Rechtbank Den Haag
Rechtbank Den Haag
Case Summary
NRECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21835 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 7 april 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond . 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1997. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Egypte iemand heeft aangereden die daarna is overleden. Eiser heeft daarvoor een boete betaald en hij heeft vast gezeten in jeugddetentie. Na zijn vrijlating is de familie van het slachtoffer eiser komen opzoeken in het huis van zijn ouders om hem iets aan te doen. Eiser heeft een klein jaar op verschillende plekken gewoond en daarna heeft hij Egypte verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor de familie van het slachtoffer. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de militaire dienstplicht. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en eisers gestelde problemen wegens een aanrijding in Egypte en eisers dienstplicht en dat hij moet dienen in het Egyptische leger. 3.1. Verweerder vindt het eerste asielmotief deels geloofwaardig. Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig maar de identiteit van eiser niet. Eiser heeft geen origineel identificerend document overgelegd om zijn gestelde identiteit te volgen. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dat asielmotief. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief op een andere manier voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Eiser kent de naam van het slachtoffer niet en kan nauwelijks iets vertellen over het slachtoffer. Ook vindt verweerder het bevreemdend dat eiser niet weet of zijn vader aangifte heeft gedaan van het lastigvallen door de familie van het slachtoffer. Bovendien wordt niet gevolgd dat eisers vader überhaupt geen aangifte heeft gedaan. Eiser verklaart ook wisselend over wat er na de aanrijding is gebeurd. Er wordt door verweerder verder niet ingezien waarom eiser na zijn vertrek uit Egypte is teruggekeerd naar Egypte als eiser vreest voor de familie van het aangereden slachtoffer. Verweerder volgt ook niet dat eiser is geadviseerd om geen asielaanvraag in te dienen omdat hij een terugkeerbesluit zou ontvangen. Het derde asielmotief vindt verweerder geloofwaardig maar eisers benoemde vrees voor de militaire dienst is niet van zodanige aard dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend. Dat eiser uit Egypte komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder vindt eisers identiteit ten onrechte ongeloofwaardig. Eiser heeft geen identificerende documenten en verkeert in bewijsnood. Eiser heeft in juli 2024 een terugkeerbesluit ontvangen van de vreemdelingenpolitie (hierna: AVIM). Eiser is van mening dat verweerder de persoonsgegevens zoals deze middels het terugkeerbesluit zijn aangenomen ook dient aan te nemen bij zijn asielprocedure. Verweerder heeft de problemen van eiser vanwege de veroorzaakte aanrijding in Egypte ook ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser verkeert hierbij ook in bewijsnood. Eiser kon niet aan documenten komen omdat hij in vreemdelingenbewaring zat en omdat zijn familie hem niet kon en wilde helpen, als er überhaupt nog documenten zijn, gelet op het tijdverloop. Dat eiser wisselend heeft verklaard over wat er na de aanrijding is gebeurd, komt omdat op bepaalde punten de vertaling van het nader gehoor niet goed is gegaan. Dit is bij de correcties en aanvullingen en de zienswijze doorgegeven. Verder is eiser in 2017 maar voor korte tijd naar Egypte teruggekeerd en was dat vanwege medische redenen en stress waardoor hij niet meer voor zichzelf kon zorgen. Eiser wist zich toen schuil te houden. Verder vindt verweerder eisers vrees voor dienstplicht ten onrechte onvoldoende zwaarwegend. Eiser zal in geval van terugkeer gevangen worden genomen wegens dienstweigering. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend. 5. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder had dus geen vertrektermijn mogen onthouden en geen inreisverbod mogen opleggen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Identiteit 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. De rechtbank overweegt dat verweerder mocht tegenwerpen dat eiser zijn identiteit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Eiser heeft geen enkel origineel identificerend document overgelegd dat zijn gestelde identiteit onderbouwt. De verklaring van eiser dat hij zijn paspoort is kwijtgeraakt is geen verschoonbare reden. