Schending eer en goede naam en bescherming werknemers weegt zwaarder.
Kort geding. Verbod op het doen van onrechtmatige uitlatingen en het benaderen van bestuurders, medewerkers, organen en locaties van de Stichting. Gebod tot het verwijderen van alle gedane openbare uitlatingen.
How it connects
Related across sources
Full text 37 paragraphs
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 9 - de brief van de Stichting d.d. 24 november 2025 met productie
(deel 1 t/m 18) en productie
(USB-stick) - de akte vermeerdering van eis van de Stichting - de mondelinge behandeling op 9 december 2025, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden. Waar gaat deze zaak over ? [gedaagde] plaatst regelmatig berichten, foto’s en video’s op diverse websites en Facebookpagina’s over wat hij aanduidt als ‘wantoestanden in de ouderenzorg’. Hij verwijst daarbij onder meer naar de Stichting en [zorglocatie] en plaatst daarbij soms ook foto’s van personeelsleden en bestuursleden en video’s waarin hij naar bepaalde werknemers verwijst en/of hun naam noemt. De Stichting wil dat hij alle berichten, foto’s en video’s verwijdert en dat het hem verboden wordt om nieuwe berichten te posten. De Stichting wil ook dat aan [gedaagde] een dwangsom (geldboete) wordt opgelegd als hij zich niet houdt aan het vonnis en -als dat nodig mocht blijken- ook lijfsdwang (gevangenhouding).
De Stichting is een zorginstelling in de regio Arnhem en biedt zorg en ondersteuning aan ouderen, variërend van thuiszorg tot wonen met intensieve zorg en begeleiding. De ouders van [gedaagde] verblijven in woonzorgcentrum ‘ [zorglocatie] ’ van de Stichting. De vennootschap onder firma ParaGo is een multidisciplinair behandel- en expertisecentrum dat nauw betrokken is bij de zorgverlening. De Stichting is bestuurder van twee van de vennoten van dit centrum (de stichting Catharina en de stichting Insula Dei [zorglocatie] ). 2.2. [gedaagde] plaatst veelvuldig uitingen over de ouderenzorg op sociale media, die mede gericht zijn tegen de Stichting, ParaGo en [zorglocatie] in het bijzonder, en tegen medewerkers en bestuurders van de Stichting, waarin hij onder meer beschuldigingen uit van verwaarlozing, mishandeling en intimidatie van bewoners. Dat doet hij onder meer op het Facebookkanaal ' [Facebookpagina] ', maar ook op zijn persoonlijke Facebook-pagina ( [Facebookpagina] ), en op de Facebookpagina's ' [Facebookpagina] ', en ' [Facebookpagina] '. Daarnaast is [gedaagde] actief op meerdere Instagram-, Twitter/X- en TikTok-accounts. In zijn berichten tagt [gedaagde] soms ook externe partijen, zoals het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zorgverzekeraars VGZ en Menzis en verschillende nieuwskanalen.
Bij brief van 6 juni 2025 heeft de Stichting [gedaagde] een officiële waarschuwing gestuurd. Daarin staat dat [gedaagde] zich bij vragen over de zorgverleners van zijn ouders moet richten tot een aangewezen contactpersoon en zich moet onthouden van onheus of grensoverschrijdend gedrag, ook op sociale media richting medewerkers van de Stichting, ParaGo, medecliënten en hun familieleden.
Bij brief van 21 juli 2025 aan [gedaagde] heeft de Stichting deze voorwaarden herhaald en hem gesommeerd om alle uitingen waarin negatieve uitlatingen worden gedaan over de ouderenzorg en waarbij direct of indirect verwezen wordt naar de Stichting of ParaGo en/of haar medewerkers onmiddellijk te verwijderen, anders zal de Stichting stappen ondernemen en aangifte doen en bij nieuwe uitingen zal [gedaagde] de toegang worden ontzegd tot de afdeling of locatie van [zorglocatie] waar zijn ouders verblijven.
Bij brief van 13 augustus 2025 is aan [gedaagde] een locatieverbod opgelegd en is hem gedurende twee maanden de volledige toegang tot [zorglocatie] ontzegd.
