Rechtbank Den Haag, 12-08-2026 (NL25.49441)
Afwijzing aanvraag van een moeder voor afgeleid verblijf bij haar Nederlandse kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister gaat uit van schijnerkenning en heeft bij de gemeente een terugmelding gedaan als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP en verzocht de Nederlandse nationaliteit van het kind te schrappen, het Nederlandse paspoort in te nemen en zijn nationaliteit te wijzigen naar de Surinaamse nationaliteit. De minister meent daarmee “de daartoe gewezen procedure” te hebben gevolgd als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024 en dat het kind daarmee zijn Nederlanderschap met terugwerkende kracht is verloren. De rechtbank volgt de minister daarin niet. Volgens de rechtbank is “de daartoe aangewezen procedure” enkel een procedure op grond van de RWN. Dit volgt uit artikel 14, zevende lid van de RWN. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of het kind daardoor het Nederlanderschap is verloren, als bedoeld in artikel 14, zesde lid van de RWN. Zolang dat niet gebeurd is, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind zoals geregistreerd in de BRP. Dat het wettelijk zo in elkaar zit, is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals bewijsvoering en het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden en om de burger voldoende bescherming te bieden. De rechtbank bepaalt dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag en draagt de minister op om het verblijfsdocument binnen twee weken af te geven.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.49441 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], geboren op [geboortedag 1] 1981, van Surinaamse nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. S.J. van der Woude), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigden: mr. R.E. van Deijck en mr. R.Y. Reckers). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsdocument EU/EER . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 27 maart 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez . Eiseres beoogt verblijf bij haar minderjarige zoon [naam 1], die is geboren op [geboortedag 2] 2016 in Paramaribo, Suriname. De heer [naam 2] heeft hem op 7 oktober 2021 als kind erkend. 2.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 december 2023 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend. 2.2. Op 25 juli 2024 heeft eiseres beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is met de uitspraak van 28 april 2025 gegrond verklaard. Met het besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister alsnog beslist op het bezwaar van eiseres en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Wel is aan eiseres een bestuurlijke en een rechtelijke dwangsom betaald wegens het niet tijdig beslissen. 2.3. Eiseres heeft tegen het besluit van 1 oktober 2025 (hierna het bestreden besluit) het onderhavige beroep ingediend. Voorts heeft eiseres om een voorlopige voorziening verzocht om niet uitgezet te worden zolang nog niet op haar beroep is beslist. Met de uitspraak van 31 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen. 2.4. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader 3. Op grond van artikel 8, onder e, van de Vw heeft een vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling op basis van het VWEU. Ingeval van een dergelijk rechtmatig verblijf, verschaft de minister aan de desbetreffende vreemdeling een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. 3.1. In paragraaf B10/2.5.1 van de Vc is bepaald wanneer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e van de Vw. Daarvoor is vereist dat de vreemdeling (a) zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt, (b) een minderjarig, Nederlands kind heeft en (c) er een zodanige afhankelijkheid tussen de vreemdeling en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. 3.2. Voor de hierna aangehaalde regelgeving over nietigheid en vernietigbaarheid van een erkenning, over verkrijging, verlies en intrekking van het Nederlanderschap en over registratie van persoonsgegevens in de BRP verwijst de rechtbank naar de bijlage van deze uitspraak. Besluitvorming van de minister 4. De minister heeft de aanvraag van eiseres eerst met het primaire besluit afgewezen, wegens misbruik van het recht. Volgens de minister zou de heer [naam 2] [naam 1] destijds alleen hebben erkend om daar een vreemdelingrechtelijk voordeel uit te halen. Volgens de minister is er dus sprake van schijnerkenning. 4.1. In het bestreden besluit heeft de minister – anders dan in het primaire besluit – de afwijzing van de aanvraag gebaseerd op zijn standpunt dat eiseres niet voldoet aan voorwaarde b van paragraaf B10/2.5.1 van de Vc, te weten dat zij ouder is van een minderjarig Nederlands kind. De minister twijfelt aan de juistheid van de Nederlandse nationaliteit van [naam 1] en heeft daarom op 18 september 2025 een melding als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP gedaan aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, waarin hij heeft verzocht de Nederlandse nationaliteit van [naam 1] te schrappen, het Nederlandse paspoort van [naam 1] in te nemen en zijn nationaliteit te wijzigen naar de Surinaamse nationaliteit. De minister acht zich gelet op deze melding op grond van artikel 1.7, tweede lid van de Wet BRP in samenhang met artikel 2.61, tweede lid van de Wet BRP niet langer gebonden aan de gegevens in de BRP. De minister gaat er daarom van uit dat [naam 1] nooit de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Volgens de minister is het bij deze stand van zaken aan eiseres om aan te tonen dat zij de ouder is van een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. Zij kan dit niet doen door de melding aan het college inhoudelijk in deze procedure te weerspreken, maar dient de Nederlandse nationaliteit van [naam 1] vast te laten stellen