Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:20747 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 22-07-2026 (C/09/692248 / HA ZA 25-848)

Rechtbank Den Haag
Summary

Erfrecht - uitleg van testament

How it connects

Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/692248 / HA ZA 25-848 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats 1] , eiser, advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg, tegen 1 [gedaagde sub 1] te [woonplaats 2] , niet verschenen, 2. [gedaagde sub 2] te [woonplaats 3] , advocaat: mr. R. Swager te Amsterdam, 3. [gedaagde sub 3] te [woonplaats 4] , niet verschenen, 4. [gedaagde sub 4] te [woonplaats 5] , niet verschenen, 5. [gedaagde sub 5] te [woonplaats 6] ( [land 1] ), niet verschenen, 6. [gedaagde sub 6] te [woonplaats 7] , niet verschenen, 7. [gedaagde sub 7] te [woonplaats 2] , niet verschenen, 8. [gedaagde sub 8] te [woonplaats 8] , niet verschenen, 9. [gedaagde sub 9] te [woonplaats 5] , niet verschenen, 10. [gedaagde sub 10] te [woonplaats 9] , niet verschenen, 11. [gedaagde sub 11] te [woonplaats 5] , niet verschenen, 12. [gedaagde sub 12] te [woonplaats 10] , niet verschenen, 13. [gedaagde sub 13] te [woonplaats 8] , niet verschenen, gedaagden. Eiser wordt hierna [eiser] genoemd, gedaagde sub 2 wordt hierna [gedaagde sub 2] genoemd en gedaagde sub 13 wordt hierna [gedaagde sub 13] genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk [gedaagden] c.s. genoemd. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Deze zaak gaat over de uitleg van een testament. Tussen partijen is in geschil of [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 op grond van dat testament als erfgenamen of als legatarissen moeten worden aangemerkt. Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag of [eiser] en [gedaagde sub 13] , gelet op de in het testament gebruikte aanduiding “mijn pleegkinderen” en de nadien gewijzigde omstandigheden, rechten aan het testament kunnen ontlenen. Verder is aan de orde of toepassing van het testament naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 1.2. De rechtbank zal hierna vaststellen hoe het testament moet worden uitgelegd en komt tot de conclusie dat erflaatster heeft bedoeld gedaagden sub 1 tot en met 4 (waaronder [gedaagde sub 2] ) als erfgenamen te benoemen en aan [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 een legaat te vermaken. Verder komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] en [gedaagde sub 13] rechten aan het testament kunnen ontlenen. Voor het buiten toepassing laten van het testament op grond van de redelijkheid en billijkheid bestaat geen aanleiding. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaardingen van 5 juni 2025, met producties 1 tot en met 23 (gedaagden sub 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12 en 13); de dagvaarding van 11 juni 2025, met producties 1 tot en met 23 (gedaagde sub 6); de dagvaarding van 12 juni 2025, met producties 1 tot en met 23 (gedaagde sub 2); de dagvaardingen van 13 juni 2025, met producties 1 tot en met 23 (gedaagden sub 1 en 7); de akte van 29 oktober 2025 van [eiser] , met producties 24 en 25; de akte van 3 december 2025 van [eiser] , met producties 26 tot en met 31; de exploten van 16 december 2025; de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] , met producties 1 tot en met 21; de akte van [eiser] van 14 januari 2026, met producties 32 tot en met 34; de akte houdende overleggen producties van [eiser] , met producties 35 tot en met 42. 2.2. Op 15 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn toegevoegd aan het procesdossier. 3 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. Op 2 april 2022 is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden te [plaats 1] , [land 2] . Erflaatster had de Nederlandse nationaliteit. 3.2. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en had geen geregistreerd partner. Zij had geen kinderen. 3.3. Gedaagden sub 1 tot en met sub 4 zijn broers en zus van erflaatster. 3.4. Gedaagden sub 5 tot en met sub 12 zijn neven en nichten van erflaatster. 3.5. Erflaatster heeft vanaf medio 1990 een relatie gehad met de heer [naam] , de vader van [eiser] en [gedaagde sub 13] (hierna: [naam] ). De relatie tussen erflaatster en [naam] is voor het overlijden van erflaatster beëindigd. 