ECLI:NL:RBLIM:2026:1738 Rechtbank Limburg , 20-02-2026 / 03.374129.24
Rechtbank Limburg
Case Summary
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.374129.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. Alija, advocaat kantoorhoudende te Roermond. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [naam 1] en [naam 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [naam 2] heeft op de zitting gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Namens haar heeft [naam 3] van Slachtofferhulp Nederland het woord gevoerd over de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij [naam 1] is niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Deze zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [naam 4] en [naam 5] met het parketnummer 03.374157.24 respectievelijk 03.374223.24. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: (samen) met (een) ander(en): Feit 1: op 20 november 2024 te Roermond een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was; Feit 2: op 21 november 2024 te Roermond een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was; Feit 3: op 23 november 2024 te Roermond een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte dient derhalve hiervan te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij van mening is dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ondanks dat op basis van het dossier niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie de ontploffing teweeg heeft gebracht, staat volgens de officier van justitie vast dat alle drie de verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het delict waardoor het medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de gegevens die uit de telefoons naar voren zijn gekomen, de camerabeelden waaruit blijkt dat een iemand het explosief afsteekt en een ander het filmt, de verklaring van de verdachte die inhoudt dat hij een cobra heeft gehaald, de verklaring van de medeverdachte [naam 5] die inhoudt dat hij de ontploffing heeft gefilmd en de verklaring van de medeverdachte [naam 4] die inhoudt dat hij de chauffeur was. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en heeft zich daarbij aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft hij ten eerste aangevoerd dat de telefoons van de verdachte zijn doorzocht zonder dat daaraan voorafgaand toestemming is gegeven door de rechter-commissaris (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2025:1247). Hierdoor is er meer dan een beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De resultaten van het onderzoek aan deze telefoon mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Subsidiair heeft de verdediging betwist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het delict. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het delict, nu de verdachte slechts het vuurwerk heeft opgehaald en verder alleen in het voertuig is gebleven. De raadsman is daarom van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de medeplichtigheidsvariant niet ten laste is gelegd. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 en feit 2 Met de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 Verweer inzake bewijsuitsluiting wegens onderzoek telefoons zonder voorafgaande rechterlijke toetsing In zijn arrest van 18 maart 2025 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:409) overwegingen geformuleerd over de bijstelling van het beoordelingskader met betrekking tot de rechtmatigheid van het onderzoek aan geautomatiseerde werken en gegevensdragers (digitale apparaten) n.a.v. het zogeheten Landeck-arrest (Hof van Justitie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830). Uit het Landeck-arrest volgt volgens de Hoge Raad dat de toegang tot persoonsgegevens dient te worden voorafgegaan door, kort