ECLI:NL:RBDHA:2026:3082 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / NL25.46244
Rechtbank Den Haag
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.46244 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Sarmastzada). Procesverloop Bij besluit van 20 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.46245), op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B.N. Yusuf als tolk en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1984, te [geboorteplaats] in het district Beledweyne in de provincie Hiraan, en tot de Sheikhaal bevolkingsgroep te behoren. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Sinds 2015 is Al-Shabaab aan de macht in het dorp waar eiser vandaan komt. In 2016 is eisers vader meegenomen door Al-Shabaab. Zij eisten dat eiser en zijn broer zich bij Al-Shabaab zouden aansluiten. Eisers vader kwam na ongeveer een half uur weer terug, waarna hij op diezelfde avond nogmaals is meegenomen. Eiser heeft daarna niks meer van zijn vader vernomen. De ochtend erna zijn eiser en zijn broertje door Al-Shabaab meegenomen. Er werd verteld dat hen hetzelfde zou overkomen als hun vader. Eiser en zijn broer hebben toen aangegeven dat zij niet met Al-Shabaab willen samenwerken, waarna zij zijn vastgebonden en mishandeld. Na negen dagen wisten eiser en zijn broer tijdens het bidden te ontsnappen. Met hulp van zijn oom is eiser de grens met Ethiopië overgestoken waarna hij naar Europa is gereisd. Verder behoort eisers stam tot een minderheidsgroep. Deze groep wordt gediscrimineerd en buitengesloten. Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Problemen met Al-Shabaab 2.1. Verweerder heeft het eerste asielmotief deels geloofwaardig geacht. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser uit Somalië komt, maar acht eisers identiteit en herkomst ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd die zijn herkomst en identiteit staven terwijl dit volgens verweerder wel van eiser mag worden verwacht. Daarnaast blijkt uit een taalanalyse dat het Somalisch dat eiser spreekt niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap in Zuid-Somalië, en staat eiser in Frankrijk bekend met een andere geboortedatum en een andere spelling van zijn naam. Omdat verweerder niet geloofwaardig acht dat eiser uit Zuid-Somalië komt, acht verweerder het tweede asielmotief ook niet geloofwaardig. Daarnaast vindt verweerder dit niet geloofwaardig omdat eiser inconsistent heeft verklaard over zijn vlucht naar Ethiopië. 2.2. Eisers nationaliteit leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn herkomst. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en legt verweerder een inreisverbod op voor de duur van twee jaar. Beoordeling door de rechtbank Standpunt eiser 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn herkomst en identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser vindt het onredelijk dat van hem wordt verwacht dat hij identiteitsdocumenten overlegt, terwijl verweerder zelf geen waarde toekent aan Somalische identiteitsdocumenten. Daarnaast is eiser ook nooit in het bezit geweest van een Somalische identiteitskaart en heeft hij in beroep een ‘verklaring van geboorte’ van de Somalische ambassade overgelegd waaruit blijkt dat hij uit het district Beledweyne komt. Over de taalanalyse stelt eiser zich op het standpunt dat deze niet inzichtelijk is. Zo gaat verweerder ervan uit dat in de provincie Hiraan Zuid-Somalisch wordt gesproken, maar blijkt uit een door eiser in beroep overgelegde rapportage van Translators without Borders dat daar het Noord-Somalische dialect wordt gesproken. Het door eiser gesproken Somalisch is daarom ten onrechte afgezet tegen het Zuid-Somalisch en niet tegen het Noord-Somalisch. De taalanalist heeft verder onvoldoende betrokken dat eiser al lange tijd weg is uit zijn herkomstgebied en dat dit impact heeft op zijn taalgebruik. Eiser wijst er ook op dat hij de vragen over zijn herkomst wel goed heeft beantwoord. Nu verweerder ten onrechte zijn identiteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht kunnen in het verlengde daarvan zijn problemen met de Al-Shabaab ook niet ongeloofwaardig worden geacht. Beoordeling door de rechtbank Documenten 4. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit die bepaling volgt dat de vreemdeling alle documenten waarover hij beschikt moet overleggen en een bevredigende verklaring moet geven voor het ontbreken van andere relevante documenten. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om (zoveel mogelijk) documenten te overleggen om zijn asielrelaas te staven. Het is vervolgens aan verweerder om te bepalen wat de waarde van deze documenten is. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat er weliswaar vaak geen waarde aan Somalische documenten wordt toegekend, maar dat dit niet afdoet aan eisers verplichting om zich in te spannen om zoveel mogelijk documenten waarover hij zegt te (kunnen) beschikken te overleggen. Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet is gebleken dat eiser tijdens zijn asielprocedure enige inspanning heeft geleverd om documenten over te leggen, terwijl eiser wel heeft verklaard dat hij in het bezit is geweest van een Somalische ID-kaart en een schoolpasje en dat hij dit mogelijk door zijn moeder kan laten opsturen (pagina 2 proces-verbaal en pagina 4 aanmeldgehoor). Dat eiser nu in beroep stelt nooit in het bezit te zijn geweest van een Somalische identiteitskaart, wat hier verder ook van zij, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om documenten te overleggen. Eiser heeft immers ook zijn schoolpasje niet overgelegd en op de zitting verklaard dat het niet mogelijk is dit nog te laten opsturen. Over de in beroep overgelegde ‘verklaring van geboorte’ heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat uit Informatiebericht 2022/97 inzake Consulaire verklaringen Ambassade Somalië volgt dat verklaringen van geboorte met regelmaat door de Somalische Ambassade worden afgegeven op basis van een Nederlands verblijfsdocument of een Coa-pasje en