3.6. Erflaatster heeft voor het laatst op 14 februari 2017 bij testament over haar nalatenschap beschikt (hierna: het testament). Zij heeft [naam] in het testament tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd, althans notaris mr. J.A.C.M. Geurts, althans haar waarnemer of opvolger. Omdat de benoeming van [naam] niet meer gold door het eindigen van de relatie en de notaris de benoeming niet heeft aanvaard, is er geen executeur of afwikkelingsbewindvoerder. 3.7. In het testament van erflaatster staat, voor zover relevant, het volgende: “ Herroeping en rechtskeuze I. a. (…) b. Ik bepaal, dat op de uitleg van dit testament, op de erfopvolging en afwikkeling van mijn nalatenschap Nederlands recht van toepassing is. Legaten II. Ik legateer, niet vrij van belasting en kosten, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden, aan mijn partner [naam] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] negentienhonderd zeven en veertig ( [geboortedatum 1] 1947), met wie ik een gemeenschappelijke huishouding voer en onder voorbehoud dat ik bij mijn overlijden nog met hem samenwoon en hij mij meer dan dertig dagen overleeft, de dag van mijn overlijden niet meegerekend: a. alle tot mijn nalatenschap behorende inboedelgoederen in de zin van artikel 5 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, inclusief de aldaar uitgezonderde goederen, met uitzondering evenwel van mijn boeken en die inboedelgoederen waarover ik bij codicil heb beschikt; b. het recht van gebruik van de boeken, waarover ik bij codicil niet heb beschikt. (…) III. Ik legateer, vrij van belasting en kosten, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden, aan [eiser] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] negentienhonderd tachtig ( [geboortedatum 2] 1980), de boeken waarover ik bij codicil niet heb beschikt, doch met inachtneming van hetgeen hiervoor onder II.b. is bepaald. Erfstelling met betrekking tot in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen IV. Onder de verplichting tot afgifte van voormelde legaten, benoem ik voor wat betreft mijn in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen tot mijn erfgenamen mijn broers en zuster (…) tezamen en voor gelijke delen, echter met dien verstande dat zij over hun verkrijging niet meer belasting zijn verschuldigd dan dertig procent (30%). Het (eventueel) resterende gedeelte van mijn in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen vermaak ik aan de kinderen van mijn voornoemde broers en zuster en mijn beide pleegkinderen, namelijk: 1. [gedaagde sub 5] (…); 2. mevrouw [gedaagde sub 6] ; 3. [gedaagde sub 7] (…); 4. [gedaagde sub 8] (…); 5. [gedaagde sub 9] (…); 6. [gedaagde sub 10] (…); 7. [gedaagde sub 11] (…); 8. [gedaagde sub 12] (…); 9. [eiser] , voornoemd; en 10. [gedaagde sub 13] (…). 3.8. Op 1 augustus 2022 heeft dezelfde notaris die het testament van erflaatster heeft verleden een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin staat dat gedaagden sub 1 tot en met 4 de erfgenamen van erflaatster zijn. 3.9. Gedaagden sub 1, 3 en 4 hebben een boedelvolmacht aan [gedaagde sub 2] (hun broer) afgegeven om hen te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap. 3.10. Bij e-mail van 16 november 2022 hebben [eiser] en [gedaagde sub 13] , voor zover relevant, het volgende aan [gedaagde sub 2] geschreven: “Graag verneem ik van u of u inderdaad optreedt als gevolmachtigde van mede-erfgenamen en zo ja, voor wie. Ik ontvang graag een afschrift van de schriftelijke volmacht. Tevens verzoek ik u mij nader te informeren omtrent de afwikkeling van de nalatenschap. Op welke wijze kan tot afgifte van het legaat worden overgegaan en wat is de omvang van de nalatenschap?” 3.11. [gedaagde sub 2] heeft op 29 november 2022 gereageerd dat de omvang van de nalatenschap zodanig is “dat er een resterend gedeelte is als bedoeld in het testament”. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het legaat en de erfstellingen ten behoeve van [eiser] en [gedaagde sub 13] zijn vervallen, dan wel vernietigbaar zijn. 3.12. Bij e-mail van 21 februari 2023 heeft [eiser] het standpunt van [gedaagde sub 2] weersproken en hem verzocht om voor 10 maart 2023 over te gaan tot uitkering van het boekenlegaat, een overzicht te verstrekken waaruit duidelijk wordt hoe een tiende gedeelte (van het resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van erflaatster) wordt berekend en over te gaan tot uitkering van de making. 