gezegd, toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan, als die toegang het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt. Het Openbaar Ministerie is, aldus het Landeck-arrest, geen autoriteit die kan beslissen over het al dan niet uitvoerig onderzoeken van gegevensdragers. Volgens de Hoge Raad houdt het Landeck-arrest nadrukkelijk niet in dat een voorafgaande toetsing door een rechter ook is vereist als die keuzes niet leiden tot het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval slechts sprake is van een beperkte inbreuk op de grondrechten van verdachte nu de telefoons louter doorzocht zijn op zeer specifieke onderzoeksvragen die allen betrekking hadden op de verdenking. Bovendien is dit onderzoek beperkt gebleven tot de periode van 23 oktober 2024 tot en met 23 november 2024. De telefoons zijn dus niet volledig doorzocht, zoals door de verdediging wordt gesuggereerd en het risico op een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van verdachte was dan ook niet aanwezig. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de toestemming van de officier van justitie voldoende was om de telefoons te mogen doorzoeken. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. Bewijsmiddelen Aangeefster [naam 2] heeft aangifte gedaan van de gebeurtenis van 21 november 2024 (feit 2) en heeft daarbij als volgt verklaard : 21 november 2024 was ik in mijn woning gelegen aan de [adres 2] aanwezig. […]Om 23:24 hoorde ik een auto aankomen en stationair draaien voor mijn huis. Ik opende de app van de camera’s en keek live mee. […] Ik zag op de camerabeelden dat de auto met zijn neus richting de rotonde stond. Ik zag door het raam aan de passagierskant beweging en vlak daarna dat iets naar buiten werd gegooid wat brandde. Dit kwam terecht in de gedeelde voortuin met de buren van nummer [nummer 1] . […] Ik heb hierna de camerabeelden nog verder bekeken. Ik zag dat om 22:35 een auto voorbijreed, mogelijk een witte caddy. Aangeefster [naam 2] heeft tevens aangifte gedaan van de gebeurtenis op 23 november 2024 (feit 3) en heeft daarbij als volgt verklaard : Ik doe aangifte van brandstichting. Ik woon aan de [adres 2] . Aldaar is een explosie voor mijn woning geweest waarbij schade aan mijn woning is ontstaan. Op 23 november 2024 was ik niet thuis en verbleef ik met de drie kinderen gezien de eerdere incidenten, in een vakantiehuis. […] Op 23 november 2024, om 01:02 uur, kreeg ik middels de Eufy app een melding op mijn telefoon. Aan de schuurzijde hangt een camera welke zicht gaf op de voordeur en aan de voordeur hangt een ringdeurbelcamera. Ik bekeek de melding en zag een manspersoon aan komen rennen. Ik zag dat de manspersoon vóór de voordeur aan de [adres 2] geknield zat en een voorwerp aanstak. Ik zag rookontwikkeling en het voorwerp begon te branden. Ik zag dat de manspersoon wegrende in de richting van [plaats 1] . […] Ik hoorde middels de opgenomen beelden een harde explosie en de voordeur vatte vlam. Verbalisant [naam 6] heeft de camerabeelden bekeken en heeft daarover onder meer als volgt gerelateerd : Op 23 november 2024 was ik doende met het opsporingsonderzoek verdenking van brandstichting. Dit proces-verbaal dient als proces-verbaal van camerabeelden. Ik, verbalisant, zag dat er meerdere camerabeelden beschikbaar zijn gesteld, tevens door andere buren/omwonenden, echter zag ik dat er één doorlopend beeld was waar het gehele strafbare feit op beeld staat. Dit beeld betreft het beeld aangeleverd door de bewoner van huisnummer [nummer 2] , welke de beelden had van huisnummer [nummer 3] . Ik zag dat de tijdstempels op de camerabeelden wel overeenkwamen met de werkelijke datum en tijd. Ik zag namelijk dat er geen datum- en/of tijdsverschil zit tussen de data-/tijdstempels ten tijden van het gepleegde feit. Ik kan het signalement van de verdachte op de