Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:22636 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 12-08-2026 (NL23.32412 en NL23.32413)

Rechtbank Den Haag
Summary

verzoek om heroverweging van een eerder ingetrokken verblijfsvergunning asiel omdat eiser naast de Syrische nationaliteit ook de Armeense nationaliteit had, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel

How it connects

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL23.32412 (beroep) NL23.32413 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1980, van Syrische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser, (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister, (gemachtigde: mr. J. Kennis). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop van dit geding. Onder 3 is de achtergrond van de zaak geschetst en onder 4 de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 5 en 6 staan de standpunten van eiser en de minister. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 oktober 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet zolang nog niet op zijn beroep is beslist. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Hamza als tolk en de gemachtigde van de minister. 2.3. In verband met de beoordeling van het recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond 3. Eiser heeft op 17 januari 2014 een asielaanvraag ingediend, die bij besluit van 23 januari 2014 is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, met ingang van 17 januari 2014, geldig tot 17 januari 2019. 3.1. Op 12 december 2016 heeft de minister het voornemen uitgebracht tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser, omdat uit ambtshalve verkregen informatie van de Tsjechische autoriteiten is gebleken dat eiser naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit heeft. Uit informatie van het visum-registratiesysteem genaamd Vision (voorloper van het latere EU-VIS ) was gebleken dat de Tsjechische autoriteiten op 10 oktober 2013 een Tsjechisch visum aan eiser hebben verstrekt. Ook was gebleken dat bij de visumaanvraag gebruik is gemaakt van een Armeens paspoort, gesteld op naam van eiser. 3.2. Eiser heeft bij brief van 1 februari 2017 een verklaring van de politie van de Republiek Armenië, dienst paspoorten en visa van 23 december 2016 overgelegd, waarin staat dat het staatsburgerschap van de Republiek Armenië van eiser op 8 december 2016 is beëindigd. 3.3. Eiser heeft op 20 december 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die bij besluit van 10 mei 2019 ‘onder voorbehoud’ is ingewilligd met ingang van 17 januari 2019 vanwege de nog lopende intrekkingsprocedure. 3.4. Op 7 mei 2019 is eiser gehoord naar aanleiding van zijn zienswijze tegen het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning. 3.5. Bij besluit van 11 juli 2019 heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 januari 2014. Bij besluit van 27 september 2019 heeft de minister de onder voorbehoud aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 januari 2019. Volgens de minister heeft eiser de Nederlandse autoriteiten misleid door onjuiste gegevens te verstrekken dan wel gegevens achter te houden om in het bezit te komen van een verblijfsvergunning. Op 20 augustus 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de tegen beide besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De intrekkingsbesluiten zijn bij uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2020 in hoger beroep onherroepelijk geworden. De huidige aanvraag en besluitvorming 4. Op 28 april 2021 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend en in de brief van 26 april 2021 deze aanvraag toegelicht. Eiser heeft aan deze aanvraag - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat het intrekkingsbeluit van 11 juli 2019 in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en om heroverweging van dat besluit gevraagd. Eiser verwijst in dat verband naar 25 andere zaken waarin de minister van intrekking van de vergunning heeft afgezien. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2021, in een zaak van twee andere vreemdelingen waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hun zaken anders zijn dan die 25 zaken. 