Bij brief van 4 september 2025 schrijft de Stichting aan [gedaagde] dat zijn gedrag van kwaad tot erger wordt. Zij verwijst naar een post van [gedaagde] op de Facebookpagina ‘ [Facebookpagina] ’ met foto’s van zijn moeder, een link naar het adres van [zorglocatie] en een post waarin een foto van een medewerker is geplaatst. Ook wordt verwezen naar een video waarin hij een naam van een medewerker noemt en geld biedt voor de adresgegevens van die medewerker. De Stichting deelt [gedaagde] mede dat zij daarvan melding heeft gemaakt bij de politie en kondigt verdere (rechts)maatregelen aan als hij opnieuw uitingen plaatst die direct of indirect dreigend zijn of de veiligheid van (medewerkers van) de Stichting of ParaGo aantasten.
De Stichting heeft het eerder aan [gedaagde] opgelegde locatieverbod inmiddels verlengd.
De Stichting vordert in de inleidende dagvaarding dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: I. [gedaagde] gebiedt om binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis in deze kortgedingprocedure alle door hem gedane openbare uitlatingen over (bestuurders, medewerkers, organen en locaties van) de Stichting (en ParaGo) te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag; II. [gedaagde] verbiedt om (bestuurders, medewerkers, organen en locaties van) Driegasthuizengroep (en ParaGo) te benaderen, dan wel foto's, video's of geluidsopnames van of over hen te maken, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per keer; III. [gedaagde] verbiedt om zich in het openbaar, waaronder begrepen via sociale media uit te laten over (bestuurders, medewerkers, organen en locaties van) de Stichting (en ParaGo), op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per keer; IV. [gedaagde] verbiedt om derden te bewegen om zich in het openbaar, waaronder begrepen via sociale media, uit te laten over (bestuurders, medewerkers, organen en locaties van) de Stichting (en ParaGo), op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per keer; V. tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaat: (a) als [gedaagde] niet binnen 21 dagen na het vonnis volledig aan het gebod onder I heeft voldaan, waarbij de lijfsdwang ten uitvoer kan worden gelegd tot het moment dat [gedaagde] het gebod onder I volledig is nagekomen met een maximum van één jaar, en/of; (b) de verbeurde dwangsommen voor de verboden onder II t/m IV binnen één jaar na het vonnis zijn opgelopen tot een bedrag van € 10.500,00, waarbij de lijfsdwang ten uitvoer kan worden gelegd voor een periode van twintig dagen per overtreding van een van de verboden onder II t/m IV; VI. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede gedaagde te veroordelen in de nakosten en de eventuele verdere executiekosten.
De Stichting stelt dat niet alleen sprake is van smaad en laster maar dat de uitingen van [gedaagde] steeds dreigender van toon worden en zorgen voor spanning en gevoelens van grote onveiligheid bij de betrokken medewerkers, waarvan meerderen inmiddels aangifte hebben gedaan tegen [gedaagde] naar aanleiding van zijn berichtgeving op Facebook. Er is sprake van ziekmeldingen en zelfs medewerkers die om die reden ontslag hebben genomen. De Stichting stelt dat de zorgverlening van de 36 bewoners in [zorglocatie] daardoor ernstig in gevaar komt en vreest bovendien voor verdergaande escalatie, nu [gedaagde] met zijn berichten ook anderen oproept tot actie. Ondanks diverse officiële waarschuwingen van de Stichting en het opgelegde locatieverbod blijft [gedaagde] lasterlijke uitspraken doen en opruiende berichten posten over de ouderenzorg, waarbij hij direct en indirect verwijst naar de Stichting, ParaGo, [zorglocatie] en haar medewerkers en bestuursleden. De Stichting baseert haar vorderingen op onrechtmatige daad, bestaande uit 1) bedreiging, belediging en opruiing en 2) aantasting van een subjectief recht, dan wel handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid, en stelt dat de vrijheid van meningsuiting aan die onrechtmatigheid niet af doet.
