Skip to content
Case Law · Rechtbank NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Beperking inzagerecht art. 25 Wpg onvoldoende toegelicht. Beroep gegrond, echter inzage wordt na inzage door rechtbank alsnog niet toegekend

Rechtbank
Summary

Besluit n.a.v. verzoek om inzage in politiegegevens. Beroep gegrond met instandlating van rechtsgevolgen. Na kennisneming van die geheim te houden stukken en de door de korpschef gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat de korpschef alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom de goede uitvoering van de politietaak zwaarder weegt dan het belang van eiseres om inzage te krijgen in de politiegegevens. De korpschef heeft dan ook inzage kunnen weigeren.

How it connects

3 of 10 paragraphs apply legislation or carry a topic — see them in the full text ↓

Full text 10 paragraphs

Paragraphs carrying a topic or an applied provision show those connections inline Original at the source →
¶1

Eiseres heeft aangevoerd dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij toepassing heeft gegeven aan de uitzonderingsgrond in artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg. Uit het bestreden besluit vloeit namelijk niet voort dat een adequate belangenafweging is gemaakt, maar is enkel gewezen op het wetsartikel.

¶2

Aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg moet sinds 1 januari 2019 - als gevolg van een wijziging van voormeld artikel bij Wet van 17 oktober 2018 (Stb. 2018, 401) - een belangenafweging ten grondslag liggen.

¶3

In het bestreden besluit wordt met betrekking tot artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg het volgende overwogen: ‘Het is naar mijn mening noodzakelijk u […] informatie te onthouden ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (artikel 27, lid 1 onder b Wet politiegegevens). Het prijs geven van een informatie positie en/of tactieken van de politie kan zorgen dat de (voorkoming) opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen in het geding komen.’

¶4

In het aanvullende verweerschrift van 15 juli 2024 heeft de korpschef nader toegelicht dat de nadelige gevolgen van de beperking van het inzagerecht in dit geval niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, en dat hij daaraan een zwaarder gewicht heeft toegekend in het bestreden besluit. Daarmee heeft wel degelijk een belangenafweging plaatsgevonden. Bij een dergelijke motivering ontkomt de korpschef er niet aan zich te onthouden van een verdere inhoudelijke uiteenzetting, omdat dan juist politiegegevens worden prijsgegeven. De korpschef meent dat de motivering in het bestreden besluit een voldoende adequate uitleg geeft over de reden waarom inzage van die politiegegevens wordt geweigerd. Iedere verdere inhoudelijke motivering over de “waarom vraag”, zal leiden tot het prijsgeven van de aard en inhoud van de geweigerde kennisname van de politiegegevens. Dit zou het doel van artikel 27, eerste lid, sub b, van de Wpg ondergraven. Er is daarom ook geen strijd met het motiveringsbeginsel.

¶5

De rechtbank volgt de korpschef niet in dit betoog. De rechtbank is van oordeel dat de enkele herhaling en parafrasering van de uitzonderingsgrond in het bestreden besluit onvoldoende blijk geeft van een afweging van belangen. Daarbij blijft onduidelijk hoe de belangen van eiseres zijn meegewogen, enkel al omdat deze belangen in het bestreden besluit niet zijn genoemd. In het bestreden besluit is dan ook naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de uitzonderingsgrond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg in het geval van eiseres aan inzage in de weg staat.

¶6

Dit is een gebrek dat naar het oordeel van de rechtbank niet gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

¶7

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal hierna onderzoeken of er aanleiding is de rechtsgevolgen in stand te laten.

¶8

De korpschef heeft in de geheime stukken, ook onder verwijzing naar de betreffende politiegegevens, een nadere motivering gegeven over de toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg in het geval van eiseres. De korpschef heeft ook nog onderzocht of er voor eiseres een minder belastend alternatief dan de in het bestreden besluit gegeven motivering beschikbaar is. Hij is – samengevat weergegeven – tot de conclusie gekomen dat dat niet het geval is omdat bij een ruimere motivering er niet aan wordt ontkomen dat essentiële politiegegevens worden prijsgegeven.

¶8.1

Na kennisneming van die geheim te houden stukken en de door de korpschef gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat de korpschef alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom – kort gezegd – de goede uitvoering van de politietaak zwaarder weegt dan het belang van eiseres om inzage te krijgen in de politiegegevens. De nadelige gevolgen voor eiseres zijn daarmee niet onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doel(en). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef dan ook inzage kunnen weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg.

¶9

De rechtbank ziet om die reden aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Conclusie en gevolgen Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het verschijnen op zitting). De korpschef moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiseres van € 907,-; bepaalt dat de korpschef het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1735. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139, rechtsoverweging 9.

Similar Content