4.1. De minister heeft de aanvraag conform het voornemen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft in dit kader gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 mei 2023, waarin is geoordeeld dat de minister zijn gedragslijn en het verschil in onderzoeksmethoden voldoende heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is dat sprake is geweest van willekeur. Daarin is ook geoordeeld dat het gegeven dat de minister op grond van bijzondere omstandigheden ten gunste van de vreemdeling niet tot intrekking van de verblijfsvergunning is overgegaan, op zichzelf onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat in geval van eisers niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een vergelijkbaar geval. Volgens de minister is de zaak van eiser niet vergelijkbaar met de zaken waarin van intrekking van de verblijfsvergunning is afgezien. Daarmee kan eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen en is er geen reden om terug te komen op het intrekkingsbesluit. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel 5. Eiser heeft ter zitting zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel zo toegelicht dat eiser primair aanvoert dat er geen sprake was van een vaste gedragslijn hoe de minister in deze zaken tewerk is gegaan en dat de gestelde gedragslijn naderhand is geconstrueerd. Subsidiair voert eiser aan dat voor zover er wel gesproken kan worden van een vaste gedragslijn, die kennelijk onredelijk is omdat het uiteindelijk tot willekeur heeft geleid. De reactie van de minister op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel 6. De minister heeft in reactie op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel en de nadere toelichting daarop het volgende uiteengezet. 6.1. In 2013/2014 kwamen er aanwijzingen dat in een aantal zaken van etnische Armenen uit Syrië (en Irak) was verzwegen dat zij ook de Armeense nationaliteit hadden. Naar aanleiding daarvan is door de minister onderzoek ingesteld. Dat is eerst gebeurd door het Belgische Vision systeem te raadplegen waaruit treffers kwamen op basis van persoonsgegevens. In de periode 2015-2016 is besloten om in deze zaken, waar sprake was van een Visiontreffer, een standaard voornemen tot intrekking uit te brengen. Bij het uitbrengen van deze voornemens is niet van tevoren (uitvoerig) gekeken naar de individuele dossiers. In de besluitvormingsfase werd, rekening houdend met de zienswijzen, nader onderzocht of de minister daadwerkelijk kon overgaan tot intrekking van de vergunning, omdat voldoende aantoonbaar was dat de betreffende vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt dan wel gegevens had achtergehouden. Daarom was extra informatie, zoals bijvoorbeeld het visumdossier nodig om de persoonsmatch te maken met de Visiontreffer. 6.2. Er is geen centrale projectlijst waarop deze zaken eenvoudig zijn terug te vinden. Deze zaken zijn evenmin in Indigo, het systeem van de IND, geregistreerd op etniciteit of anderszins op kenmerken te vinden. Het is wel ambtshalve bekend dat de minister al sinds 2015 deze zaken heeft opgepakt vanuit de treffers in Vision. 6.3. Na een Visiontreffer werd er verder onderzoek gedaan, bijvoorbeeld in het land waar het visum was afgegeven. Als er naar aanleiding daarvan een visumdossier werd ontvangen waarin een kopie aanwezig was van het Armeense paspoort waar de Armeense nationaliteit uit bleek, bestond er in beginsel geen aanleiding voor nader onderzoek door de minister en ging hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, over tot intrekking van de verleende asielvergunning. Verder kon er eerder via Dienst Terugkeer en Vertrek een onderzoek worden uitgezet bij de Armeense autoriteiten om te verifiëren of de vreemdeling die nationaliteit daadwerkelijk had. Nadat de diplomatieke betrekkingen tussen de minister en de Armeense autoriteiten hierdoor op gespannen voet kwamen te staan, is Dienst Terugkeer en Vertrek gestopt met het toepassen van deze onderzoeksmethode. In enkele zaken is een individueel ambtsbericht uitgezet. Om dat onderzoek op te kunnen starten is toestemming van de vreemdeling vereist. Niet elke vreemdeling gaf deze toestemming en het waren langdurige en kostbare onderzoeken waardoor ook dit instrument niet altijd even geschikt bleek. Naast deze ervaringen met verschillende onderzoeksmethodes, is het streven volgens de minister telkens geweest om proceseconomisch en zo efficiënt mogelijk te voldoen aan de bewijslast. Door tijdsverloop tussen het moment van afgifte van het visum, de Visiontreffer en het moment van nader onderzoek, was hetzelfde onderzoek ook niet altijd mogelijk. Zo waren visumdossiers daardoor soms niet meer beschikbaar (de bewaartermijn is vijf jaar, maar sommige diplomatieke posten hanteren een termijn van twee jaar). Het was bij een Visiontreffer bovendien niet van meet af aan helder wanneer aan de bewijslast voor intrekking was voldaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017 bleek uiteindelijk dat aan de bewijslast is voldaan als naast de Visiontreffer extra informatie beschikbaar was, bijvoorbeeld het visumdossier met daarin een kopie van het bij de visumaanvraag door de autoriteiten onderzochte en echt bevonden paspoort waarin het visum is aangebracht of een verklaring van de Armeense autoriteiten dat de betrokkene de Armeense nationaliteit had. 6.4. De minister heeft alle door eiser ingebrachte 25 zaken uiteindelijk kunnen herleiden tot personen in Indigo en hun zaken beoordeeld. Hieruit is in deze zaken van Syrische personen met de Armeense nationaliteit en een Visiontreffer de volgende lijn te halen. 6.4.1. Bij de zaken die wel tot een intrekking hebben geleid was in de regel wel een compleet visumdossier ontvangen waardoor wel een persoonsmatch kon worden gemaakt met de treffer in Vision en/of er was sprake van andere informatie op grond waarvan duidelijk werd dat deze personen de Armeense nationaliteit hadden. 6.4.2. In de andere zaken kon de minister niet voldoen aan de bewijslast voor intrekking van de asielvergunning. Veelal ontbrak er een visumdossier van een of meer personen in het dossier. Hierdoor is het niet zeker dat deze personen ook behoren bij de in Vision gevonden treffer. Als bij een gezin niet van alle gezinsleden een compleet visumdossier of een op andere wijze aan ieder gezinslid te koppelen Visiontreffer voorhanden was, had dit tot gevolg dat ten aanzien van alle gezinsleden niet tot intrekking werd overgegaan. Dit omdat dan niet aangetoond kon worden dat deze personen de Armeense nationaliteit hadden, of hebben gehad en alle gezinsleden de bescherming van de Armeense autoriteiten zouden kunnen krijgen. Daarnaast speelde er soms een bijzondere omstandigheid om niet over te gaan tot intrekking van de verblijfsvergunning. Dit zag bijvoorbeeld op zaken waarin één van de gezinsleden overleden was in Nederland of dat er (jonge) kinderen in het gezin waren die al lange tijd (meer dan 5 jaar) in Nederland waren. 6.5. De minister heeft ernaar gestreefd zo snel mogelijk nadat bekend werd dat er onjuiste gegevens waren verstrekt dan wel verzwegen die - ten onrechte - tot verlening van de verblijfsvergunning hadden geleid een besluit te nemen over de eventuele intrekking van de verblijfsvergunning. Telkens is beoordeeld of de resultaten van het onderzoek genoeg onderbouwen dat de Visiontreffer en Armeense nationaliteit aan de betreffende persoon te koppelen was om een sluitende persoonsmatch te maken en daarmee te kunnen stellen dat betrokkene in Armenië bescherming kon krijgen. 6.6. De minister verwijst voor een nadere toelichting per zaak (A t/m Y) naar de brieven van 12 juli 2024 en 10 december 2024 in het kader van de eerder bij deze rechtbank en zittingsplaats gevoerde procedure over een vergelijkbare zaak. Met de uitspraak van 20 maart 2025 oordeelde deze rechtbank en zittingsplaats dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dit oordeel is onherroepelijk geworden omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. 6.7. De minister meent dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen omdat de minister (ook) in zijn geval volgens de bovengenoemde gedragslijn heeft gehandeld. In geval van eiser was er namelijk een Visiontreffer en een nationaliteitsverklaring van de Armeense autoriteiten. Hierop was dus een persoonsmatch te maken. Bij het intrekkingsgehoor van 7 mei 2019 heeft eiser bevestigd dat hij de Armeense nationaliteit heeft gehad. Ook was er in het geval van eiser geen sprake van bijzondere omstandigheden zoals een gezin met kinderen, een in Nederland overleden gezinslid dan wel familie- of gezinsleden met de Nederlandse nationaliteit waardoor eiser op het moment van intrekking op andere gronden in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Het oordeel van de rechtbank over eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel 7. De rechtbank stelt voorop dat de intrekkingsbesluiten van 11 juli 2019 en 27 september 2019 in rechte vast staan. Het oordeel van de rechtbank van 20 augustus 2020 in beroep daartegen en het oordeel van de Afdeling van 22 oktober 2020 in hoger beroep hebben kracht van gewijsde. De aanvraag van eiser van 28 april 2021 kan, gelet op de toelichting bij de aanvraag, niet anders worden gezien dan een verzoek om heroverweging van dat in rechte vaststaande intrekkingsbesluiten. Op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht dient eiser dan nieuwe feiten omstandigheden aan te voeren op grond waarvan de minister moet terugkomen op dat intrekkingsbesluit. Dit kunnen rechtens relevante feiten en omstandigheden zijn die nadien zijn voorgevallen, zoals bijvoorbeeld dat naderhand dient te worden geoordeeld dat het intrekkingsbesluit evident onrechtmatig was. Het kan ook een gewijzigd recht of gewijzigde rechtspraak zijn. 8. De rechtbank stelt verder vast dat de beroepsgronden van eiser uit 2023 dateren en in essentie een beroep op het gelijkheidsbeginsel inhouden, onder verwijzing naar 25 zaken waarin de minister uiteindelijk niet in alle zaken tot intrekking van de verblijfvergunning is overgegaan. 