3.13. [eiser] heeft de kantonrechter van deze rechtbank (hierna: de kantonrechter) verzocht een notaris aan te wijzen in de zin van artikel 672 Rv ten overstaan van wie een boedelbeschrijving wordt opgesteld. De kantonrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 6 februari 2024 toegewezen. 3.14. De notaris die door de kantonrechter is aangewezen heeft een boedelbeschrijving opgesteld. Een afschrift van de akte van boedelbeschrijving is op 13 juni 2024 aan [eiser] gestuurd. 3.15. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] meermaals verzocht om informatie over de afwikkeling van de nalatenschap te verstrekken. Hij heeft onder meer verzocht om een gespecificeerde opgave van het aan hem toekomende bedrag, een kopie van de aangifte erfbelasting en de bevestiging dat de boedelbeschrijving compleet is. 3.16. Op 25 september 2025 heeft [gedaagde sub 2] een kopie van de aangifte erfbelasting verstrekt aan [eiser] . 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert – na eisvermindering ter zitting – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. primair: te verklaren voor recht dat gedaagden sub 5 tot en met 12, [eiser] en [gedaagde sub 13] als erfgenaam gerechtigd zijn tot de nalatenschap van erflaatster (resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen); subsidiair: te verklaren voor recht dat gedaagden sub 5 tot en met 12, [eiser] en [gedaagde sub 13] als legataris gerechtigd zijn tot de nalatenschap van erflaatster (resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen); 2. te verklaren voor recht dat [eiser] als legataris recht heeft op afgifte van de boeken waarover erflaatster niet bij codicil heeft beschikt; 3. [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4, te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de boeken waarover erflaatster niet bij codicil heeft beschikt, af te geven aan [eiser] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000; 4. te verklaren voor recht dat de proceskosten voor rekening van [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4, althans [gedaagde sub 2] , komen en niet ten laste van de erfrechtelijke aanspraak van [eiser] mogen komen c.q. gebracht mogen worden; 5. [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4, te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de volgende stukken/informatie (in kopie) beschikbaar te stellen aan [eiser] : - (bewijs)stukken behorende bij de boedelbeschrijving; - afschriften van bankrekening [bankrekening 1] : vanaf 1 januari 2021 tot en met datum vonnis; - afschriften van bankrekening [bankrekening 2] : vanaf 1 januari 2021 tot en met datum vonnis; - afschriften van bankrekening [bankrekening 3] : vanaf 1 januari 2021 tot en met datum vonnis; - afschriften van effectenrekening [effectenrekening] : vanaf 1 januari 2021 tot en met datum vonnis; - afschriften van effectenrekening Robeco Sustainable Global Equities: vanaf 1 januari 2021 tot en met datum vonnis; althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4, in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000; 6. [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4, althans [gedaagde sub 2] , te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente als zij/hij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis hebben/heeft betaald. 4.2. [eiser] legt aan zijn eerste vordering ten grondslag dat de legaten en erfstelling in het testament afzonderlijk zijn opgenomen. Wat aan [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 is nagelaten staat onder het kopje “erfstelling”, zodat zij erfgenamen onder opschortende voorwaarde zijn. Die voorwaarde heeft zich vervuld. Het vermogen van erflaatster in Nederland is namelijk groter dan het deel waar gedaagden sub 1 tot en met 4 recht op hebben. Indien de rechtbank oordeelt dat zij geen erfgenamen zijn, zijn zij als legatarissen gerechtigd tot het resterende deel van de nalatenschap. Aan de tweede en derde vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij, zonder voorbehoud, recht heeft op afgifte van de boeken waarover erflaatster niet bij codicil heeft beschikt. Aan de vierde vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagden] c.s., althans gedaagden sub 1 tot en met 4 geheel ten onrechte en in strijd met het testament een discussie voeren waarbij de kosten ten laste van de erfrechtelijke aanspraak van [eiser] komen. Dit is volgens hem onrechtmatig jegens hem en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Aan de vijfde vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij als erfgenaam, althans als legataris, recht heeft op informatie om zijn erfrechtelijke aanspraken vast te kunnen stellen. 