Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8109 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 11-08-2026 (13-296186-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie en vervolgings-EAB Polen. Tussenuitspraak. Sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Lijstfeit. Aanhouding op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-296186-25 Datum uitspraak: 11 augustus 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2025 door de Regional Court in Częstochowa , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB ziet zowel op vervolging van de opgeëiste persoon als op tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Vervolging van de opgeëiste persoon Het EAB vermeldt​​​​​​​ een decision of the District Court in Lubliniec van 25 april 2025, met referentie: II Kp 99/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. Tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf Het EAB vermeldt daarnaast een judgement of the District Court in Lubliniec van 18 oktober 2023, met referentie: II K 386/23. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren en acht maanden. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het executiegedeelte aanvullende vragen gesteld moeten worden aan de Poolse autoriteiten ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De betrokkene was niet in persoon aanwezig op de zitting, omdat hij destijds gedetineerd was en niet door het transportbusje is opgehaald. Daarnaast is onduidelijk of zijn advocaat gemachtigd was om namens hem het woord te voeren. Ook is het, ten aanzien van de aanwezigheid van de opgeëiste persoon, onduidelijk door de formulering “ and/or ” in onderdeel d) van het EAB op welk vonnis deze verwijzing slaat. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard, waardoor de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW zich voordoet. De opgeëiste persoon wilde niet mee op transport en heeft ervoor gekozen om niet deel te nemen aan het proces. Oordeel van de rechtbank Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 19 september 2023 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Daarmee oordeelt de rechtbank dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Daarnaast staat onderdeel d) van het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon in voorarrest heeft gezeten en dat hij niet wilde deelnemen aan de zitting. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om hieraan te twijfelen. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen ten aanzien van welk feit het lijstfeit is aangekruist. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit is aangekruist ten aanzien van beide feiten. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW 6.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben of een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2. Poolse detentieomstandigheden in remand prisons Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. Op 16 juni 2026 heeft het IRC vervolgens de volgende aanvullende vragen gesteld: “1. Could you please inform me whether [de opgeëiste persoon] , immediately after surrender, will most likely be detained in the remand regime in Poland? 2. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender? 3. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s): 4. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell? 5. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell? The Court requests information on: Which activities the wanted person can participate in; The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.); The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell; Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill- treatment has been discounted.” Op 2 juli 2026 heeft het IRC een rappel aan de Poolse autoriteiten gestuurd en aangegeven dat zij nog in afwachting is van de gevraagde informatie. Op 13 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit te kennen gegeven dat het verzoek ter behandeling is voorgelegd aan de rechter, die bezig is met het opstellen van een antwoord. Ten tijde van de zitting is nog geen reactie ontvangen op de door het IRC gestelde vragen. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Na meerdere rappels hebben de uitvaardigende autoriteiten nog geen antwoord verstrekt. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen dienen te worden gesteld ten aanzien van de detentieomstandigheden in Polen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht om de zaak aan te houden en een redelijke termijn te stellen om de antwoorden van de Poolse autoriteit af te wachten. Oordeel van de rechtbank Van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit is geen reactie gekomen op het verzoek en de rappels daarop om informatie over, kort gezegd, de vraag of de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid in een remand prison zal worden gedetineerd en, zo ja, in welke remand prison hij naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden daar zijn voor wat betreft de tijd die hij buiten zijn cel kan doorbrengen. Het vastgestelde algemene gevaar is dan ook niet weggenomen en de rechtbank stelt daarom vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 2 september 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen. Op grond van artikel 27, derde lid, OLW zal de gevangenhouding eveneens met zestig dagen worden verlengd. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor het verstrijken van de beslistermijn (op 1 november 2026) opnieuw op zitting zal worden gepland. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen (eindigend op 1 november 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793 en ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.

Similar Content