Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:6842 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-07-2026 (BRE 26/94)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand tandartskosten. De Zvw is een toereikende en passende voorliggende voorziening. Geen sprake van zeer dringende redenen/ acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid van de PW.

How it connects

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/94 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor tandartskosten op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is . Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor tandartskosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 augustus 2025 afgewezen. 2.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 10 december 2025 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via een digitale verbinding deelgenomen: eiser en namens het college [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de PW. Hij heeft op 12 mei 2025 een tandheelkundige behandeling ondergaan. Eiser is verzekerd via de collectieve ziektekostenverzekering van de gemeente, waarmee een gedeelte van de tandartskosten is vergoed. Eiser heeft op 13 augustus 2025 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eigen bijdrage voor deze behandeling. Het gaat om een bedrag van € 167,04. Het bedrag is vanwege incassokosten opgelopen tot € 209,40. 4. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat voor tandartskosten geldt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening wordt gezien en daarom geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. Daarnaast wordt volgens de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Schouwen-Duiveland 2020 (de Beleidsregels) voor eigen bijdragen op grond van de aanvullende ziektekostenverzekering geen bijzondere bijstand verstrekt. Heeft het college terecht geconcludeerd dat de Zvw een toereikende en passende voorliggende voorziening is? 5. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op (bijzondere) bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 5.1. Artikel 9, eerste lid, van de Beleidsregels bepaalt dat de basis ziektekostenverzekering en een aanvullende ziektekostenverzekering naar aard en doel toereikend worden geacht. Volgens het vijfde lid van dit artikel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor eigen bijdragen op grond van de aanvullende ziektekostenverzekering. 5.2. Eiser betwist dat de Zvw een toereikende voorliggende voorziening is. Na de vergoeding door zijn basisverzekering en aanvullende verzekering blijft een restbedrag over. Omdat de Zvw de tandartsbehandeling niet volledig dekt, is deze voorziening niet toereikend. Eiser verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaruit volgens hem blijkt dat gemeenten een individuele beoordeling moeten maken bij medische noodzaak en dat de Zvw niet altijd toereikend is bij niet-volledige vergoeding. 5.3. Volgens de betreffende rechtspraak, waar zowel eiser als het college naar verwijzen, is de Zvw in beginsel een voorliggende, toereikende en passende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. In deze wet, in samenhang met artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het niet of niet geheel vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Anders dan eiser stelt, is dit ook het geval als de gemaakte kosten niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. Hetzelfde geldt voor de door eiser gestelde noodzaak. 5.4. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de Zvw een toereikende en passende voorliggende voorziening is. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW en artikel 9, vijfde lid, van de Beleidsregels komen de door eiser gevraagde kosten naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking voor bijzondere bijstandsverlening. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen? 6. Het college kan aan iemand die op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. 6.1. Volgens vaste rechtspraak is van zeer dringende redenen slechts sprake in geval van een acute noodsituatie, dat wil zeggen een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Het moet gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. De bewijslast dat sprake is van zeer dringende redenen ligt bij eiser. 6.2. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de uitzonderingsmogelijkheid niet heeft toegepast. De incassobrief leidt tot verdere zorgonthouding, met blijvend letselrisico. Eiser heeft zijn standpunt gebaseerd op informatie van zijn tandarts en verwijst naar diens verklaring van 4 juni 2025. In deze verklaring concludeert de tandarts dat sprake is van een aantoonbare medische noodzaak voor de vervaardiging en het gebruik van de partiële prothese. Volgens eiser levert het besluit op dit moment nog geen directe levensbedreigende situatie op, maar in combinatie met de verdere diagnoses is de situatie zeer dringend. Zonder de bijzondere bijstand verslechtert eisers gezondheid structureel. