Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:6310 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-06-2026 (C/02/447746 / KG ZA 26-222)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Afwijzing vorderingen + raadsonderzoek tbv nog te starten bodemprocedure

How it connects

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/447746 / KG ZA 26-222 Datum uitspraak: 12 juni 2026 Vonnis in kort geding in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats 1] , eiseres in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. P.P.M. Hendrix-Heeren te Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. A.C.M. den Ridder- van der Meijden te Raamsdonksveer. over hun minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 2] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd. 1 De procedure 1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken: - de op 30 april 2016 betekende dagvaarding met producties; - de e-mailberichten van de man van 25 mei 2026 en 26 mei 2026; - het e-mailbericht van de rechtbank aan de man van 26 mei 2026; - het e-mailbericht met bijlage van mr. Hendrikx-Heeren van 28 mei 2026; - de brief met bijlagen, waaronder een akte houdende eis in reconventie, van mr. Den Ridder-Van der Meijden van 1 juni 2026. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 4 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de zitting zijn verschenen en gehoord: - de vrouw, bijgestaan door mr. Hendrix-Heeren; - de man, bijgestaan door mr. Den Ridder-van der Meijden; - een vertegenwoordigster namens de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tijdens dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. 2.2. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de man. Op grond van de zorg- en contactregeling verblijven zij een keer per veertien dagen een weekend bij de vrouw. 3 De vorderingen in conventie en reconventie 3.1. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig zal worden toevertrouwd aan de vrouw; 2. een gefaseerde voorlopige (begeleide) omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1] vast te stellen; 3. een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW te benoemen. 3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat indien en voor zover de voorzieningenrechter beslist dat er (begeleide) omgang tussen de vrouw en [minderjarige 1] zal zijn, te bepalen dat dit in overleg en in samenspraak met hulpverlening dient plaats te vinden. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar vorderingen, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw maakt zich ernstig zorgen over de kinderen. Sinds de voorjaarsvakantie wil en gaat [minderjarige 1] niet meer naar school. Ook wil hij sinds die tijd niet meer naar zijn moeder en heeft hij geen enkel contact meer met haar. Hij doet zeer zorgelijke uitspraken over zijn moeder. Er is al veel hulpverlening ingezet, onder andere een traject bij mevrouw [persoon] . Ook is er inmiddels een leerplichtambtenaar ingeschakeld en is er een jeugdprofessional van het Sociaal Team van de gemeente betrokken. Er is echter nog steeds geen plan van aanpak. De regie ontbreekt. Recent zijn er vier zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis door onder andere de school en de politie. Er was sprake van fysiek en verbaal geweld door [minderjarige 1] . De politie vermoedde dat er sprake was van een psychose. [minderjarige 2] heeft toen een paar dagen bij de vrouw verbleven. Op die manier kon zij wat tot rust komen. De vrouw heeft haar met pijn in het hart weer teruggebracht naar de man. Zij wil dat [minderjarige 2] aan haar wordt toevertrouwd, zodat zij niet meer wordt blootgesteld aan de problematiek van [minderjarige 1] . De vrouw maakt zich, behalve over [minderjarige 1] ook ernstig zorgen over het welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] . Zo is haar gewicht schrikbarend toegenomen en vertoont zij pleasend gedrag. De school heeft aangegeven dat zij begeleiding nodig heeft voor het oefenen van de tafels. De man komt hier niet aan toe. De politie heeft gesignaleerd dat het huis van de man donker en rommelig was. De vrouw vindt dit geen gezonde omgeving. De vrouw acht een onderzoek door de Raad noodzakelijk, met uitbreiding naar een beschermingsonderzoek. Een onderzoek kan inzicht geven in de feitelijke opvoedsituatie en de belastbaarheid van de beide ouders. Bij de man is sprake van gezondheidsproblematiek, waardoor hij mogelijk beperkt belastbaar is. De vrouw meent dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig en structureel bedreigd wordt. Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat de situatie alleen maar verslechtert. Tijdens de zitting is namens de vrouw aangegeven dat gelet op de gebeurtenissen die recent hebben plaatsgevonden, een benoeming van een bijzondere curator op dit moment niet meer aan de orde is. Zij heeft de Raad en de voorzieningenrechter verzocht te kijken naar de optie van een voorlopige ondertoezichtstelling. Zij meent dat acuut handelen gewenst is. De vrouw worstelt ten slotte met het contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] . Zij wil heel graag contactherstel, maar is bang dat zij verkeerde stappen zet, met name omdat [minderjarige 1] vooral haar partner wil zien. 4.2. Door en namens de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Evenals de vrouw ziet de man de noodzaak van een (beschermings)onderzoek door de Raad. Het is belangrijk om in kaart te brengen wat [minderjarige 1] nodig heeft. De man is het met de vrouw eens dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] ernstig wordt bedreigd als het gaat om het contactverlies met de vrouw. De man heeft heel wat te stellen gehad met [minderjarige 1] , maar gelukkig is er de laatste dagen sprake van een positieve kentering. [minderjarige 1] is, na een korte periode te hebben verbleven bij de broer van de man, weer bij de man thuis en is weer de ‘oude’ [minderjarige 1] . Op 1 juni 2026 heeft er een MDO plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is dat er betere ondersteuning zal worden ingezet. Naast MOEV zal ook De Gezinsmanager worden ingezet. Daarnaast zal er dagbesteding voor [minderjarige 1] worden gezocht, gericht op zijn (hoog)begaafdheid. Veilig Thuis ziet geen rol meer voor zichzelf weggelegd en heeft, evenals het Sociaal Team, aangestuurd op een traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA). De man is bereid hieraan mee te werken. Hij heeft ook geen moeite met een benoeming van een bijzondere curator, maar vraagt zich wel af wat hiervan de meerwaarde is ten opzichte van alle reeds betrokken hulpverlening. De man betwist dat zijn gezondheidsproblematiek een rol heeft gespeeld bij de situatie met [minderjarige 1] . Deze problematiek is beperkter dan de vrouw wil doen geloven. Zijn klachten hebben er nog geen enkele keer toe geleid dat hij de kinderen niet de zorg en aandacht heeft kunnen geven die zij nodig hebben. De man verzet zich tegen toevertrouwing van [minderjarige 2] aan vrouw. Dit heeft te veel impact op [minderjarige 2] . Zij zal dan van school moeten veranderen, ofwel dagelijks een uur in de auto zitten van en naar school. Er zijn geen zorgen over [minderjarige 2] . De zorgen die door de vrouw over haar worden geuit, uit de vrouw al jaren. Dit is bekend bij alle instanties. De man heeft er geen moeite mee als de Raad in een onderzoek wordt gevraagd om tevens onderzoek te doen naar een hoofdverblijf. Hij verwacht dan van de vrouw dat zij een bodemprocedure start. De man vindt het wel belangrijk dat het hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager, dat reeds is ingezet, niet weer vertraagd gaat worden doordat er een raadsonderzoek gaat plaatsvinden. 4.3. Namens de Raad is, samengevat, tijdens de zitting aangegeven dat de Raad op dit moment onvoldoende noodzaak ziet tot een voorlopige ondertoezichtstelling. [minderjarige 1] is weer bij zijn vader en het gaat daar redelijk met hem. Het is goed om te horen dat er hulpverlening is betrokken, want de zorgen zijn groot. Op dit moment moet vooral gekeken worden hoe de situatie van [minderjarige 1] zo stabiel mogelijk kan worden gehouden. Het Sociaal Team is hier al mee bezig. Wanneer de situatie uit de hand loopt, zullen zij de Raad inschakelen en kan er alsnog gekeken worden of een voorlopige ondertoezichtstelling nodig is. Op dit moment zal een voorlopige ondertoezichtstelling niet veel meer kunnen bieden. De situatie met [minderjarige 1] heeft ongetwijfeld ook een grote impact op [minderjarige 2] . De Raad is echter terughoudend in het doorvoeren van grote veranderingen op dit moment en is er geen voorstander van om [minderjarige 2] nu bij de vrouw te laten verblijven. De Raad doet een beroep op de man om alert te blijven op signalen van [minderjarige 2] en om de vrouw op de hoogte te houden van wat er speelt. Ten aanzien van de wens van [minderjarige 1] om contact te hebben met de partner van de vrouw adviseert de Raad de ouders om samen met het Sociaal Team te kijken naar de mogelijkheden. Het lijkt de Raad niet zinvol om [minderjarige 1] alleen met de partner van de vrouw contact te laten hebben, zonder dat hij contact heeft met de vrouw. Wellicht kan er eerst een kort contactmoment plaatsvinden op een neutrale plek, waarbij [minderjarige 1] de boodschap krijgt dat de vrouw niet boos is op hem en het belangrijk vindt om te weten hoe het met hem gaat. Van daaruit kan het contact dan worden opgebouwd. Alles overziend ziet de Raad de noodzaak tot het starten van een onderzoek, uit te breiden met een beschermingsonderzoek. Gelet op de grote zorgen die er zijn zegt de Raad toe intern te onderzoeken of een (beschermings)onderzoek met enige spoed kan worden opgepakt. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. 5.2. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 5.3. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoek tot onderzoek aan de Raad 5.4. Zowel de vrouw als de man zijn voorstander van een onderzoek door de Raad. Er is sprake van grote zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om partijen door te verwijzen voor hulpverlening in het kader van het UHA. Daarvoor zijn de zorgen te groot. De voorzieningenrechter is, met alle betrokkenen, van oordeel dat een onderzoek door de Raad noodzakelijk is om de situatie van de kinderen bij beide ouders goed in kaart te brengen. De Raad heeft zich tijdens de zitting bereid verklaard een onderzoek uit te voeren naar het belang van de kinderen met betrekking tot het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen. Dit onderzoek zal zo nodig worden uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Een onderzoek door de Raad zal tijd vergen en om te voorkomen dat er tijd verloren zal gaan, zal de voorzieningenrechter, vooruitlopend op en ten behoeve van de nog te starten bodemprocedure, aan de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten, te rapporteren en te adviseren ter beantwoording van de volgende vragen: Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? Welke school/dagbesteding is het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage te vermelden? 5.5. De voorzieningenrechter acht het, in het licht van het vorenstaande en met het oog op de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , belangrijk dat het raadsonderzoek zo spoedig als mogelijk zal starten. De Raad heeft tijdens de zitting toegezegd op korte termijn te starten met het onderzoek, gelet op de grote zorgen die er liggen. De rapportage van de Raad moet worden ingediend in de door de vrouw te starten bodemprocedure. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de vrouw op korte termijn een bodemprocedure aanhangig zal maken. Voorlopige toevertrouwing 5.6. De voorzieningenrechter acht het toevertrouwen van [minderjarige 2] aan de vrouw in het kader van een kort geding procedure op dit moment niet in haar belang. Zij wijst deze vordering van de vrouw dan ook af. Een dergelijke verandering brengt teveel effecten met zich mee, zoals een verandering van school. Dit moet eerst goed onderzocht worden door de Raad. Dit neemt niet weg dat wanneer er lopende het raadsonderzoek zorgen zijn die maken dat het in het belang van [minderjarige 2] is om vaker naar de vrouw te gaan, dit door de ouders in samenwerking met de betrokken jeugdprofessional van het Sociaal Team moet worden opgepakt. Contact vrouw/ [minderjarige 1] 5.7. De ouders zijn het erover eens dat de vrouw en [minderjarige 1] recht hebben op contact met elkaar. In samenspraak met de hulpverlening en het Sociaal Team kan gekeken worden welke stappen er in afwachting van het raadsonderzoek kunnen worden gezet, waarbij steeds oog moet zijn voor het belang van [minderjarige 1] en hoe hij op de te nemen stappen reageert. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheden om in het kader van het kort geding een voorlopige regeling te bepalen. Zij acht zich daartoe onvoldoende geïnformeerd. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw en de (voorwaardelijke) vordering van de man op dit punt af. Bijzondere curator 5.8. Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw haar vordering om een bijzondere curator te benoemen niet handhaaft. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter ook deze vordering afwijzen. Proceskosten 5.9. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen in conventie en reconventie af; 6.2. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, om ten behoeve van en vooruitlopend op de nog aanhangig te maken bodemprocedure een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven onder rechtsoverweging 5.4. vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure; 6.3. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Kraats, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.

Similar Content