camerabeelden als volgt omschrijven: - Lengte: 1.65 - 1.85 meter - Postuur: Normaal/Breed - Haardracht/kleur: Niet zichtbaar. - Kleding: Capuchon dragend. Donkerkleurige jas/tui, Groene/Donker kleurige joggingbroek, donkere Sneakers, Donkere muts/bivakmuts dragend. Beschrijving beelden Beeld 1: Ontploffing.mp4 Ik zag dat deze camera hing ter hoogte van een garagepoort van [adres 3] . Ik zag dat de camera zicht had op de parkeerplaatsen/opritten tussen de woningen [adres 2] en [nummer 3] en zicht had op beiden voordeuren van de woningen. De beelden waren tevens voorzien van geluid. Ik zag dat de beelden de volgende datumstempel aangaf: 23/11/2024. 01:02:12 - Ik zag dat de verdachte met bovengenoemd signalement rechts in beeld komt langs de woning van huisnummer [nummer 3] . Ik zag dat de verdacht gezichtsbedekende kleding droeg. Ik zag dat verdachte een voorwerp met beiden handen voor zich vasthield. Ik zag dat de verdachte in de richting jogt van de voordeur van huisnummer [nummer 4] . 01:02:15 - Ik zag dat de verdachte zich voor de voordeur hurkte. Ik zag dat het beeld oversloeg van zwart-wit naar kleuren beeld. Ik zag in de weerspiegeling van de voordeur, een klein lichtje branden. 01:02:19 - Ik zag dat de verdachte op stond en zich omdraaide in de richting van de [straat] . Ik zag dat de verdachte het voorwerp voor de voordeur achterliet, welke hij eerder met beiden handen vasthield. Ik zag dat aan de bovenzijde van het voorwerp iets branden, de wijze waarop het branden vermoedde ik dat het een visco lont betrof. 01:02:20 - Ik zag dat de verdachte wegrende in de richting van de [straat] , de zelfde zijde waar de verdachte vandaan gelopen kwam. 01:02:22 - Ik zag dat de verdachte uit het beeld verdween. 01:02:24 - Ik zag dat het voorwerp heviger begon te branden. 01:02:33 - Ik zag dat het voorwerp explodeerde. Ik hoorde op de beelden een harde knal. Ik zag een grote lichtflits, welke hierna oversloeg in een grote vuurbal. 01:02:36 - Ik zag dat de voordeur geheel door vlammen bedolven was. Ik zag dat een grote brand woedde op de parkeerplaats/oprit van huisnummer [nummer 4] . 01:02:42 - Ik zag dat er een tweede explosie volgenden, welke groter was dan de eerste. Ik hoorde wederom een enorme knal. Ik zag een felle lichtflits, die oversloeg in een enorme vuurbal. Ik zag dat er nu meerdere branden woedde op de parkeerplaats/oprit van huisnummer [nummer 4] . Ik zag dat er een zwarte rookwolk van de brand, nabij de voordeur, zich ontwikkelde. Verbalisanten [naam 7] en [naam 8] hebben op 23 november 2024 onder meer als volgt gerelateerd : Op 23 november 2024 omstreeks 01:05 uur kregen wij het verzoek om positie in te nemen op de N280 ter hoogte van Baexem. Om 01:03 vond er een brandstichting plaats op de [adres 2] waarbij er een explosie gehoord zou zijn. Hierbij zou een wit kleurige Ford gezien zijn met een imperial op het dak. Deze Ford zou in de richting van Baexem gereden zijn via de N280. Wij namen op de oprit naar de N280 ter hoogte van het AZC Baexem positie in om te posten op het voornoemde voertuig. Om 01:13 uur zagen wij dat er een witte Ford ons passeerde waarbij wij zagen dat er een imperial op het dak van de Ford zat. Wij reden achter het voertuig aan […]. Wij reden achter het voertuig aan en bleven de N280 volgen in de richting van de A2. […] Wij zagen dat de 0092 een volgteken gaf en dat de bestuurder hier gehoor aan gaf. […] Ik, verbalisant [naam 7] , liep direct naar de bestuurder toe en zag dat er een blanke jongen van ongeveer 25 à 30 jaar achter het stuur zat. Ik zag dat naast de bestuurder een bijrijder zat met een donkere huidskleur. Ik zag dat de navigatie aanstond op een telefoon die in een houder zat en dat er nog een ruime reistijd af te leggen was. Ik gaf direct aan dat de bestuurder uit moest stappen en dat de bijrijder