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht geconcludeerd dat de enkele omstandigheid dat de betreffende tandheelkundige behandeling volgens de tandarts medisch noodzakelijk was, niet maakt dat sprake was van een acute noodsituatie. Eiser stelt weliswaar dat het onthouden van (bijzondere) bijstand voor noodzakelijke zorg hem dwingt tot zorguitstel en dat dit een negatieve impact heeft op zijn gezondheid en levenskwaliteit, maar de benodigde behandeling is voorafgaand aan de aanvraag al uitgevoerd. Uit de verklaring van de tandarts blijkt dat de behandeling een positieve invloed heeft op eisers gezondheidstoestand en voedselinname. De rechtbank concludeert dat daarmee geen sprake kan zijn van zorguitstel en risico op ernstig letsel, en ook overigens is van (verdere) zorgonthouding niet gebleken. Er is dus ook geen sprake van een acute noodsituatie. Ter zitting is gebleken dat de rekening inmiddels is betaald. 6.4. De rechtbank oordeelt dat eiser met de door hem overgelegde informatie en de ter zitting gegeven toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om een acute noodsituatie in die zin dat sprake is van een schrijnende situatie waarvan evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om artikel 16, eerste lid, van de PW toe te passen. 6.5. De stelling van eiser dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat er geen onderzoek is gedaan naar zijn volledige medische en financiële situatie, is naar het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De rechtbank begrijpt dat eiser zich niet gehoord voelt, maar dit maakt niet dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Het college heeft de door eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar aangedragen feiten en omstandigheden bij de besluitvorming betrokken. Bovendien heeft eiser ter zitting zelf aangegeven dat het college volledig op de hoogte is van zijn situatie. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake. Kan eiser een geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel? 7. Eiser voert aan dat de afwijzing op basis van de Beleidsregels tot onevenredige gevolgen leidt. Het gaat om hoge kosten, gezondheidsrisico’s en financiële problemen. 7.1. Artikel 15, eerste lid, van de PW heeft een verplichtend karakter. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de PW, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van een daarop gebaseerd besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel kan alleen slagen als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien. 7.2. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier hebben voorgedaan. Dat de vergoeding van de ziektekostenverzekering niet geheel kostendekkend is, zijn geen bijzondere omstandigheden zoals hier is bedoeld. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat sprake is van vooringenomenheid? 8. Artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. De strekking van dit artikel geenszins dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken, maar dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden. 8.1. Volgens eiser wekt de handelingswijze van het college de schijn van vooringenomenheid en is daarmee sprake van strijdigheid met artikel 2:4 van de Awb. Eiser verwijst naar diverse (lopende) bezwaar- en beroepsprocedures tussen hem en het college in het kader van de Wet open overheid en de Algemene verordening gegevensbescherming en klachtenprocedures in de zin van hoofdstuk 9 van de Awb. 8.2. Voor zover eiser betoogt dat het college in andere procedures in strijd zou hebben gehandeld met artikel 2:4 van de Awb, valt deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding. De rechtbank kan dit niet bij de beoordeling van het bestreden besluit betrekken. 8.3. Niet gebleken is dat het college zich in deze procedure niet objectief heeft opgesteld of het besluit heeft genomen met het oogmerk eiser te benadelen ten opzichte van de eigen belangen van het college. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het college andere belangen voor ogen heeft gehad dan de uitvoering van zijn taken op grond van de PW. Kan eiser een geslaagd beroep doen op artikel 8 van het EVRM? 9. Eiser voert daarnaast aan dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het weigeren van de aanvraag heeft een negatieve impact op zijn gezondheid en levenskwaliteit, waarmee volgens eiser sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in zijn privéleven. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de CRvB van 3 december 2012. 9.1. De rechtbank ziet in de door eiser aangedragen uitspraak geen ruimte voor het oordeel dat het besluit van het college om geen bijzondere bijstand toe te kennen in strijd is met het recht op eerbiediging van eisers privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit deze uitspraak blijkt namelijk dat de Wet werk en bijstand (WWB), inmiddels de PW, niet kan worden toegepast om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank komt dus niet toe aan wat eiser aanvoert. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 15 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:554 en van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:769. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:814 en 15 maart 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:554. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 4 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:405 en 13 juni 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:985. Zie de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2108. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471. Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 53-55 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1. ECLI:NL:CRVB:2013:2633.

Similar Content