4.3. [gedaagde sub 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van alle vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Volgens [gedaagde sub 2] zijn gedaagden sub 5 tot en met 13 geen erfgenamen, maar legatarissen en had [eiser] zijn vorderingen derhalve alleen moeten richten tegen gedaagden sub 1 tot en met 4. Ten aanzien van de vorderingen 1 tot en met 3 betoogt [gedaagde sub 2] dat [eiser] en [gedaagde sub 13] geen rechten kunnen ontlenen aan het testament. [gedaagde sub 2] voert primair aan dat zij hieraan geen rechten kunnen ontlenen op grond van uitleg van het testament (artikel 4:46 BW ). In het testament worden zij vermeld als “mijn beide pleegkinderen” , maar ten tijde van het overlijden van erflaatster waren zij niet langer haar pleegkinderen en was de relatie tussen erflaatster en hun vader beëindigd. Subsidiair voert [gedaagde sub 2] aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] en [gedaagde sub 13] enig recht kunnen ontlenen aan het testament, gelet op de gewijzigde omstandigheden na het opmaken van het testament (artikel 6:2 BW). Meer subsidiair voert [gedaagde sub 2] aan dat [eiser] en [gedaagde sub 13] geen erfgenamen, maar legatarissen zijn. Volgens hem volgt dit uit de bewoordingen van het testament en wordt die uitleg bevestigd door de verklaring van erfrecht van de notaris die het testament heeft opgesteld. Ten aanzien van de vierde vordering betoogt [gedaagde sub 2] primair dat [eiser] geen enkele erfrechtelijke aanspraak heeft en dus ook geen belang heeft bij deze vordering. Subsidiair voert [gedaagde sub 2] aan dat er geen enkele grondslag voor deze vordering bestaat. Ten aanzien van de vijfde vordering betoogt [gedaagde sub 2] primair dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan het testament en dus geen belang heeft bij deze vordering. Subsidiair voert [gedaagde sub 2] aan dat het belang ontbreekt, omdat [eiser] geen erfgenaam maar legataris is en hij de notariële akte van de boedelbeschrijving heeft ontvangen. Deze zou voldoende moeten zijn om zijn legaat te kunnen berekenen. 4.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat gedaagde sub 5 in het [land 1] woont en erflaatster in [land 2] woonde en daar is overleden. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is. 5.2. De nalatenschap van erflaatster is op of na [datum] 2015 opengevallen. Daarom moet de Nederlandse rechter haar internationale bevoegdheid beoordelen aan de hand van de Erfrechtverordening. 5.3. [eiser] en [gedaagde sub 2] zijn in de procedure bij de kantonrechter (zie 3.13) overeengekomen dat “de Rechtbank Den Haag als gerecht van de lidstaat Nederland bij uitsluiting bevoegd zal zijn om uitspraak te doen over elke aangelegenheid die de erfopvolging in de nalatenschap van [erflaatster] betreft.” Dit is een forumkeuzeovereenkomst zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 en 2 van de Erfrechtverordening. De niet in deze procedure verschenen partijen zijn evenwel geen partij bij deze forumkeuzeovereenkomst en gesteld noch gebleken is dat zij zelf een forumkeuze hebben gemaakt. Voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter maakt dat echter niet uit. De Nederlandse rechter is namelijk ook op grond van artikel 10 lid 1 sub a van de Erfrechtverordening bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. Immers had erflaatster haar gewone verblijfplaats niet in een lidstaat van de Europese Unie – maar in [land 2] – en behoren tot de nalatenschap (ook) goederen die zich in Nederland bevinden. Bovendien had erflaatster op het moment van het overlijden de Nederlandse nationaliteit. Daarmee is voldaan aan de criteria van artikel 10 lid 1 van de Erfrechtverordening. 5.4. Erflaatster heeft in het testament het Nederlandse recht van toepassing verklaard op de erfopvolging en de afwikkeling van haar nalatenschap. Erflaatster had op het moment van overlijden de Nederlandse nationaliteit en heeft in haar testament een rechtsgeldige rechtskeuze voor het Nederlands recht gemaakt. Op grond van artikel 22 lid 1 van de Erfrechtverordening is het Nederlands recht dus van toepassing. Niet verschenen gedaagden 5.5. Tegen gedaagden sub 1 en sub 3 tot en met 13 is verstek verleend. Nu [gedaagde sub 2] in het geding is verschenen, geldt dit vonnis op grond van artikel 140 Rv ook jegens de niet verschenen gedaagden als op tegenspraak gewezen. Daarmee wordt één vonnis tussen alle partijen gewezen. 