. Dat ook de broer een vordering heeft op de executeur, maakt niet dat hij in deze procedure moet worden betrokken. Rolverwijzing voor akte 3.18. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 11 november 2026, zodat de bewindvoerder haar vorderingen (wat betreft hun omvang) kan concretiseren. De executeur zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om daarop in een antwoordakte te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 4 De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. veroordeelt de executeur om uiterlijk op 15 oktober 2026 aan de bewindvoerder te verstrekken: een taxatierapport van de waarde van de woning per [2023] ; een taxatierapport van de waarde van de inboedel per [2023] ; de bankafschriften van alle bankrekeningen van erflaatster vanaf 23 mei 2018 tot en met 23 augustus 2023; een kopie van de brief of e-mail en van het schriftelijke antwoord daarop als genoemd in 3.13, 4.2. veroordeelt de executeur om aan de bewindvoerder een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt, 4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.4. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, 4.5. wijst de vordering voor het overige af, in de hoofdzaak 4.6. verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2026 waarop de bewindvoerder een akte kan nemen waarin de omvang van de vorderingen wordt geconcretiseerd, 4.7. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.