Rechtbank Amsterdam
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-282562-25 Datum uitspraak: 22 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door Retten i Odense (the District Court in Odense), Denemarken (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.A. Blok, die waarneemt voor zijn raadsman, mr. L.L. Maassen, beiden advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een ruling handed down on 11 September 2025 by the District Court of Odense, case no.: SS-103653/2025-ODE 10. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met onduidelijkheden over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt, betreft namelijk een ‘in absentia-beslissing’ en niet is gebleken dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW, nu onderdeel D van het EAB niet is ingevuld. Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW hier niet van toepassing is. Zoals uit de wettekst volgt, ziet artikel 12 OLW op de situatie dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering van de opgeëiste persoon is door de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht ten behoeve van de vervolging van de opgeëiste persoon, vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Van een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel na een daartoe gevoerd proces in Denemarken is dus nog geen sprake. Het is daarom correct dat de uitvaardigende justitiële autoriteit onderdeel D van het EAB niet heeft ingevuld. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling om hierover nadere vragen te stellen, af. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Special Procecutor bij Director of Public Prosecutions heeft op 18 november 2025 de volgende garantie gegeven: “In compliance with article 5 (3) of the Council Framework Decision on European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/ JHA) and based on the request of the Dutch judicial authorities, the Danish Director of Public Prosecutions hereby guarantees that [opgeëiste persoon], when surrendered to the Danish authorities, will be returned to the Netherlands to serve his sentence there, provided that following his surrender a prison sentence or other measure depriving him of his liberty would be imposed upon him and he requests such a transfer.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen waarom vervolging in Denemarken aangewezen is. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Denemarken, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de drugs in Denemarken zijn ingevoerd zodat de rechtsorde daar is geschonden, de medeverdachten daar naar alle waarschijnlijkheid worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere vragen te stellen, af. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Retten i Odense (the District Court of Odense), Denemarken, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 januari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.