dat vaak niet wordt gespecificeerd op grond van welke documenten de verklaring wordt afgegeven. Eiser heeft ook niet nader toegelicht en onderbouwd op basis van welke stukken de verklaring aan hem is afgegeven. Gelet hierop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw heeft voldaan en dat niet enkel op basis van de verklaring van geboorte kan worden uitgegaan van de geboorteplaats en overige persoonsgegevens van eiser. De hiertegen gerichte beroepsgronden slagen niet. Taalanalyse 5. Verweerder heeft ook aan eiser tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Uit die bepaling volgt onder meer dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk moeten zijn. In dit kader stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn herkomstvragen weliswaar goed heeft beantwoord, maar dat zijn verklaringen over zijn (gestelde) herkomst niet overeenkomen met de uitkomst van de taalanalyse. Uit het rapport taalanalyse van 17 juli 2025 blijkt dat de taalanalist als uitgangspunt heeft genomen dat in eisers gestelde herkomstgebied een Zuid-Somalisch dialect gangbaar is. De taalanalist komt tot de conclusie dat het door eiser gesproken Somalisch in geen enkel opzicht overeenkomt met een Zuid-Somalisch dialect zoals gangbaar in eisers gestelde herkomstgebied en dat het door eiser gesproken Somalisch in zijn geheel overeenkomt met het Somalisch zoals gangbaar is in Noord-Somalië (Somaliland). 5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 9 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1570), is een advies van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Verweerder mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag verweerder niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt verweerder de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de taalanalyse naar voren gebracht en heeft verweerder onvoldoende aan zijn vergewisplicht voldaan. Het standpunt van verweerder is onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 5.2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen Zuid-Somalisch dialect spreekt en dat de taalanalyse op dat punt ook niet door eiser wordt bestreden. Wel is tussen partijen in geschil of verweerder er (met de taalanalist) terecht van uitgaat dat van eiser mag worden verwacht dat hij een Zuid-Somalisch dialect spreekt. In dit kader heeft eiser in beroep een rapport van Translators without Borders (thans Clear Global) overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat er in 2021 in Somalië 11 talen in gebruik zijn, waarvan het Noord-Somalisch de meest gesproken taal is als eerste taal (60% van de bevolking). Uit een bijgevoegde kaart genaamd “language map of Somalia” blijkt dat in de provincie Hiraan (waar eiser zegt vandaan te komen) 51% van de bevolking Noord-Somalisch spreekt. Verweerder heeft de betrouwbaarheid van dit rapport niet betwist maar stelt zich – onder verwijzing naar een weerwoord van TOELT op het rapport - op het standpunt dat uit het rapport volgt in hoeverre Somaliërs de schrijftaal (Noord-Somalisch) beheersen. Het rapport zegt volgens verweerder niks over de distributie of vitaliteit van de in het dagelijks leven gesproken dialecten. Dat de schrijftaal deels is gebaseerd op noordelijke dialecten houdt volgens verweerder daarom niet in dat dit dialect in het zuiden van Somalië in het dagelijks leven wordt gesproken. Verweerder heeft hierbij op de zitting verwezen naar het woord ‘literacy’ op de kaart. 5.3. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Uit de kaart die is bijgevoegd in het rapport blijkt namelijk dat het gaat om “most common first language by district” en “most common languages spoken in Somalia” (cursivering door de rechtbank). De rechtbank maakt hieruit op dat het gaat om gesproken taal en niet, zoals verweerder stelt, om geschreven taal. Verweerders verwijzing naar het woord ‘literacy’ verwijst daarnaast naar het percentage geletterdheid van de Somalische bevolking in zijn geheel en de vermelding over ‘literacy’ in het rapport staat, zo begrijpt de rechtbank, los van de percentages op de kaart waarbij de meest voorkomende eerste taal per district wordt weergegeven. Gelet hierop valt niet in te zien waarom verweerder (in navolging van de taalanalist) van eiser verwacht dat hij een Zuid-Somalisch dialect spreekt. Dat de provincie Hiraan in het deel van Somalië ligt dat doorgaans bestuurlijk als ‘Zuid-Somalië’ wordt aangeduid, is hiervoor onvoldoende verklarend. Dat, zoals verweerder stelt, eiser geen contra-expertise heeft laten uitvoeren en dat er daarom van het deskundigenadvies mag worden uitgegaan, acht de rechtbank in dit kader ook onvoldoende. Eiser betwist immers niet dat hij geen Zuid-Somalisch dialect spreekt zodat een contra-expertise niet relevant is. Bovendien miskent verweerder met die opmerking zijn vergewisplicht, die zich ook uitstrekt over het weerwoord van TOELT. 5.4. Voorgaande betekent dat eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de taalanalyse, de begrijpelijkheid van de in de taalanalyse gevolgde redenering en het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht die met verweerders reactie daarop niet zijn weggenomen. Gelet hierop, in samenhang bezien met de door eiser goed beantwoorde herkomstvragen, heeft verweerder zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers herkomst en identiteit niet aannemelijk is. De beroepsgrond slaagt. Tussenconclusie 6. Uit wat in rechtsoverweging 5.1. en volgende is overwogen, volgt dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw en in het verlengde daarvan ook niet dat eisers herkomst en identiteit niet geloofwaardig zijn. Dit betekent ook dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met Al Shabaab (reeds) niet geloofwaardig zijn omdat eisers herkomst niet geloofwaardig wordt geacht en de gestelde problemen zich afspelen in [geboorteplaats] . Conclusie en gevolgen 7. Gelet op wat onder 5.1. en volgende is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2025; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.