ECLI:NL:RBAMS:2026:1585 Rechtbank Amsterdam , 12-02-2026 / 13/335542-25
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/335542-25 Datum uitspraak: 12 februari 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 16 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door the Public Prosecutor at the Paris Judicial Court , Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1986 op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [inschrijvingsadres], feitelijk verblijfsadres: [verblijfadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 31 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden in afwachting van een detentiegarantie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Zitting 29 januari 2026 De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest warrant issued on 5 September 2025 issued by (…), Vice-President in charge of the investigation at the Paris Judicial Court (referentie: 25248000270). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Frans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. The Deputy Public Prosecutor of the Tribunal judiciaire de Paris heeft op 5 december 2025 de volgende garantie gegeven: "(…) I guarantee that [opgeëiste persoon], born on [geboortedag] 1986 in the Netherlands, should he be definitively sentenced to a term of imprisonment for the offences giving rise to the European Arrest Warrant issued by the Paris Public Prosecutor's Office on 7 November 2025, will be able to serve his sentence or sentences in the NETHERLANDS, of which he is a national or resident.(…)” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Frankrijk 6.1 Inleiding In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk. Bij brief van 22 januari 2026 heeft the Head of the International Criminal Assistance Office van the Ministry of Justice – voor zover relevant – de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ (…) the Paris Public Prosecutor's Office informs us that [opgeëiste persoon] would, in principle, be assigned to the Fresnes prison, which is under the authority of the Paris Interregional Prison Service, whose occupancy rate was, on December 1, 2025, 167.7% according to French standards for calculating the occupancy rate of prisons. (…) 1. The conditions of incarceration of [opgeëiste persoon] (…) In the Fresnes prison, as in all French prisons, the calculation of capacity of prisons is carried out in accordance with the provisions of the circular of March 16, 1988, and the note of March 18, 2014, which specifies the procedure for any change in operational capacity: The 1988 circular defines capacity as the sum of cells and dormitories used to house prisoners in normal detention, regardless of the type of prisoner. The operational capacity is calculated in terms of places by reference to the floor area of the premises. The area of the sanitary facilities is therefore included in the floor area of the premises; it depends on technical constraints and varies between 1.4 and 1.8 m². English standards stipulate that: - cells with a floor area of less than 11 m² are considered to be single cells; (…) Due to the methodological difference in calculating the surface area of cells and the personal space available to each prisoner between French regulations and the standards derived from European Case law, it is not possible for the French authorities to provide the guarantees requested regarding the minimum surface area available to prisoners when they are handed over to the French Judicial authorities, since the occupancy rate of prisons, defined according to French regulatory standards, is by definition variable and linked to the date of surrender of the wanted person, which is unknown at this stage, and since the national standards resulting from the circular of March 16, 1988, used to measure cells in French prisons, do not allow for the distinction between personal space available outside the sanitary area. 1.2. The actual conditions of [opgeëiste persoon]'s incarceration in the Fresnes remand center The Fresnes prison consists of a “men's remand center” (MAH) for persons awaiting Judgment, such as [opgeëiste persoon]. The “men's remand center” section has: - 1,122 cells measuring 9 to 10m², with a theoretical capacity of 1 place, - 50 cells measuring 9 to 10m², with a theoretical capacity of 1 place in the “new arrivals” section. Of the 1,122 cells measuring 9 to 10 square meters, 87 are occupied by three inmates, representing 7.75% of the cells. Of the 50 cells in the “new arrivals” section, none are currently occupied by three inmates. However, as the “new arrivals” cycle lasts between 4 and 15 days, it is possible that, during certain periods, cells may be occupied by three inmates. It is therefore highly likely that [opgeëiste persoon] will have at least 3.6m² of space in his cell at Fresnes prison, including bathroom facilities. (…) [opgeëiste persoon] will have access, if he so wishes, to cultural and sporting activities, visiting hours in a dedicated area, and the necessary care for any health problems he may have, all of which are criteria that guarantee sufficient freedom of movement and time spent outside their cells by detainees compatible with decent conditions of detention. (…) The French Ministry of Justice therefore intends to do everything in its power to ensure that European detention standards are respected in the case of [opgeëiste persoon], should he be imprisoned in the Nice prison (de rechtbank leest in plaats van ‘Nice’ ‘Fresnes’ , nu dit in de originele in de Franse taal gestelde detentiegarantie staat en gaat ervan uit dat in de Engelstalige vertaling sprake is van een kennelijke vertaalfout).” Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het meest recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: het CPT) van 22 januari 2026 (hierna: het CPT-rapport). Het CPT heeft vier Franse Huizen van Bewaring bezocht in september en oktober 2024 waaronder de detentie-instelling Fresnes. 6.2 Standpunten van de raadsman en de officier van justitie De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd ( de rechtbank begrijpt: dat aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven ), omdat op grond van de verstrekte informatie is gebleken dat er een ernstig risico bestaat dat de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden in een cel met een persoonlijke leefruimte die ruim onder de vereiste 3 m² ligt. Daarnaast blijkt uit het CPT-rapport dat de detentieomstandigheden in de gevangenis in Fresnes onwaardig zijn, onder meer door gevaarlijke situaties voor gedetineerden door geweld, gebrekkige gezondheidszorg, onhygiënische omstandigheden en ongedierte. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat het CPT heeft aanbevolen om sluiting van de gevangenis in Fresnes te overwegen, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de overlevering van een opgeëiste persoon die naar alle waarschijnlijk aldaar zal worden gedetineerd, zou moeten worden geweigerd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie niet afdoende is, omdat de Franse autoriteiten geen garantie kunnen geven voor een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m². Daarnaast zijn de bevindingen van het CPT over de gevangenis in Fresnes zorgwekkend, maar geven nog geen aanleiding om de overlevering op dit moment te weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om bij tussenuitspraak concrete vragen te formuleren die door het Internationaal Rechtshulp Centrum aan de Franse autoritieten kunnen worden gesteld. Daarbij heeft de officier van justitie erop gewezen dat bepaalde problemen die in het CPT-rapport worden genoemd, zoals de aanwezigheid van bedwantsen, ratten en kakkerlakken, zich moeilijk door middel van een garantie laten wegnemen. 6.3 Oordeel van de rechtbank Het CPT-rapport bevestigt allereerst het reeds door de rechtbank aangenomen algemene gevaar dat de bezochte detentie-instellingen, waaronder detentie-instelling Fresnes, kampen met overbevolking (paragrafen 67 – 75). Daarnaast noemt het CPT in de Résumé exécutif op pagina 5-6 in het bijzonder de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes onwaardig, gelet op de staat van de gebouwen en de cellen en de leefomstandigheden. Het CPT rapporteert ook over meldingen van gedetineerden over fysiek (paragraaf 76 en 77, 80 en 82) en verbaal geweld (paragraaf 79) door het gevangenispersoneel en over onderling geweld tussen gedetineerden (paragraaf 87 en 88). In paragraaf 90 wordt met betrekking tot het onderlinge geweld tussen gedetineerden een relatie gelegd met de overbevolking. Nog afgezien van de benoemde meldingen van geweld door personeel en het onderlinge geweld stelt het CPT vast dat de materiële detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes bijzonder zorgwekkend zijn (paragrafen 96 en 98). Het CPT constateert dat de cellen zijn verouderd, vervallen en slecht onderhouden, met beschadigde sanitaire voorzieningen en ramen die niet goed afsluiten. Het CPT noemt de detentieomstandigheden onwaardig gezien de staat van het gebouw en de onhygiënische omstandigheden, veroorzaakt door vocht, schimmel en vanwege de alarmerende aanwezigheid van ratten in alle ruimtes, evenals ander ongedierte zoals kakkerlakken en bedwantsen. Naar aanleiding hiervan heeft het CPT de Franse autoriteiten aanbevolen te overwegen de detentie-instelling Fresnes te sluiten, omdat de architectuur en de indeling van het pand niet voldoen aan de moderne eisen voor detentie (slot van paragraaf 98). Daarnaast wijst het CPT erop dat het intercomsysteem in de detentie-instelling Fresnes niet functioneert en derhalve niet voldoet aan de veiligheidseisen om geweld in de cellen te voorkomen (paragraaf 99). Tevens uit het CPT ernstige zorgen over de gezondheidzorg in de detentie-instelling Fresnes. Het ontoereikende niveau van de gezondheidszorg zou kunnen leiden tot schending van de waardigheid van gedetineerden. Concreet wijst het CPT in dit verband op het tekort aan zorgpersoneel, de gebrekkige coördinatie tussen de verschillende diensten en de in aantal en qua hygiënische omstandigheden ontoereikende consultatieruimtes (paragrafen 142, 145, 151, 153 en 155). De rechtbank ziet in de bovenstaande bevindingen uit het CPT-rapport aanleiding om het eerder vanwege de overbevolking aangenomen algemene gevaar aan te vullen. De rechtbank is van oordeel dat er voor gedetineerden in de detentie-instelling Fresnes een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De rechtbank baseert het algemene gevaar voor de detentie-instelling Fresnes op de overbevolkingsproblematiek en de hiervoor weergegeven slechte materiële detentieomstandigheden, het niet-functionerende intercomsysteem en het ontoereikende niveau van de gezondheidszorg. Uit de verstrekte aanvullende informatie van 22 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling Fresnes zal worden geplaatst. Nog daargelaten dat de rechtbank op basis van de verstrekte detentiegarantie niet kan concluderen dat de opgeëiste persoon in detentie een persoonlijke leefruimte van ten minste 3 m2 exclusief sanitaire voorzieningen in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal krijgen , is de verstrekte detentiegarantie in het licht van de hiervoor beschreven uitbreiding van het al eerder aangenomen algemene gevaar in de detentie-instelling Fresnes onvoldoende om dit algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar dan ook niet weggenomen en de rechtbank stelt daarmee vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Fresnes als de overlevering zou worden toegestaan. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt. De rechtbank stelt hierbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn van 60 dagen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden ontvangen. Deze termijn is langer dan de termijn van 30 dagen die veelal na de vaststelling van een individueel gevaar wordt gesteld omdat in deze zaak, anders dan in het merendeel van de zaken waar een individueel gevaar is vastgesteld, nog niet eerder door de rechtbank om aanvullende informatie over de detentieomstandigheden in Fresnes is gevraagd. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze redelijke termijn (12 april 2026) en veertien dagen voor het verstrijken van de beslistermijn, dus tussen 13 april 2026 en 25 april 2026, zodat nagegaan kan worden of een wijziging in de omstandigheden binnen de termijn van 60 dagen is opgetreden. Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden is opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting tussen 13 april 2026 en 25 april 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste)_overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751. Rapport de visite France septembre – octobre 2024. Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants. Publié le 22 janvier 2026. Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu), punten 72 en 77.