Ter zitting heeft de Stichting verder verklaard dat zij inmiddels 7 dagen per week, 24 uur per dag beveiliging heeft moeten inschakelen in [zorglocatie] , omdat [gedaagde] ondanks eerdere waarschuwingen en locatieverboden doorgaat met zijn lasterlijke uitlatingen en het maken en plaatsen van foto’s en video’s van medewerkers en bestuurders. Recent is [gedaagde] bovendien ’s avonds met zijn auto een medewerker van [zorglocatie] gevolgd op weg van het werk naar huis.
Rv buiten beschouwing worden gelaten en zal worden beslist op het petitum zoals dat is opgenomen in de dagvaarding.
Gelet op de verstekverlening tegen [gedaagde] dient binnen het bestek van dit kort geding op grond van artikel
Rv te worden beoordeeld of de door de Stichting ingestelde vorderingen de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Kern van het geschil betreft de vraag of de openbare (online) uitlatingen van [gedaagde] over (werknemers, bestuursleden, organen en locaties van) de Stichting (en ParaGo) onrechtmatig zijn en daarom gestaakt, verboden en verwijderd moeten worden. Het spoedeisend belang van de Stichting bij haar vorderingen vloeit daarmee voldoende voort uit haar stellingen. Toetsingskader
Voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid geldt het volgende toetsingskader. In het onderhavige geschil staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, rechten tegenover elkaar, te weten enerzijds het recht van de Stichting op bescherming van haar goede naam tegen lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen (artikel
EVRM) en anderzijds de vrijheid van [gedaagde] om zijn mening te uiten (artikel
Grondwet en artikel
Bij een botsing tussen deze fundamentele rechten moet het antwoord op de vraag welke van deze rechten in deze zaak zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden, waaronder de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de beschuldigingen . Deze opsomming is niet limitatief. Het oordeel dat een van deze rechten, na weging van alle omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets als genoemd in het tweede lid van artikel 8 en
EVRM en daarmee gerechtvaardigd is . De uitlatingen van [gedaagde]
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitlatingen van [gedaagde] met de hiervoor weergegeven inhoud onrechtmatig zijn jegens de Stichting, ParaGo, haar medewerkers en bestuurders. De uitlatingen van [gedaagde] gaan veel verder dan het uiten van zorgen over of kritiek op (de kwaliteit van) de ouderenzorg. Het gaat om ernstige beledigingen, verdachtmakingen en beschuldigingen, rechtstreeks gericht tegen medewerkers en bestuurders van de Stichting en [zorglocatie] . Sommige berichten zijn bovendien ronduit bedreigend en intimiderend bedoeld en hebben daarnaast een opruiend karakter. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] met zijn uitlatingen de grens die in artikel 10 lid
EVRM is gesteld aan de vrijheid van meningsuiting, ruimschoots heeft overschreden. Gelet op het voorgaande weegt het belang van de Stichting op bescherming van haar eer en goede naam en het recht van haar werknemers, bestuurders en andere betrokkenen om beschermd te worden tegen vergaande ongefundeerde beledigingen, beschuldigingen en bedreigingen en schending van hun privacy zwaarder dan het recht van [gedaagde] om zich publiekelijk te mogen uiten over (de kwaliteit van) de ouderenzorg of het gebrek daaraan, zeker op de wijze waarop hij dit heeft gedaan en nog altijd doet.