zijn identiteitsbewijs moest pakken. Ik zag dat de bestuurder hier gehoor aan gaf en uitstapte. Ik zag dat de bestuurder mij tijdens het uitstappen zijn rijbewijs overhandigde. Ik vroeg aan de bestuurder of hij de achterzijde van de bedrijfsauto kon openen. Ik zag dat de bestuurder de achterdeuren opende en dat er achterin het laadruim nog een persoon zat. Ik zag dat deze persoon een donkere huidskleur had, volledig in zwart gekleed was […]. Ik hoorde dat deze persoon aangaf dat ze net klaar waren met werken en dat hij achterin zat om naar huis te gaan. Aan de hand van door hem zelf opgegeven gegevens en een foto van zijn identiteitsbewijs op zijn telefoon bevroeg ik de persoon en zag ik dat het [naam 5] betrof. […] Ik stapte achterin het laadruim en ik zag dat het bezaait lag met tassen, jassen en gereedschappen. Ik zag tussen alle spullen een Nederlandse kentekenplaat welke niet behoorde bij het voertuig waarin de bestuurder reed. […] Wij zagen dat de officier van dienst, [naam 9] , een filmpje had gekregen van de brandstichting en dat er op het filmpje een persoon zichtbaar was. Wij zagen dat de verdachte van de brandstichting een donker kleurige jas droeg en reflecterende schoenen droeg. Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig, verder genoemd [naam 4] , overeenkwam met de persoon zichtbaar in het filmpje van de brandstichting. Wij zagen dat zowel de kleding als de reflecterende schoenen overeenkwamen. Tijdens de rit naar het arrestantencomplex in Roermond hoorde wij dat [naam 5] zei dat hij gewerkt had bij [plaats 2] . Wij hoorden dat [naam 5] vaag antwoordde dat het een soort kroeg of café was. Wij reden op de Roerkade in Roermond waar [plaats 2] gelegen is en vroegen aan [naam 5] of hij wist waar we waren. Wij hoorden dat hij aangaf dat hij geen flauw idee had. Wij gaven aan dit raar te vinden gezien hij eerder deze avond aangaf bij [plaats 2] te hebben gewerkt en nu reden we er praktisch langs. Wij hoorden dat [naam 5] opeens aangaf dat hij niet daadwerkelijk bij [plaats 2] geweest was maar dat hij achterin de bus was blijven zitten terwijl de andere twee gingen werken. […] Verdachten: Achternaam: [naam 5] Voornamen: [naam 5] Achternaam: [naam 4] Voornamen: [naam 4] Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Verbalisanten [naam 10] en [naam 11] hebben op 20 december 2024 onder meer het volgende gerelateerd : Aanvang onderzoek: Op 23 november 2024 om 06:30 uur kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting cq. ontploffing, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] . Bevindingen: Tijdens het ingestelde sporenonderzoek werd door ons het volgende bevonden en waargenomen. Wij zagen en constateerden dat de ruiten in de voordeur gebarsten waren. Wij zagen dat op de buitenzijde van de voordeur en de gevel aftekeningen van roet zichtbaar waren (foto 4). Op de oprit, behorende bij perceel [nummer 4] , zagen wij blauwkleurige kunststoffen doppen liggen. Bij ons verbalisanten is ambtshalve bekend dat een cobra 6 deels opgebouwd is met een blauwkleurige kunststoffen dop. Wij zagen meerdere witkleurige kunststoffen onderdelen van een vuurwerk vloeistof combinatie liggen. Hier zat zeer waarschijnlijk de brandbare vloeistof in. Tevens zagen wij meerdere papiersnippers liggen. Deze snippers zijn bij ons, verbalisanten, ambtshalve bekend als zijnde snippers afkomstig van pyrotechnisch vuurwerk (foto 5 tot en met 11). Bij de voordeur, tussen de tegels, werd door ons, verbalisanten, een meting verricht met de MiniRae. Hier werd een concentratie gemeten van vluchtige koolwaterstoffen (foto 12). […] Samenvatting: Gezien de aangetroffen restanten heeft zeer waarschijnlijk een ontploffing plaatsgevonden door het combineren van Cobra 6 vuurwerk met een kunststoffen fles voorzien van een ontbrandbare vloeistof. Een