via een procedure op grond van artikel 17 van de RWN . In die procedure kan eiseres de melding van de minister op inhoudelijke gronden weerspreken en onderbouwen waarom [naam 1] wel degelijk de Nederlandse nationaliteit bezit. Beroepsgronden van eiseres 5. Eiseres voert aan dat de minister zonder enig bewijs, en zonder de geëigende procedure van artikel 1:205, tweede lid, van de BW te volgen, heeft aangenomen dat de heer [naam 2] niet de biologische vader is van [naam 1], dat zijn erkenning een schijnerkenning betrof en dat [naam 1] niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Wijziging van de gegevens in de BRP is niet de geëigende procedure, nu daardoor niet de ongeldigheid van de erkenning en het vervallen van de Nederlandse nationaliteit van het kind kan worden bewerkstelligd, terwijl ook tegenspraak niet is gewaarborgd. De minister heeft verder miskend dat zelfs als een erkenning door de biologische vader mede wordt verricht om verblijfsrechtelijk voordeel te behalen en zonder dat hij betrokken wilde zijn bij de opvoeding van het kind, dit naar Nederlands recht geen grond voor nietigheid van de erkenning is. Ook heeft de minister genegeerd dat in Suriname sommige mannen nu eenmaal veel buitenechtelijke kinderen hebben en dat zij soms meerdere van die kinderen erkennen. Het oordeel van de rechtbank 6. Niet in geschil is dat eiseres haar identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt (voorwaarde a) en dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en [naam 1] dat [naam 1] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd (voorwaarde c). In geschil is enkel of [naam 1] de Nederlandse nationaliteit heeft en daarmee dus of eiseres ouder is van een minderjarig Nederlands kind (voorwaarde b). 7. Verder is niet in geschil dat [naam 1] op 7 oktober 2021 in Suriname en naar het Surinaamse recht is erkend door de heer [naam 2] die de Nederlandse nationaliteit heeft. Evenmin is in geschil dat [naam 1] op grond van artikel 4, tweede lid van de RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen door de erkenning van de heer [naam 2]. Vast staat immers dat de erkenning en de Nederlandse nationaliteit vervolgens zijn ingeschreven in de BRP en dat aan [naam 1] vervolgens een Nederlands paspoort is verstrekt. Verder is niet in geschil dat geen verlies van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden als bedoeld in hoofdstuk 5 van de RWN. Onbetwist is verder dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot op heden geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de (terug)melding van de minister op grond van artikel 2.34 van de BRP. De erkenning is nog altijd rechtsgeldig en [naam 1] is nog altijd als Nederlander geregistreerd in de BRP. [naam 1] is ook nog steeds in het bezit van zijn Nederlandse paspoort. 8. Dit brengt mee dat de minister in deze procedure dient uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam 1] zoals geregistreerd in de BRP. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 8.1. De rechtbank volgt de minister niet in zijn pas op de zitting naar voren gebrachte betoog, dat de minister met de enkele (terug)melding als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam de procedures zoals beschreven in artikelen 10.100 en 10.101 van het BW heeft geactiveerd, dat de minister daarom niet meer hoeft uit te gaan van de in Suriname gedane erkenning omdat het een schijnerkenning betreft en dat het Nederlanderschap van [naam 1] wordt geacht van rechtswege met terugwerkende kracht te zijn verloren. Dat de minister daarmee “ de daartoe gewezen procedure” heeft gevolgd, als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024 , volgt de rechtbank evenmin. De verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019 en pagina 35 van het Kamerstuk 33219 treft eveneens geen doel. De rechtbank legt dit oordeel als volgt uit. 8.2. De artikelen 10.100 en 10.101 van het BW gaan over de al dan niet van rechtswege erkenning van een buitenlandse erkenning naar het Nederlandse recht. Die procedure is al doorlopen door de ambtenaar van de gemeente Amsterdam. De erkenning van [naam 1] in Suriname is met de registratie van die erkenning in de BRP een van rechtswege naar het Nederlands recht erkende erkenning. Zoals eiseres onderbouwd heeft aangevoerd , zijn de gronden voor nietigheid van een erkenning in artikel 1:204 van de BW limitatief en valt een schijnerkenning daar niet onder. 8.3. Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van [naam 1], waardoor hij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze heeft verkregen, is het aan de minister om de daartoe aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat [naam 1] niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Anders dan de minister betoogt, is de daartoe aangewezen procedure als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024 , enkel een procedure op grond van de RWN. Dit volgt uit artikel 14, zevende lid van de RWN, waarin dwingend is verwoord dat het Nederlanderschap niet wordt verloren dan op grond van een van de bepalingen van dit hoofdstuk (lees: hoofdstuk 5 van de RWN). 8.4. De rechtbank wijst ook op de antwoorden op de Kamervragen van 17 februari 2025 waarin de minister op de vragen 12 en 13 antwoordt dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024 volgt “dat er eerst vastgesteld moet worden dat er sprake is van een schijnerkenning, binnen de daartoe opgestelde procedures in het familierecht, voordat dit gevolgen kan hebben voor een verleend verblijfsrecht”. De aangewezen procedure was volgens de minister zelf dus een familierechtelijke en niet de BRP-procedure. 8.5. Het is zo dat de minister niet zelf een verzoek om vernietiging van een erkenning kan doen als bedoeld in artikel 1:205, tweede lid van de BW. Zo een verzoek is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Zowel de minister als het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam dienen zich daartoe te wenden tot het openbaar ministerie. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of [naam 1] daardoor het Nederlanderschap is verloren, als bedoeld in artikel 14, zesde lid van de RWN. 8.6. Zolang die aangewezen weg door de minister niet is gevolgd, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam 1] zoals geregistreerd in de BRP. De terugmelding van de minister aan de gemeente als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet BRP, waar de gemeente overigens geen vervolgacties aan heeft verbonden, doet daar niets aan af. 8.7. De rechtbank hecht er tot slot nog belang aan te benadrukken dat het wettelijk systeem zoals hierboven is beschreven juist bedoeld is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden. Anders zou een enkel oordeel van de minister dat er sprake is van een schijnerkenning, zonder dat de Nederlandse burger zich daartegen kan verweren, voldoende zijn om in deze procedure vast te stellen dat niet meer hoeft te worden uitgegaan van het Nederlanderschap van het betrokken kind. En dat de Nederlandse burger dan zou moeten bewijzen het Nederlanderschap niet te zijn verloren. Dat zou een omkering van de bewijslast zijn. Als de rechtbank zou meegaan met het betoog van de minister dan zouden er ook verschillende overheidsinstanties zijn die uitgaan van verschillende rechtsfeiten en dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn en het doel van de BRP. Vaststelling van een schijnerkenning vereist een gedegen onderzoek en een zorgvuldige beoordeling, waarin voldoende bewijs moet worden aangeleverd en het beginsel van hoor en wederhoor moet worden toegepast. Een dergelijke vaststelling heeft immers verstrekkendere gevolgen dan alleen vreemdelingrechtelijke. 9. De conclusie is dat eiseres voldoet aan alle drie de voorwaarden genoemd in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en zal zelf in de zaak voorzien. Eiseres voldoet immers aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsdocument EU/EER. 10. Nu de minister in het bestreden besluit de primaire afwijzingsgrond ‘misbruik van het recht’ heeft laten vallen, herroept de rechtbank het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub b, van de Awb , zal de rechtbank bepalen dat het afgeleid verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, namelijk 27 maart 2023, en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. De minister moet aan eiseres een verblijfsdocument afgeven waaruit dit afgeleide verblijfsrecht volgt. De minister krijgt daarvoor een termijn van twee weken. 12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 1 oktober 2025; - herroept het besluit van 11 december 2023; - bepaalt dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, zijnde 27 maart 2023; - draagt verweerder op om het verblijfsdocument af te geven binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak; - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194 aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, en mr. S.D. Arnold en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. Relevante regelgeving nietige erkenning en vernietiging erkenning Artikel 204 (1:204 BW) Nietige erkenning 1. De erkenning is nietig, indien zij is gedaan: a. door een persoon die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen geregistreerd partnerschap met de moeder mag aangaan; b. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt; c. indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder of de vader; d. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder; e. terwijl er twee ouders zijn. 2. De in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning. 3. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon: 3.1. de verwekker van het kind is; of 3.2. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. 4. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen als dit in het belang is van het kind. 5. Een persoon die wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, mag slechts erkennen nadat daartoe toestemming is verkregen van de kantonrechter. Artikel 205 (1:205 BW) Vernietiging van de erkenning 1. Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend: a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden; 5.2. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen; 5.3. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven. 2. Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning verzoeken. 3. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt. 4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend. 5. Voor het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Voor het geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Relevante regelgeving intrekking Nederlanderschap Artikel 14 RWN 1. Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73). 2. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens: a. een misdrijf omschreven in de titels I tot en met IV van het Tweede Boek van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld; b. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht; c. een misdrijf dat soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder a waarop naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, danwel een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder b; d. een misdrijf omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73). 3. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich vrijwillig in vreemde krijgsdienst begeeft van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. | 4. Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. 5. De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit. 6. Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c, of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618 en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 284). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268). 7. Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk. 8. Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd. 9. De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten. 10. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid. Artikel 16 RWN 1. Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren: 5.1. door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit; 5.2. door het afleggen van een verklaring van afstand, indien hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid; 5.3. indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit; 5.4. indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A; 5.5. indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder. Voor de toepassing van de onderdelen c, d en e wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder aan wie de minderjarige het Nederlanderschap ontleent, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent. De in onderdeel b bedoelde verklaring van afstand heeft geen rechtsgevolg dan nadat de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en, op diens verzoek, de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is, daarover zijn gehoord. Geen afstand is mogelijk indien het kind en die ouder daartegen bedenkingen hebben. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand zelfstandig af en kan daarin niet worden vertegenwoordigd. 2. Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in: a. indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit; b. door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden; c. indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden; d. indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb.268), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; e. indien de minderjarige in het land van de door hem verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; 5.6. indien de minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; of 5.7. indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is. Voor de toepassing van de onderdelen a, b, c en g wordt onder een ouder mede verstaan de adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent. Relevante bepalingen uit de Wet Basisregistratie personen Artikel 1.7 1. Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 0f 2.76 is geplaatst; b. het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, doet; c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald; d. een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.' Artikel 2.34 1. Een bestuursorgaan dat in verband met de verstrekking van een authentiek gegeven uit de basisregistratie gerede twijfel heeft over de juistheid van dat gegeven, doet hiervan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente. Gegevens over nationaliteit zijn authentieke gegevens. Dit volgt uit artikel 2 van het Besluit basisregistratie personen. Artikel 28 De betreffende gemeente stelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de mededeling ervan in kennis of deze mededeling aanleiding is geweest voor verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens in de BRP, dan wel dat bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 van de wet is geplaatst in verband met het doen van een onderzoek naar de onjuistheid van het gegeven. Artikel 2.60 Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om: e. ambtshalve over te gaan tot verbetering, aanvulling of verwijdering van een algemeen gegeven; wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.61 2.Voor zover een besluit als bedoeld in artikel 2.60 het Nederlanderschap betreft, kan de betrokkene zich uitsluitend wenden tot de rechtbank Den Haag met een verzoek als bedoeld in artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Overige relevante regelgeving uit het Burgerlijk Wetboek Artikel 10:100 1. Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij: a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land; b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Artikel 10:101 1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. 2. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 100 lid 1, onderdeel c, van dit Boek doet zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voor A indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen; b. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 95 lid 3, van dit Boek toepasselijk is, of c. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Europese Unie/Europese Economische Ruimte. Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2017:354. Zaaknummer NL24.29704. Zaaknummer NL25.49443. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw. Vreemdelingencirculaire 2000. Zie de bijgevoegde regelgeving uit het Burgerlijk wetboek. Zie de bijgevoegde regelgeving uit de Rijkswet op het Nederlanderschap. Basisregistratie Personen. Wet Basisregistratie personen. Rijkswet op het Nederlanderschap. De minister verwijst naar de als bijlage van het verweerschrift gevoegde niet gepubliceerde uitspraak van deze rechtbank van 21 mei 2021 (zaaknummers: AWB 20/3155, AWB 20/31559 en AWB 20/3163), en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 april 2022 (zaaknummer 202104116/1/V1) waarin voornoemde uitspraak is bevestigd. Burgerlijk wetboek. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3368. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3878. Zie hiervoor ook de niet gepubliceerde maar in het digitale dossier van eiseres gevoegde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 19 juni 2023, zaaknummer: AWB 22/5073 en zittingsplaats Utrecht van 13 mei 2026, met zaaknummer NL26.16842. ECLI:NL:RVS:2024:3368. ECLI:RVS:2019:1046, r.o. 3.3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 219, nr. 6. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3878. ECLI:NL:RVS:2024:3368. Kamervragen (Aanhangsel) 2024-2025, nr. 1309, antwoord 12 en 13. ECLI:NL:RVS:2024:3368. Algemene wet bestuursrecht.