De vorderingen van de Stichting komen de voorzieningenrechter dan ook niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen daarom grotendeels worden toegewezen, met dien verstande dat het geen algemeen en onbeperkt verbod inhoudt tot het doen van uitlatingen over (vermeende) misstanden in de ouderenzorg in zijn algemeenheid. De op te leggen veroordelingen zien specifiek op de uitlatingen (berichten, geluidsopnames, foto’s en video’s) van [gedaagde] op sociale media voor zover deze gaan over en gericht zijn tegen de Stichting, ParaGo, [zorglocatie] alsmede haar medewerkers en bestuurders, zoals hiervoor weergegeven in rov. 3.6., dan wel uitlatingen van gelijke aard en strekking (hierna verder aan te duiden als: de onrechtmatige uitlatingen). Vordering I – verwijdering alle openbare uitlatingen
Dit gebod is toewijsbaar voor zover het gaat om de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] die zijn geplaatst op de (eigen) sociale media accounts van [gedaagde] , waarvan hij de beheerder is. Vordering II – contactverbod en verbod maken foto-, video- en geluidsopnames
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Stichting toegelicht dat deze vordering niet ziet alleen op het benaderen van medewerkers en bestuurders van [zorglocatie] en het maken van geluidsopnames, foto’s of video’s van of over hen op deze locatie, maar ook daarbuiten. Deze verboden zijn toewijsbaar, gelet op de ernst van de gedragingen van [gedaagde] , waaronder het plaatsen van foto’s of video’s van zorgmedewerkers op sociale media, hetsamenstellen van een ‘zwarte lijst’ en (recent) ook het volgen van een medewerker van [zorglocatie] naar diens woonadres. [gedaagde] zal daarom een contactverbod opgelegd krijgen om medewerkers en bestuurders van [zorglocatie] te benaderen (waarmee ook bedoeld wordt: volgen) alsmede een verbod om foto-, video-, en geluidsopnames van of over medewerkers en bestuurders van [zorglocatie] te maken, zowel binnen die locatie als daarbuiten. Het contactverbod binnen de locatie van [zorglocatie] duurt zolang het door de Stichting aan [gedaagde] opgelegde locatieverbod van kracht is. [gedaagde] kan tot die tijd voor informatie over zijn ouders contact opnemen met de eerste contactpersoon. Vordering III – verbod openbare uitlatingen
Ook deze vordering zal worden toegewezen met dien verstande dat het verbod gelet op de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid daarvan zal gelden voor de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] op sociale media. Vordering IV – verbod om derden te bewegen tot openbare uitlatingen
Dit verbod geldt eveneens voor de sociale media en omvat ook het verbod tot het bewegen van derden tot het doen van uitlatingen met een vergelijkbare inhoud als de uitlatingen zoals die zijn weergegeven in rov.
Dwangsommen
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan de op te leggen veroordelingen een dwangsom te verbinden, aangezien [gedaagde] tot op heden heeft geweigerd gevolg te geven aan de sommaties van de Stichting. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, een en ander zoals hierna in de beslissing te vermelden. Vordering V - lijfsdwang
Als uitgangspunt geldt dat de rechter een vonnis, beschikking of akte slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt (artikel
Rv). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Stichting vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dwangsomveroordeling geen voldoende prikkel zal zijn tot nakoming van haar vorderingen onder I. (verwijdering onrechtmatige uitlatingen) en IV. (verbod om derden te bewegen tot het doen van onrechtmatige uitlatingen). Dat [gedaagde] tot nu geen gehoor heeft gegeven aan de sommaties van de Stichting betekent niet dat daarmee zonder meer vaststaat dat [gedaagde] zich niets zal aantrekken van de veroordelingen in dit vonnis en de daaraan verbonden dwangsommen. Ook de enkele stelling van de Stichting dat zij verwacht dat [gedaagde] de dwangsommen niet kan betalen is onvoldoende voor toewijzing van een dergelijk verstrekkend dwangmiddel, mede gelet op de aard van de verweten onrechtmatige gedragingen die aan deze veroordelingen ten grondslag liggen. Dat betekent dat de gevorderde lijfsdwang ten aanzien van de vorderingen onder I. en IV. zal worden afgewezen.