5.6. Op grond van artikel 139 Rv wordt de vordering tegen de niet verschenen gedaagden toegewezen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De door [gedaagde sub 2] gevoerde verweren werken in beginsel niet in het voordeel van de niet verschenen gedaagden, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing. Die uitzondering doet zich hier voor. Het geschil betreft immers de uitleg van een testament en de daaruit voortvloeiende aanspraken van partijen op de nalatenschap. Die uitleg dient ten aanzien van alle partijen gelijk te luiden, omdat de omvang van de aanspraken van partijen daarvan afhankelijk is. Over die rechtsbetrekking kan daarom niet jegens de afzonderlijke gedaagden verschillend worden beslist. De door [gedaagde sub 2] gevoerde verweren strekken zich daarom mede uit tot de niet verschenen gedaagden. Uitleg van het testament op grond van artikel 4:46 BW 5.7. Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij de uitleg van een testament worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van het testament van belang kunnen zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van het testament bij de erflaatster bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Verwachtingen van de erflaatster over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflaatster met het testament kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflaatster met het testament kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflaatster heeft beoogd. Erfstelling of legaat? 5.8. De rechtbank zal aan de hand van de hiervoor beschreven maatstaf allereerst beoordelen of erflaatster in haar testament met betrekking tot [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 een erfstelling of een legaat heeft willen opnemen. 5.9. In het testament is onder het kopje erfstelling bepaald: “(…) benoem ik (…) tot mijn erfgenamen mijn broers en zuster, namelijk:” , waarna uitsluitend gedaagden sub 1 tot en met 4 worden genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft erflaatster daarmee tot uitdrukking gebracht dat gedaagden sub 1 tot en met 4 als erfgenamen zijn aangewezen. 5.10. Ten aanzien van [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 is vervolgens bepaald: “Het (eventueel) resterende gedeelte (…) vermaak ik aan de kinderen van mijn voornoemde broers en zuster en mijn beide pleegkinderen, namelijk:” , waarna [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 worden genoemd. Het gebruik van deze terminologie ( “vermaak” ), die afwijkt van de terminologie die is gebruikt bij de erfstelling van gedaagden sub 1 tot en 4, vormt een duidelijke aanwijzing dat erflaatster gedaagden sub 5 tot en met 13 niet eveneens tot erfgenamen heeft willen benoemen, maar aan hen een legaat heeft willen toekennen. Dat deze bepaling is opgenomen onder het kopje “erfstelling” leidt niet tot een ander oordeel. Doorslaggevend zijn de inhoud en bewoordingen van de bepaling zelf. 5.11. Deze uitleg vindt steun in de verklaring van erfrecht van 1 augustus 2022, opgesteld door de notaris die in 2017 ook het testament van erflaatster heeft verleden. In die verklaring van erfrecht zijn uitsluitend gedaagden sub 1 tot en met 4 als erfgenamen van erflaatster vermeld. De rechtbank acht dit eveneens een sterke aanwijzing dat erflaatster in haar testament alleen gedaagden sub 1 tot en met 4 tot erfgenamen heeft willen benoemen. 5.12. De rechtbank concludeert daarom dat erflaatster uitsluitend gedaagden sub 1 tot en met 4 tot erfgenamen heeft benoemd en dat [eiser] en gedaagden sub 5 tot en met 13 als legatarissen hebben te gelden. 5.13. Nu gedaagden sub 5 tot en met 13 geen erfgenamen zijn, maar slechts een vorderingsrecht uit hoofde van legaat hebben, ontbreekt een grondslag voor de tegen hen ingestelde vorderingen. De vorderingen jegens gedaagden sub 5 tot en met 13 zullen daarom worden afgewezen. Uitleg van het legaat ten aanzien van het resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen 5.14. Verder dient de rechtbank te beoordelen of [eiser] en [gedaagde sub 13] rechten kunnen ontlenen aan het aan hen vermaakte legaat. 