zogeheten vuurwerk brandstof combinatie. Bij het ontploffen van het vuurwerk wordt de fles onder druk gezet en ontploft, waarbij de brandbare inhoud, die soms van zichzelf ook al onder druk staat, zich verspreidt. Onderdelen kunnen ook fragmenteren waarbij de, vaak brandende fragmenten verslingerd worden. De ontsteking van de brandbare inhoud van de flessen door de hitte van de ontploffing leidt dan tot een vuurbal, die aanzienlijke afmetingen kan hebben. Gezien de beroeting bij de voordeur en de voorgevel en de op de ons getoonde camerabeelden is zichtbaar dat er een brand heeft plaatsgevonden. Ook zijn er blauwkleurige kunststoffen doppen aangetroffen. Deze blauwkleurige kunststoffen doppen worden in de opbouw van een Cobra 6 gebruikt. De Cobra 6 valt onder vuurwerk van de zwaarste categorie. Gevaarzetting: Gezien het aangetroffen sporenbeeld en de camerabeelden heeft men een VBC in de nabijheid van de voordeur tot ontploffing gebracht. Wanneer een Cobra 6 tot ontploffing komt, ontstaat er gevaar voor personen en/of goederen. De ernst van de gevolgen zijn onder meer afhankelijk van de locatie van personen en/of goederen ten opzichte van de ontploffing. Gelet op de ligging, de bouwwijze van het pand, de aangrenzende, directe bebouwing en aanwezigheid van bewoners in naastgelegen panden is er bij deze ontploffing sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Dit gemeen gevaar bestaat onder andere uit rondvliegende onderdelen voor passanten en voor geparkeerde of langsrijdende voertuigen. Ook is er kans op brand in de woning die kan overslaan naar naastgelegen panden vanwege de explosie. Door het geluid van de explosie en de drukgolf is er een risico op gehoorbeschadiging. Verbalisanten [naam 12] en [naam 13] hebben op 23 november 2024 onder meer als volgt gerelateerd : Aanvang onderzoek: Op 23 november 2024 kwamen wij, naar aanleiding van een ontploffing cq. brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] . Bevindingen: Op het trottoir, ter hoogte van de voortuin van huisnummer [nummer 4] , zagen wij restanten van vuurwerk liggen. Ambtshalve was het ons bekend dat het restanten van een zogenoemde Cobra 6 betroffen. Deze restanten werden door ons veiliggesteld (foto 3 en 4) . Wij zagen, ter hoogte van de oprit van huisnummer [nummer 1] , een blauwe kunststof dop liggen. Deze dop was vermoedelijk onderdeel van eerder genoemde Cobra 6. Deze dop werd door ons veiliggesteld (foto 5 t/m 7). Buitenzijde voordeur: De houten voordeur van de woning, was aangetast door vuur en hitte. Wij zagen dat er drie ramen in deze voordeur hoorden te zitten. Wij zagen dat de twee onderste ramen kapot waren (foto 8). Binnenzijde voordeur: Aan de binnenzijde van de woning, ter hoogte van de voordeur, lag een kapot raam, die afkomstig was uit de voordeur. Wij zagen dat er glas, afkomstig uit deze ramen, in de hal op de vloer lagen (foto 9 en 10). Aan de rechterkant van de voordeur, bevindt zich de gestoffeerde trap naar de eerste verdieping. Aan de binnenzijde van de voordeur, ter hoogte van de onderzijde van de deur, zagen wij roetschade die veroorzaakt was door hitte en vuur (foto 11 en 12). Wij zagen dat de houten plint, tussen de voordeur en trap in, aangetast was door hitte en vuur (foto 13). Samenvatting: Gelet op de locatie van de trap en dat er aan de binnenzijde van de woning goederen aangetast waren door vuur, rook en hitte, is hier sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen en voor uitbreiding van de brand. De enige uitweg vanaf de bovenverdieping, gaat langs de voordeur. De telefoon van de medeverdachte [naam 4] is door de politie onderzocht, verbalisant [naam 14] heeft daarover onder meer als volgt gerelateerd : Bij de verdachte [naam 4] werd een mobiele telefoon, iPhone 12 Pro aangetroffen en inbeslaggenomen. […] Ik, verbalisant, zag