Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:3061 Rechtbank Den Haag , 02-02-2026 / NL26.3326

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3326 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 19 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 27 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven in verband met de uitzetting van eiser (Dublin-overdracht naar Duitsland). De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Bewaringsgronden 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2.1. Eiser betwist de zware gronden 3e en 3k en de lichte grond 4d. Ten aanzien van zware grond 3e voert eiser aan dat de tegenstrijdigheden in de gegevens waaronder eiser bekend staat bij de autoriteiten niet dermate groot en zwaarwegend zijn dat deze aan eiser kunnen worden tegengeworpen. Ook kan er sprake zijn van een vrije invulling van de vertaling door de tolk. Met betrekking tot de zware grond 3k voert eiser aan dat niet aan hem tegengeworpen kan worden dat hij op 17 november 2025 niet is ingestapt in de taxi die voor hem klaarstond. Hij was op dat moment in zijn kamer en het is de vraag hoe aan hem was kenbaar gemaakt dat hij moest klaarstaan. Daarnaast voert eiser aan dat hij heeft aangegeven terug te willen keren naar Marokko. Het had volgens eiser dan ook op de weg van verweerder gelegen om met eiser te werken aan een verwijdering naar Marokko in plaats van naar Duitsland. Wat betreft de lichte grond 4d voert eiser aan dat de Flixbus een goedkoop vervoersmiddel is waarmee hij zelf zijn uitreis naar Duitsland kan betalen. 2.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3e en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. 2.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3e zich feitelijk voortdoet. Uit het dossier blijkt dat eiser bekend staat bij de autoriteiten onder diverse aliassen omdat hij verschillende persoonsgegevens zou hebben opgegeven. De rechtbank constateert dat het zowel gaat om verschillende geboortedata als verschillende geboorteplaatsen en dat verweerder daarom niet ten onrechte gewicht aan de onjuistheden c.q. tegenstrijdigheden heeft toegekend. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat deze verschillen te wijten zijn aan een vrije invulling van de vertaling door de tolk. Tolken worden geacht zo precies mogelijk te vertalen en eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om aan te kunnen nemen dat er iets mis is gegaan bij de vertaling. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zware grond 3k zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 6 november 2025 een beschikking gekregen waarin een overdrachtsbesluit is opgenomen waaruit blijkt dat eiser overgedragen wordt aan Duitsland. Ook indien aan eiser niet tegengeworpen zou kunnen worden dat hij op 17 november 2025 niet in de voor hem bedoelde taxi is gestapt omdat hij hiervan niet op de hoogte was, blijft staan dat verweerder terecht overweegt dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid en mogelijkheden om zich tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT en V) te wenden en door tussenkomst van DT en V een gecontroleerde terugkeer naar Duitsland te regelen. De rechtbank wijst erop dat verweerder in de maatregel ook heeft vermeld dat eiser zonder afmelding niet is verschenen op het vertrekgesprek van 17 december 2025. Bovendien geeft eiser in het vertrekgesprek van 21 januari 2026 aan liever naar Italië te vertrekken dan naar Duitsland. Dat eiser in het beroepschrift aangeeft terug te willen keren naar Marokko, maakt niet dat de grond 3k niet kan worden tegengeworpen. Eiser heeft immers voldoende kansen gehad om vrijwillig naar Marokko te vertrekken, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2.4. Ten aanzien van wat is aangevoerd tegen lichte grond 4d merkt de rechtbank op dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en afhankelijk te zijn van de verstrekkingen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (weekgeld € 8,00 en 3 maaltijden per dag). Verweerder heeft hieruit kunnen concluderen dat eiser niet over de in de Vreemdelingencirculaire genoemde minimale bestaansmiddelen voor zijn verblijf en reis beschikt en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat hij uit eigen beweging zal vertrekken. Dit vergroot volgens verweerder de kans dat eiser zich aan toezicht onttrekt en zijn vertrek ontwijkt. Hoewel de Flixbus mogelijk een goedkoop vervoermiddel is, verandert dit niets aan de omstandigheid dat eiser niet in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en dat verweerder er daarom van uit mag gaan dat eiser onvoldoende middelen heeft om zijn reis te bekostigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat lichte grond 4d zich feitelijk voordoet en dat hier een onttrekkingsrisico uit voortvloeit. 2.5. De niet concreet betwiste zware grond 3a, die de ambtshalve toets van de rechtbank kan doorstaan, en de zware gronden 3e en 3k en de lichte grond 4d kunnen, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 3. Eiser voert aan dat verweerder moet volstaan met een lichter middel omdat uit het vertrekgesprek van 21 januari 2026 blijkt dat hij zich niet weigerachtig opstelt ten aanzien van een eventuele overdracht aan Duitsland. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de onder rechtsoverwegingen 2.2. tot en met 2.5. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Dat eiser op enig moment in het vertrekgesprek van 21 januari heeft verklaard dat hij zal meewerken aan een overdracht naar Duitsland, maakt niet dat niet kan worden gezegd dat hij zich weigerachtig opstelt in het kader van zijn vertrek. Verweerder heeft in dit verband ook mogen betrekken dat eiser (meermalen) te kennen heeft gegeven dat hij niet wil worden overgedragen aan Duitsland en tot op heden niet zelfstandig heeft gewerkt aan vertrek naar Duitsland. Ook in hetzelfde vertrekgesprek van 21 januari 2026 heeft eiser op de vraag of hij zal meewerken aan zijn terugkeer naar Duitsland nog verklaard liever naar Italië te vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing 4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 5.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.