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in 2021 al zijn paspoort is kwijtgeraakt, dus hij heeft voldoende tijd gehad om in de tussentijd aan nieuwe identificerende documenten te komen. Het enkele feit dat verweerder in het bestreden besluit dezelfde persoonsgegevens heeft opgenomen als in het eerder opgelegde terugkeerbesluit maakt niet automatisch dat verweerder de identiteit geloofwaardig heeft moeten achten. De beoordeling van eisers identiteit in het kader van zijn asielprocedure verschilt van de beoordeling van zijn identiteit door de AVIM. Daarnaast is niet gebleken dat eisers identiteit bij de AVIM wel met identificerende documenten is onderbouwd. Problemen vanwege veroorzaakte aanrijding in Egypte 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen vanwege de veroorzaakte aanrijding in Egypte ongeloofwaardig zijn. 9. De rechtbank overweegt dat verweerder mocht tegenwerpen dat eiser zijn problemen vanwege de veroorzaakte aanrijding niet heeft onderbouwd met documenten en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Van eiser mag redelijkerwijs verwacht worden dat hij documenten kan overleggen van zijn gestelde problemen die hij heeft ondervonden door de aanrijding. Het enkele feit dat eiser in detentie zit, maakt het voorgaande niet anders. Ook vanuit detentie is er de mogelijkheid om te proberen om documenten te regelen, bijvoorbeeld via de gemachtigde van eiser. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser vanuit detentie ook contact heeft gelegd met zijn familie om aan documenten te komen. 10. Verweerder mocht eiser ook tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn asielmotief. Zo kent eiser de naam van het slachtoffer niet en kan hij nauwelijks iets vertellen over het slachtoffer. Ook mocht verweerder het bevreemdend vinden dat eiser niet weet of zijn vader aangifte heeft gedaan en hoefde verweerder niet te volgens dat eisers vader überhaupt geen aangifte heeft gedaan. Verweerder mocht vinden dat eiser wisselend heeft verklaard over wat er na de aanrijding zou zijn gebeurd. Eiser heeft tijdens het nader gehoor aangegeven dat hij de tolk goed begreep en niet blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat er onduidelijkheden waren tussen eiser en tolk of dat eiser een vraag verkeerd heeft begrepen of dat de tolk onjuist heeft vertaald. Verweerder mocht vinden dat het enkele feit dat eiser zijn verklaringen heeft rechtgezet in correcties en aanvullingen en in de zienswijze niet de conclusie rechtvaardigt dat de tolk de verklaringen verkeerd heeft vertaald. 11. Dat eiser is teruggekeerd naar Egypte mocht verweerder tegenwerpen. Verweerder hoefde niet in te zien dat eiser vrijwillig is teruggekeerd naar Egypte terwijl hij tegelijkertijd stelt daar te vrezen voor de familie van het slachtoffer. Eiser zat veilig in Europa, waar hij geen asiel heeft aangevraagd terwijl dat mogelijk was. Eiser is bovendien meer dan een maand in Egypte gebleven zonder problemen. De enkele stelling dat eiser terug moest naar Egypte door medische redenen mocht verweerder onvoldoende vinden nu eiser deze stelling verder niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft het daarbij ook mogen betrekken dat niet gesteld of gebleken is dat eiser voor zijn medische behandeling niet in Italië terecht kon. Militaire dienst 12. Verweerder heeft de stelling van eiser getoetst aan het beleid met betrekking tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van dienstweigering. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de enkele stelling dat eiser gedetineerd zal worden vanwege zijn dienstweigering, zonder die stelling te onderbouwen met documenten of verklaringen, onvoldoende is om gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing vanwege zijn dienstweigering aannemelijk te maken. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het artikel waar eiser aan refereert een reisadvies voor Nederlandse mannen met tevens de Egyptische nationaliteit inhoudt, waaruit volgt dat deze mannen tijdens hun bezoek aan Egypte een oproep kunnen krijgen voor militaire dienstplicht en dat het artikel niet gaat over eventuele gevolgen wegens dienstweigering. Kennelijk ongegrond 13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw is dit mogelijk als een vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en als de vreemdeling zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk meldt met zijn wens voor internationale bescherming. Eiser is in juni 2018 in Nederland aangekomen en hij heeft pas op 7 april 2025 asiel aangevraagd. Wat eiser in beroep aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat eiser van andere Egyptenaren had gehoord dat het geen zin heeft om in Nederland een asielaanvraag in te dienen, is namelijk onvoldoende. Inreisverbod Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser gelet op het voorgaande niet gevolgd in zijn betoog dat ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. 15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Vreemdelingencirculaire C2/3.2.