5.15. Uit het testament volgt dat het legaat uitsluitend wordt uitgekeerd als de verkrijging van de vier erfgenamen (gedaagden sub 1 tot en met 4) het maximale bedrag binnen de eerste schijf van de erfbelasting bereikt (waarover gedaagden sub 1 tot en met 4 dertig procent erfbelasting verschuldigd zijn), en er vervolgens nog een batig saldo in de nalatenschap resteert. Het resterende saldo komt dan bij wijze van legaat toe aan de tien legatarissen, waarbij zij elk een tiende deel ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan het legaat verbonden voorwaarde is vervuld. 5.16. [gedaagde sub 2] voert aan dat [eiser] en [gedaagde sub 13] aan dit legaat nu geen rechten (meer) kunnen ontlenen. Volgens hem moet het testament namelijk zo worden uitgelegd dat het legaat uitsluitend gold zolang erflaatster [eiser] en [gedaagde sub 13] als haar pleegkinderen beschouwde. Nu de relatie tussen erflaatster en [naam] vóór haar overlijden is beëindigd, tussen haar en [naam] en zijn zonen een conflict is ontstaan en het contact tussen haar en [eiser] en [gedaagde sub 13] is verbroken, zag erflaatster hen ten tijde van haar overlijden niet langer als haar pleegkinderen. 5.17. Het betoog van [gedaagde sub 2] slaagt niet. In het testament worden [eiser] en [gedaagde sub 13] door erflaatster aangeduid als “mijn beide pleegkinderen” . Deze aanduiding dient naar het oordeel van de rechtbank te worden opgevat als een omschrijving van de relatie die erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament met [eiser] en [gedaagde sub 13] had. Vaststaat dat erflaatster ten tijde van het opstellen van haar testament al geruime tijd niet meer met [eiser] en [gedaagde sub 13] in één huis woonde. [eiser] en [gedaagde sub 13] waren ten tijde van het opmaken van het testament bovendien al geruime tijd volwassen. Desondanks heeft erflaatster ervoor gekozen hen in haar testament op te nemen en hen aan te duiden als haar pleegkinderen. Daaruit leidt de rechtbank af dat erflaatster hen, ondanks het ontbreken van een feitelijke opvoedingssituatie ten tijde van het opmaken van het testament, nog steeds als haar pleegkinderen beschouwde en aan hen een legaat heeft willen nalaten. 5.18. Verder acht de rechtbank van belang dat erflaatster in artikel II van haar testament ten aanzien van [naam] uitdrukkelijk heeft bepaald dat het aan hem vermaakte legaat uitsluitend zou gelden indien zij ten tijde van haar overlijden nog met hem zou samenwonen. Dit voorbehoud heeft zij niet ten aanzien van [eiser] en [gedaagde sub 13] gemaakt. Kennelijk heeft erflaatster dus rekening gehouden met de mogelijkheid dat de relatie tussen haar en [naam] zou eindigen, maar heeft zij daaraan geen gevolgen willen verbinden voor het aan zijn zonen, [eiser] en [gedaagde sub 13] , vermaakte legaat. Naar het oordeel van de rechtbank moet het testament daarom zo worden uitgelegd dat de aanspraak van [eiser] en [gedaagde sub 13] op het legaat ook na beëindiging van de relatie tussen erflaatster en [naam] bleef bestaan. 5.19. [gedaagde sub 2] heeft verder aangevoerd dat zich na het opmaken van het testament zodanig ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden hebben voorgedaan, dat moet worden aangenomen dat erflaatster niet langer heeft gewild dat [eiser] en [gedaagde sub 13] rechten aan het aan hen vermaakte legaat zouden kunnen ontlenen. Hij heeft daarbij verwezen naar de beëindiging van de relatie tussen erflaatster en [naam] , de daaropvolgende (juridische) conflicten tussen erflaatster en [naam] en uitlatingen van erflaatster dat [eiser] en [gedaagde sub 13] niet langer “beloond” zouden moeten worden. 5.20. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet tot een andere uitleg van het testament leiden. Indien erflaatster haar uiterste wil had willen wijzigen, lag het op haar weg haar testament dienovereenkomstig aan te passen. Uit de stellingen van [gedaagde sub 2] volgt dat erflaatster zich ervan bewust was dat daarvoor een wijziging van haar testament noodzakelijk was. [gedaagde sub 2] heeft immers ter zitting verklaard dat hij hierover informatie bij een notaris heeft ingewonnen en deze informatie met erflaatster heeft gedeeld. Erflaatster zou vervolgens hebben geaccepteerd dat zij haar testament niet meer zou kunnen wijzigen, omdat het voor haar niet mogelijk was om van [land 2] naar Nederland te reizen en bij een notaris langs te gaan. Er is niet gesteld of gebleken dat erflaatster vervolgens (vanuit [land 2] ) zelf nog heeft getracht haar uiterste wil door tussenkomst van een notaris te wijzigen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond om aan te nemen dat het testament, vanwege de nadien gewijzigde omstandigheden, anders moet worden uitgelegd dan uit de bewoordingen daarvan volgt. 