Rechtbank Amsterdam, 11-08-2026 (13- 14766 1-26)
Pools executie-EAB. Situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW.
Judgment
Dubbele strafbaarheid. Gelijkstellingsverweer slaagt niet, omdat het verzoek niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Overlevering toegestaan.
Full text 10 paragraphs
- Procesgang
- Identiteit van de opgeëiste persoon
- Grondslag en inhoud van het EAB
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
- Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
- Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
- Slotsom
- Toepasselijke wetsbepalingen
- Beslissing
Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft zich ten aanzien van het EAB gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een onherroepelijk vonnis van 19 november 2020, met referentie: II K 1157. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, negen maanden en vier dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de advocaat De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard, waardoor de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde is. Oordeel van de rechtbank Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 15 januari 2020 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing.
Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Telkens; diefstal met braak in vereniging.
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de verdediging De opgeëiste persoon heeft uitdrukkelijk de wens geuit zijn straf in Nederland uit te zitten, hetgeen door de rechtbank zo wordt begrepen dat hij een beroep doet op artikel 6a OLW. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf daarom niet kan worden overgenomen nu dit beroep niet is onderbouwd met stukken. Oordeel van de rechtbank Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank stelt vast dat het verzoek niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Gelet hierop wordt dit verweer verworpen.
Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Suwałki Regional Court, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.