De gevorderde lijfsdwang ten aanzien van de vorderingen onder II. en III. zal worden toegewezen. [gedaagde] uit ongefundeerde en vergaande beschuldigingen en verdachtmakingen over medewerkers en bestuurders van de Stichting en [zorglocatie] op sociale media, waarbij hij ook foto’s en video’s plaatst en/of namen van personen noemt, en uit bedreigingen, zoals het achterhalen van namen en adresgegevens en het plan om medewerkers persoonlijk te confronteren. Bovendien heeft [gedaagde] recent een medewerker van [zorglocatie] gevolgd van werk naar huis. De aard en ernst van deze onrechtmatige uitlatingen en gedragingen rechtvaardigen voorshands geoordeeld de toepassing van lijfsdwang, indien [gedaagde] zich niet aan de op te leggen verboden houdt en na betekening van het vonnis het verbod om medewerkers en bestuurders van [zorglocatie] te benaderen en/of foto-, video- en/of geluidsopnames van of over hen te maken, en het verbod om ze op sociale media te plaatsen en zich via sociale media uit te laten met berichten zoals weergegeven in rov. 3.6., of berichten van gelijke aard en strekking, blijft overtreden én hij € 10.500,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. In dat geval mag [gedaagde] voor de duur van zeven dagen worden gegijzeld. Voor iedere overtreding van de verboden onder II. en/of III. daarna geldt dat hij steeds voor de duur van zeven dagen mag worden gegijzeld en dat geen volgende ingijzelingstelling van [gedaagde] mag plaatsvinden dan in het geval hij na de vorige gijzeling opnieuw (een van) de verboden onder II. en III. overtreedt. In totaal mag [gedaagde] voor alle overtredingen tezamen in totaal één jaar in gijzeling worden gesteld, conform het bepaalde in artikel
Rv. Vordering VI – proceskosten 3.16. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,66 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.145,66
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing De voorzieningenrechter 4.1. verleent verstek tegen de niet verschenen [gedaagde] ; 4.2. gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle door hem geplaatste onrechtmatige uitlatingen, zoals weergegeven in rov. 3.6. dan wel uitlatingen van gelijke aard en strekking, over bestuurders, medewerkers, organen en locaties van de Stichting en ParaGo op al zijn sociale media accounts te verwijderen; 4.3. verbiedt [gedaagde] om bestuurders en medewerkers van de Stichting en ParaGo te benaderen op de locatie [zorglocatie] en daarbuiten, dan wel foto’s, video’s of geluidsopnames van of over hen te maken, met inachtneming van hetgeen daarover in rov. 3.10. is overwogen; 4.4. verbiedt [gedaagde] om zich op sociale media uit te laten over bestuurders, medewerkers, organen en locaties van de Stichting en ParaGo op de wijze zoals weergegeven in rov. 3.6. of door middel van uitlatingen van gelijke aard en strekking; 4.5. verbiedt [gedaagde] om derden via sociale media te bewegen om zich uit te laten over bestuurders, medewerkers en organen en locaties van de Stichting en ParaGo op de wijze zoals weergegeven in rov. 3.6. of door middel van uitlatingen van gelijke aard en strekking; 4.6. veroordeelt [gedaagde] om aan de Stichting een dwangsom te betalen van € 1.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 4.2. voldoet, dan wel voor elke keer dat hij de hoofdveroordelingen onder 4.3., 4.4. en/of 4.5. overtreedt, tot een maximum van € 30.000,00 (zegge: dertigduizend euro) is bereikt, 4.7. bepaalt dat indien [gedaagde] de onder 4.3. en 4.4. genoemde verboden na betekening van dit vonnis blijft overtreden en hij binnen één jaar na betekening van het vonnis een bedrag van € 10.500,00 (zegge: tienduizend vijfhonderd euro) aan dwangsommen heeft verbeurd door (een van) deze verboden zeven (7) keer te overtreden, dit vonnis uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang, met dien verstande dat: [gedaagde] in dat geval voor de duur van niet langer dan zeven (7) dagen in gijzeling wordt gesteld, geen volgende ingijzelingstelling van [gedaagde] mag plaatsvinden dan in het geval hij na de vorige gijzeling opnieuw de hoofdveroordelingen onder 4.3. en/of 4.4. overtreedt, [gedaagde] voor elke keer dat hij daarna de veroordelingen onder 4.3. en/of 4.4. overtreedt, niet langer dan zeven (7) dagen in gijzeling wordt gesteld. voor [gedaagde] in totaal niet meer dan één (1) jaar ingijzelingstelling is toegestaan, 4.8. bepaalt dat [gedaagde] geen dwangsommen als bedoeld in 4.6. meer zal verbeuren ten aanzien van de veroordelingen onder 4.3. en/of 4.4., indien en voor zover lijfsdwang wordt toegepast, 4.9. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.145,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.10. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.11. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.12. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.