5.21. [gedaagde sub 2] voert subsidiair aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] en [gedaagde sub 13] enig recht kunnen ontlenen aan het testament, gelet op de gewijzigde omstandigheden (artikel 6:2 BW). 5.22. De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor het buiten toepassing laten van een uiterste wil op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is slechts onder uitzonderlijke omstandigheden plaats. Van dergelijke omstandigheden is, ook indien wordt uitgegaan van de door [gedaagde sub 2] gestelde feiten en omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. 5.23. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] en [gedaagde sub 13] als legatarissen moeten worden aangemerkt en ieder recht hebben op een tiende deel van het resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogens-bestanddelen van erflaatster. De onder 1 primair gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen en de onder 1 subsidiair gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. Boekenlegaat 5.24. Vervolgens ligt de vraag voor of de vorderingen van [eiser] met betrekking tot het boekenlegaat (vordering 2 en 3) toewijsbaar zijn. In artikel III van het testament is aan [eiser] , zonder enig voorbehoud, het legaat van de boeken waarover erflaatster niet bij codicil heeft beschikt toegekend. [eiser] heeft daarom in beginsel recht op afgifte van de onder het legaat vallende boeken. 5.25. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat het boekenlegaat in ieder geval betrekking heeft op een serie boeken van schrijver F. Bordewijk en dat hij verder niet weet om welke boeken het gaat. [eiser] heeft verder toegelicht dat hij niet weet waar de betreffende boeken zich ten tijde van het overlijden van erflaatster bevonden. [gedaagde sub 2] heeft ter zitting aangevoerd dat hij en de overige erfgenamen niet meer over boeken van erflaatster beschikken. Na het overlijden van erflaatster hebben zij boeken van erflaatster uit haar appartement in [plaats 2] meegenomen. Dit ging om romans, lesboeken en boeken van de universiteit. Deze boeken zijn enige tijd opgeslagen geweest in een opslag, maar de betreffende opslag is vorig jaar leeggehaald en de boeken zijn weggedaan, aldus [gedaagde sub 2] . Door [eiser] zijn verder geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat gedaagden sub 1 tot en met 4 boeken van erflaatster die onder het legaat vallen onder zich houden. Dit kan dus ook niet worden vastgesteld. Nu een veroordeling van gedaagden 1 tot en met 4 tot afgifte van boeken slechts kan worden toegewezen indien vast staat dat zij beschikken over boeken die onder het legaat vallen, zal de vordering tot afgifte daarvan (vordering 3) worden afgewezen. 5.26. De gevorderde verklaring voor recht (vordering 2) zal wel worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende belang bij deze vordering. Hij heeft er ter zitting op gewezen dat gedaagden sub 1 tot en met 4 in de conclusie van antwoord nog hebben aangevoerd dat er geen boeken van erflaatster aanwezig waren, terwijl ter zitting is gebleken dat er wel boeken van erflaatster zijn geweest, dat die zijn weggedaan en dat daarmee dus niet is gehandeld naar het testament, op grond waarvan [gedaagde sub 2] mogelijk zou kunnen worden aangesproken wegens onrechtmatig handelen. Dat [eiser] om die reden belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, is door [gedaagde sub 2] niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] tegen voornoemde achtergrond belang bij een verklaring voor recht dat hem op grond van het testament het boekenlegaat toekomt en dat hij recht heeft op afgifte van de daaronder vallende boeken. 5.27. Voor zover [gedaagde sub 2] ook ten aanzien van het boekenlegaat heeft willen aanvoeren dat [eiser] daaraan vanwege de gewijzigde omstandigheden geen rechten meer kan ontlenen, faalt dat verweer op de hiervoor onder 5.22 genoemde gronden. Draaglast van de proceskosten 5.28. Verder vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de door de erfgenamen gemaakte kosten van rechtsbijstand niet ten laste van zijn erfrechtelijke aanspraak mogen worden gebracht. 