8.1. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat vergelijkbare gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen. Uit vaste rechtspraak volgt dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuursorgaan welbewust richting geeft en daarom een algemene gedragslijn volgt bij zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Wanneer de vreemdeling zich op het gelijkheidsbeginsel beroept en daartoe – onderbouwd – een volgens hem gelijk, althans vergelijkbaar geval noemt, ligt het op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat deze gevallen rechtens niet gelijk, althans vergelijkbaar zijn. 8.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van eiser onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2021 is inmiddels met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 mei 2023 (en de bevestiging van deze uitspraak door de Afdeling met de uitspraak van 16 januari 2024) en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2025 achterhaald. In deze uitspraken is uitvoerig ingegaan op eisers stelling dat van een vaste gedragslijn geen sprake was en dat er sprake was van willekeur. In de procedure die tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2025 heeft geleid zijn de 25 zaken die eiser nu ook aanhaalt aan de orde geweest. 8.2.1. In deze uitspraken is kortgezegd geoordeeld dat de minister zijn vaste gedragslijn en het verschil in onderzoeksmethoden voldoende heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is dat sprake is geweest van willekeur. Geoordeeld is dat de minister genoegzaam heeft uitgelegd dat een belangrijk onderscheid tussen de zaken waarbij de minister wel tot intrekking is overgegaan ten opzichte van zaken waarbij is afgezien van intrekking is dat in alle zaken waarbij is ingetrokken een Visiontreffer voorhanden was en een volledig visumdossier (van alle gezinsleden) óf een verklaring van de Armeense autoriteiten dat de betrokkene de Armeense nationaliteit had dan wel een bevestiging hiervan met een individueel ambtsbericht waardoor een persoonsmatch te maken was. In meerdere zaken was er ook een fotovergelijkingsonderzoek verricht met het sterkste resultaat als uitkomst. In het geval er geen (compleet) visumdossier voorhanden was of geen nationaliteitsverklaring van de Armeense autoriteiten, kon de minister niet voldoen aan zijn bewijslast voor intrekking van de asielvergunning. De rechtbank ziet, gelet op de toelichting van de minister, die de rechtbank kan volgen, geen aanleiding om in de zaak van eiser tot een ander oordeel te komen. 8.2.2. De minister heeft toegelicht dat in geval van eiser zowel sprake was van een Visiontreffer als van een nationaliteitsverklaring van de Armeense autoriteiten. In geval van eiser is verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van de door de minister geschetste gedragslijn. Eiser heeft dit ook verder niet betwist. Dat betekent dat de minister volgens de gestelde gedragslijn heeft gehandeld door de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. 8.2.3. Eiser heeft bij een aantal zaken kanttekeningen geplaatst dat in die zaken niet volgens de gedragslijn is gehandeld. Dat maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders. Dat in andere zaken (zoals bijvoorbeeld in de zaak M die vergelijkbaar is met de zaak van eiser) niet volgens de gedragslijn is gehandeld, betekent niet dat in de zaak van eiser niet volgens de gedragslijn is gehandeld. Daarnaast is ook niet gebleken van vergelijkbare bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Hoewel eiser gelijk heeft dat het verstrekken van onjuiste gegevens of verzwijgen van relevante gegevens een imperatieve intrekkingsgrond is, betekent dit niet dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel daarom slaagt. Voor het slagen van het beroep op het gelijkheidsbeginsel in het kader van bijzondere omstandigheden, moet er namelijk sprake zijn van bijzondere omstandigheden in de