Oogmerk van identiteitsfraude bij verkrijgen persoonsgegevens van vele anderen.
Cyberkamer. De verdachte heeft gedurende een periode van meer dan twee jaar zogeheten bots gekocht van Genesis Market. Daardoor kon hij beschikken over inloggegevens van andere personen, zoals gebruikersnamen en wachtwoorden. Deze inloggegevens heeft verdachte gebruikt door bij verschillende webshops op de accounts van anderen in te loggen en producten te bestellen onder hun naam en op hun kosten. Dit handelen is bewezen verklaard als het verwerven en voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl de verdachte ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen, (art. 139g Sr), het ontvangen, zich verschaffen en voorhanden hebben van gegevens waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in art. 231b Sr omschreven misdrijf (art. 234 Sr), misbruik van identificerende persoonskenmerken door met behulp daarvan op naam van 34 personen met voornoemde persoonsgegevens bestellingen bij webwinkels te doen (art. 231b Sr) en computervredebreuk door gebruik te maken van door misdrijf verkregen combinaties van gebruikersnamen en/of e-mailadressen en/of bijbehorende wachtwoorden, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was (art. 138ab Sr). Gelet op onder meer het aantal bots en slachtoffers, het leed en de onzekerheid die de verdachte met zijn handelen heeft veroorzaakt bij de slachtoffers die bekend zijn geraakt met het feit dat hun (inlog-)gegevens in verkeerde handen waren gevallen en het strafblad van de verdachte, is het hof van oordeel dat een hogere straf dient te worden opgelegd dan de rechtbank had opgelegd. Toewijzing van vordering benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade (art. 6:106 BW) als gevolg van identiteitsfraude. Teruggave van laptops nu enige relatie tot de bewezenverklaarde strafbare feiten niet vastgesteld kan worden.
How it connects
References
Related across sources
Full text 4 paragraphs
Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 12] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, waarbij geen specifiek bedrag is gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, maar uitdrukkelijk aangegeven geen schadevergoeding meer te vorderen. Het hof zal dan ook geen beslissing nemen ten aanzien van deze vordering. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, acht het hof het in verband met het voorgaande aangewezen dat een kostenveroordeling achterwege blijft. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 11] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Naar het oordeel van het hof is de vordering onvoldoende onderbouwd en levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gemotiveerd gerekwireerd tot toewijzing van de vordering. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, maar daarbij is ook te kennen gegeven dat de verdachte zich ermee kan verzoenen als het hof de vordering tot schadevergoeding wel toewijst. Het hof overweegt dat voor vergoeding van immateriële schade een wettelijke grondslag is vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat artikel luidt, voor zover hier van belang: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: (...) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.” Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de onderhavige normschendingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, de daardoor op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij gemaakte inbreuk en de gevolgen die dit blijkens de onderbouwing van de vordering ook overigens voor de benadeelde partij heeft gehad, sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, terwijl de benadeelde partij daarnaast door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar eer of goede naam is geschaad, een en ander als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde (in het bijzonder de onder 4 bewezen verklaarde identiteitsfraude) en gelet op de aard van de gegevens die de verdachte heeft misbruikt en de wijze waarop dat is gebeurd enorm veel stress heeft ervaren, maar ook imagoschade. Ze was steeds bang (voor nog meer ellende), haar vertrouwen werd aangetast en zij kon wel huilen. Haar integriteit voelt aangetast en haar naam is besmeurd, naar het hof begrijpt in het bijzonder door het bestellen van goederen op haar naam, waarna betaling daarvoor uitbleef. Dit heeft er concreet toe geleid dat diverse commerciële partijen haar hebben uitgesloten van het gebruik van hun diensten ten gevolge van het misbruik van haar identiteit door de verdachte. De omstandigheid dat verdere onderbouwing van de vordering in de vorm van deskundige rapportage ontbreekt, staat gelet op de uitvoerige en genuanceerde wijze waarop de benadeelde partij de vordering heeft toegelicht niet aan toewijzing in de weg. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de leeftijd van het slachtoffer in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (tot op zekere hoogte) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd de twee inbeslaggenomen laptops (onder 1 en 2 op de beslaglijst) verbeurd te verklaren op de grond dat ervan uitgegaan moet worden dat deze bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen laptops geen verweer gevoerd. Voor onttrekking aan het verkeer dan wel verbeurdverklaring van een goed is vereist dat er enige relatie is tot het bewezenverklaarde strafbare feit, in die zin dat het (onder andere) een goed betreft met betrekking tot welke het feit is begaan of met behulp waarvan het feit is begaan. Ook kan het gaan om een goed dat van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake ten aanzien van de twee laptops zoals hiervoor genoemd. De inhoud van die laptops is immers niet bekend, en er zijn ook geen andere omstandigheden waaruit een relatie met de bewezen verklaarde strafbare feiten kan blijken. De enkele omstandigheid dat de laptops in verband met het onderzoek naar de in deze zaak bewezen verklaarde feiten in de woning van de verdachte zijn aangetroffen is daarvoor onvoldoende. Daarom zal het hof de teruggave van deze laptops gelasten. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 138ab, 139g, 231b en 234 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
(zesendertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
(tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 augustus 2023. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen:
STK Computer (Omschrijving: G_766233 Inclusief lader, muis en tas, zwart, merk: HP). Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. B.P. de Boer, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2025. Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.