5.29. Aan deze gevorderde verklaring voor recht ligt de veronderstelling ten grondslag dat de kosten die gemoeid zijn met de onderhavige procedure en de eerdere procedure bij de kantonrechter ten laste van de nalatenschap worden gebracht waardoor [eiser] per saldo een lager bedrag uit de nalatenschap ontvangt. Hiervoor is echter al vastgesteld dat [eiser] legataris is (en geen erfgenaam), zodat hij een vorderingsrecht op de erfgenamen heeft. De waarde van het legaat wordt vastgesteld op basis van de boedelbeschrijving per datum overlijden van erflaatster. De afwikkeling van de nalatenschap en de daarmee samenhangende kosten (gemaakt na datum overlijden) komen voor rekening van de nalatenschap en daarmee van de erfgenamen. Deze kosten hebben geen effect op het legaat van [eiser] en de situatie waarvoor hij vreest is dus niet aan de orde. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] geen belang bij de onder 4 gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen. Informatieverstrekking 5.30. [eiser] vordert verstrekking van de bewijsstukken behorende bij de boedelbeschrijving, alsmede verstrekking van afschriften van vier bank- en effectenrekeningen van erflaatster. Aanvankelijk vorderde hij ook verstrekking van het codicil van erflaatster en de ingediende aangifte erfbelasting, maar ter zitting heeft hij zijn eis op die punten verminderd en daarom zullen deze stukken niet in dit vonnis worden besproken. 5.31. De rechtbank overweegt dat [eiser] legataris is en geen erfgenaam. De afwikkeling van de nalatenschap en de daartoe behorende administratie rust in beginsel bij de erfgenamen, terwijl een legataris slechts aanspraak heeft op hetgeen hem uit de nalatenschap is gelegateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] als legataris in dit geval geen recht op inzage in de onderliggende administratieve bescheiden van de nalatenschap, nu zijn aanspraak reeds kan worden bepaald aan de hand van de vastgestelde boedelbeschrijving. Het staat vast dat een onafhankelijke notaris, in opdracht van de kantonrechter, een boedelbeschrijving heeft opgesteld op basis van onderliggende stukken, waaruit de samenstelling en waarde van de nalatenschap per datum overlijden blijkt. Niet is gesteld of gebleken dat deze boedelbeschrijving onjuist of onvolledig is. Met de boedelbeschrijving beschikt [eiser] naar het oordeel van de rechtbank over voldoende gegevens om zijn aanspraak uit hoofde van zijn legaat te kunnen bepalen en heeft hij dus geen belang bij verstrekking van de (onderliggende) bewijsstukken behorende bij de boedelbeschrijving en van de afschriften van de bank- en effectenrekeningen van erflaatster. 5.32. Voor het verstrekken van afschriften na datum overlijden bestaat ook overigens geen belang, nu de omvang van de nalatenschap op grond van artikel 4:6 BW wordt bepaald naar het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster. Deze peildatum geldt eveneens voor de vaststelling van de waarde van het legaat. Mutaties op bank- en effectenrekeningen na die datum zijn voor de omvang van de aanspraak van [eiser] dan ook niet relevant, nu hij niet deelt in waardestijgingen of -dalingen nadien. 5.33. Gelet op het voorgaande zal de onder 5 gevorderde verstrekking van voornoemde gegevens worden afgewezen. Proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad 5.34. Omdat beide partijen op inhoudelijke punten gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.35. [eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu uitsluitend verklaringen voor recht worden uitgesproken en de proceskosten worden gecompenseerd, ontbreekt een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling. De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt daarom afgewezen. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verklaart voor recht dat gedaagden sub 5 tot en met 12, [eiser] en [gedaagde sub 13] als legataris gerechtigd zijn tot de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) voor het resterende gedeelte van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen; 6.2. verklaart voor recht dat [eiser] als legataris recht heeft op afgifte van de boeken waarover erflaatster niet bij codicil heeft beschikt; 6.3. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 6.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026. 3416 Productie 1 bij dagvaarding. Productie 3 bij dagvaarding. Productie 4 bij dagvaarding. Productie 5 bij dagvaarding. Productie 6 bij dagvaarding. Productie 7 bij dagvaarding. Productie 16 bij dagvaarding. Productie 17 bij dagvaarding. Productie 26 en 42 van eiser. Burgerlijk Wetboek. Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.

Similar Content