zin van de gedragslijn. Hiervan is niet gebleken. Het enkele feit dat eiser intussen al tien jaar in Nederland is en de procedures lang hebben geduurd, is geen bijzondere omstandigheid in de zin van de gedragslijn waar de minister rekening mee had moeten houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de overige gevallen waarin de minister niet over is gegaan tot intrekking niet rechtens gelijk, althans vergelijkbaar zijn. 9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dit leidt tot de conclusie dat eiser daarmee geen rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de minister had moeten terugkomen op de intrekkingsbesluiten. Van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahhadar is gesteld noch gebleken. Terugkeerbesluit 10. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024, onder punt 35, heeft verduidelijkt dat, de bevoegde nationale autoriteit verplicht is om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Van een situatie in de zin van het arrest Ararat is evenmin gesteld of gebleken. Overschrijding redelijke termijn 11. De rechtbank stelt tot slot vast dat in de zaak van eiser de redelijke termijn is aangevangen met het indienen van zijn beroepschrift op 12 oktober 2023 en eindigt met de uitspraak van de rechtbank die vandaag wordt gedaan. Dit betekent dat de duur van de beroepsfase ongeveer twee jaar en tien maanden is geweest. Uitgaande van de door de Afdeling gehanteerde criteria mag de behandeling van het beroepschrift hooguit twee jaar duren. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. Eiser heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van het bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag € 1.000,-. De overschrijding van de termijn dient te worden toegerekend aan de rechtbank. Conclusie en gevolgen 12. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. 13. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van € 1000,- aan eiser betaalt. 14. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, omdat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding toewijst. De Staat der Nederlanden moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak met nummer NL23.32412: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1000,-. De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL23.32413: - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken: - veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot betaling van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. R.H.G. Odink en mr. M.F.A.M. Smeets, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210). Europese Unie-Visum Informatie Systeem. Zaaknummers NL19.25573 en NL19.25805. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zaaknummers 202005069/l/V3 en 202005069/2/V3. ECLI:NL:RBDHA:2021:1307 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/). Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, 15 mei 2023, zaaknummers: NL21.18930, NL21.18932 en NL21.18934. De uitspraak is door eiser als bijlage bij het beroepschrift gevoegd. Die uitspraak heeft de Afdeling bij uitspraak van 16 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:85 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), bevestigd. Zie in dat kader de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2693 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/). Zie in dat kader wederom de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2693 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) . ECLI:NL:RBDHA:2025:16957 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/). Uitspraken van de Afdeling van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1782 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2016:1782) en van 26 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4830 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2012:BX4830). Zie in dit kader de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 mei 2023, r.o. 9 en 15 en zittingsplaats Amsterdam, van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16957 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), r.o. 7.2. het arrest van 19 februari 1998 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, in de zaak Bahhadar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817) Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2024:892. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie de uitspraken van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0214, en van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467.

Similar Content