dat de gebruiker van het toestel onder snapchat gekoppeld stond met het account: [accountnaam 1] . In het zakelijk verhoor verklaard medeverdachte [verdachte] dat hij die bewuste nacht met twee andere jongens was, genaamd [naam 15] en [naam 16] . Volgens hem zouden dit nicknames zijn en geen voornamen. Ik heb vervolgens in de telefoon gezocht op het woord " [naam 16] ”. De voornaam van verdachte [naam 5] is [voornaam] . Op 21-11-2024 start een gesprek tussen [naam 4] : [accountnaam 1] . en [voornaam] [naam 5] : [accountnaam 2] In het bovenstaande gesprek lijkt het erop dat [naam 4] aangeeft dat hij met een witte Ford transit komt met een beugel op het dak. Tevens lijkt het erop dat hij iets moet ophalen en als hij het heeft dan moet hij dat aangeven aan [accountnaam 2] . Om 22.35 uur (UTC+0) stuurt [naam 4] een video naar de [accountnaam 2] . Op de video is te zien dat de persoon in de personenauto iets aansteekt dat lijkt op een lont met zeker twee flessen eraan. Vervolgens gooit hij dit in de richting van het raam van de bijrijder. Het videofragment bevat audio. Na ongeveer 13 seconden nadat de persoon het brandende object weggooit is er een knal te horen. Hierna zegt de persoon die rijdt: “Dit bom was kanker hard yow”. […] Op 21-11-2024 23:29:45 werd een screenshot gemaakt van de [adres 2] . Tevens is er een afbeeldingen te zien van 21-11-2024 23:30:19. Op deze afbeelding is een witte cirkel te zien. Uit onderzoek bleek dat op deze locatie de tweede explosie plaatsvond. Kort na deze foto om 21-11-2024 wordt de snapchatapplicatie gestart met chatparticipant [verdachte] en een bericht verstuurd. Uit het verhoor met de medeverdachte [verdachte] blijkt dat hij de bijnaam [accountnaam 3] gebruikt bij Tiktok. De telefoon van de medeverdachte [naam 4] is ook onderzocht met betrekking tot de locaties waar het toestel zich bevond. Verbalisant [naam 17] relateert daarover onder meer als volgt : Op 17 december 2024 stelde ik een onderzoek in naar de data van de volgende telefoon: Apple iPhone 12 Pro. De iPhone werd inbeslaggenomen onder de verdachte [naam 4] . Voor het in kaart brengt van de aanrijroute van 23 november 2024 besloot ik om de locatielogs uit de Cache.sqlite-database te halen. Ik haalde hier de locaties van 22 november 2024 van 19:00 uur tot en met 23 november 01:59 uur uit. . Ik zag dat hier 16940 locatielogs uitkwamen. Ik plotte deze locatielogs in de PolitieAtlas, waardoor ik onderstaande kaart kreeg: […] Ik zag dat de regio Rotterdam middels de A16 in zuidelijke richting verlaten werd en vanaf de A16 de afslag naar de A58 werd genomen. Vervolgens zag ik dat ter hoogte van Eindhoven, de A2 werd opgegaan. Ik zag dat ter hoogte van Kelper-Oler de A2 werd verlaten en over de N280 richting Roermond werd gegaan. Bij de verdachte zijn twee telefoons in beslaggenomen en onderzocht. De politie ten aanzien van de inbeslaggenomen Samsung S8 onder meer als volgt gerelateerd : Bij de verdachte [verdachte] werd een mobiele telefoon, Samsung S8 aangetroffen en inbeslaggenomen. […] In het verhoor van verdachte [verdachte] verklaart hij in het sociaal verhoor dat hij zelf gebruikt maakt van de volgende gebruikersnamen op social media: Snapchat: [accountnaam 4] Tiktok: [accountnaam 3] In het zakelijk verhoor verklaart verdachte [verdachte] dat hij die bewuste nacht met twee andere jongens waren, genaamd [naam 15] en [naam 16] Volgens hem zouden dit nicknames zijn en geen voornamen. Ik heb vervolgens in de telefoon gezocht op het woord " [naam 16] ". De voornaam van verdachte [naam 5] is [voornaam] . Ik zag dat er een Snapchat gesprek was op vrijdag 22 november 2024 tussen 17:37 uur en 22:58 uur (UTC +0) tussen de eigenaar van de telefoon ( [accountnaam 4] / [accountnaam 3] ) en [accountnaam 2] . Hieronder worden enkele gesprekken uitgelicht. De blauwe tekstvlakken zijn gesprekken afkomstig van [naam 16] , waarschijnlijk afkomstig van de verdachte [naam 5] . De groene tekstvakken zijn gesprekken afkomstig van verdachte [verdachte] . [accountnaam 2] (22-11-2024 17:54): J weet waar j moet zijn toch [accountnaam 4] / [accountnaam 3] (22-11-2024 17:55): Sta voor die flet [accountnaam 2] (22-11-2024 17:55): Pak alvast 2 losse [accountnaam 4] / [accountnaam 3] (22-11-2024 18:02): Geregeld [accountnaam 2] (22-11-2024 18:06): K ga mee moeten gaan [accountnaam 2] (22-11-2024 18:06): Die boy drukt mij [accountnaam 2] (22-11-2024 18:06): Heen weg branden [accountnaam 2] (22-11-2024 18:07): Terug weg achterin [accountnaam 2] (22-11-2024 19:40): We gaan gwn met ze 3 [accountnaam 2] (22-11-2024 20:52): Hlt ga je die bom halen fam [accountnaam 4] / [accountnaam 3] (22-11-2024 20:53): 5 min bn ik bij hem [accountnaam 2] (22-11-2024 21:05): We gaan t laten lukken bro [accountnaam 2] (22-11-2024 21:44): We moeten nog platen veranderen [accountnaam 2] (22-11-2024 22:41): [bedrijventerrein 1] [accountnaam 4] / [accountnaam 3] (22-11-2024 22:58): 40 min Ook de onder de verdachte inbeslaggenomen Apple Iphone 12 is onderzocht. Verbalisant [naam 18] heeft daarover onder meer als volgt gerelateerd : Op 24 november 2024 stelde ik, een onderzoek in naar de data van een inbeslaggenomen Apple Iphone 12. Deze Iphone werd inbeslaggenomen onder de verdachte, [verdachte] . […] In het chatgesprek van 21 november 2024 om 23:36:19 is te zien dat [accountnaam 4] , [accountnaam 3] een afbeelding stuurt naar [accountnaam 2] . Op deze afbeelding is een witte cirkel bij de woning, [adres 2] te zien. […] De telefoon van de medeverdachte [naam 5] is ook inbeslaggenomen en onderzocht. Verbalisant [naam 19] heeft daarover als volgt gerelateerd : Op 26 november 2024 stelde ik een onderzoek in naar de data van een Apple Iphone 15. De telefoon werd inbeslaggenomen onder de verdachte [naam 5] . […] […] Op 21 november 2024 om 15:32:14 uur is gezocht naar het adres ‘ [adres 2] ’ in de Apple Kaarten applicatie. […] Verder zag ik in de iPhone dat op 23 november 2024 om 01:01:13 uur de camera geopend werd, waarbij vervolgens om 01:01:19 de volgende coördinaten werden gelogd in de foto’s-app: ( [coördinaten 1] , [coördinaten 2] ) en er om 01:01:20 uur onderstaande video werd opgeslagen. […] Ik zag dat de coördinaten van de opgeslagen video overeenkwamen met de gelogde coördinaten van de foto’s app. Daarnaast zag ik dat de softwareversie en het apparaat overeenkwamen met de onderzochte iPhone. Ik heb de coördinaten opgezocht in Google Maps en zag dat deze coördinaten overeenkomen met de [straat] en zich op 48 meter afstand bevonden van de [adres 2] . De medeverdachte [naam 4] heeft bij de politie op 10 april 2025 onder meer als volgt verklaard : V: wat wil je verklaren? A: Van feit 2 daar heb ik opdracht voor gekregen. Ik heb dat ook zelf in mijn eentje gedaan. Ik moet er wel bij zeggen dat ik op dat moment, ja ik kreeg er geld voor, want ik wilde toekomst opbouwen en wilde sparen en gaan samenwonen met mijn vriendin. Ik twijfelde tot het laatste moment en heb het de bus uit gegooid en op straat gegooid. Naar mijn gevoel was het wel 5 meter van de woning af. Achteraf was daar wel gezeik over, want het was niet gegaan zoals het moest gaan. En ja.. V: Wat had er bij feit 2 wel moeten gebeuren? A: Dat weet ik niet, want blijkbaar was het niet dichtbij genoeg. Als ik kijk naar feit 3 was het dichterbij de woning, dat zag ik in het dossier, dus ik denk dat het niet dichtbij genoeg was. […] Op een gegeven moment kwamen bij feit 3, maar toen deed ik het niet meer voor het geld maar omdat ik bang was dat er iets ging gebeuren naar mijn familie of aan mijn adres. Het was ook de auto geweest waar ik in reed. Dat was ook de aanleiding geweest dat ik naar feit 3 ben toegereden, omdat ik dacht dat ik er dan wel vanaf was. V: Hoe moet ik dat zien? A: Ik rijd er naartoe en iemand anders zou het dan regelen en doen bij feit 3. Misschien dat iemand anders wel iets op zijn geweten wil hebben en is het over iemand anders zijn rug, maar dan ben ik er wel vanaf zeg maar. V: Als ik het goed begrijp heb je dus gereden zodat je niet opnieuw het vuurwerk hoefde te plaatsen? A: Ja, ik was gewoon de chauffeur. […] V: Wil je nog terugkomen op iets? A: Ja. Ik wil vandaag open kaart spelen. Net als bij feit 2 Dat heb ik gedaan, heel simpel. Mijn telefoon heb ik neergezet en gefilmd. Dat staat ook in het dossier. De verdachte heeft bij de politie op 17 februari 2025 onder meer als volgt verklaard : V: Wat kun je vertellen over feit 3? A: […] Ik ben wel in de auto geweest maar ben niet uitgestapt. V: Welke auto bedoel je dan? A: In de eerdergenoemde Ford Transit. […] V: Wie zaten er met jou op de dag en omstreeks feit 3 in de Ford Transit? A: De jongens met wie ik ben aangehouden. V: Dus [naam 4] en [naam 5] ? A: Ja. […] V: In een chatgesprek werden ook berichten uitgewisseld tussen “ [accountnaam 4] ’ en “ [accountnaam 2] Dit vond plaats vanaf 22-11-2024 te 18:54:37 uur. Wij lezen deze berichten voor en laten jou dit gesprek zien. Er wordt andere afgesproken, gechat over “platen veranderen”, “We gaan gwn met ze 3”, “bom halen”. Reageer hier eens op. […] V: Wat werd bedoeld met “de bom”? A: Vuurwerk. O: Kun je specifieker zijn? A: Er is mijn gevraagd of ik vuurwerk wilde halen. Dat heb ik gedaan. V: Wat voor soort vuurwerk? A: Waarschijnlijk een cobra. V: Hoe kom je aan dit vuurwerk? A: Die heb ik opgehaald. A: Ik ben gewoon het vuurwerk gaan halen bij iemand. Er was gewoon vuurwerk. Die ben ik gaan halen op aanvraag. […] De medeverdachte [naam 5] heeft bij de politie op 27 januari 2025 onder meer als volgt verklaard : V: Wil je nog iets verklaren? A: Over feit 3 wil ik graag het volgende verklaren. Ik wist dat het een boodschap was maar ik dacht dat het op straat zou worden neergezet. […] V: Jij had het over de boodschap. Wat bedoel je daarmee? A: Ik neem aan dat er vuurwerk neergezet moet worden dat het voor de schrik is, niet voor de lol. […] De medeverdachte [naam 5] heeft bij de politie op 8 april 2025 onder meer als volgt verklaard : V: Jij zou in het hebben busje gezeten en geprobeerd hebben te filmen. Klopt dat? A: Ja. V: Was dit jouw opdracht om te doen? A: Ja. […] V: Wat moest je met dat filmpje doen? A: Ik denk als bewijs, maar dat denk ik. Maar we zijn meteen opgepakt, dus heb dat filmpje nooit doorgestuurd. De verdachte heeft ter terechtzitting als volgt verklaard : Het klopt dat ik vuurwerk heb gehaald. Ik heb het vuurwerk in de Ford Transit neergelegd. Bewijsoverweging De rechtbank stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat bij de woning van aangeefster [naam 2] gelegen te [adres 2] op 23 november 2024 een ontploffing heeft plaatsgevonden, veroorzaakt door een vuurwerk brandstof combinatie. De ontploffing heeft schade aan de woning veroorzaakt en leverde gevaar op voor goederen in de directe omgeving. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [naam 4] de vuurwerk brandstof combinatie daadwerkelijk heeft afgestoken. Kort na de ontploffing zijn de verdachte en de medeverdachten immers aangehouden en heeft de politie de medeverdachte [naam 4] herkend als de persoon op de camerabeelden waarop de ontploffing te zien is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij een cobra heeft gehaald waarmee de ontploffing teweeg is gebracht en dat de medeverdachte [naam 5] – een deel van – de ontploffing heeft gefilmd. De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder de volgende omstandigheden. Daags vóór de onderhavige ontploffing had bij dezelfde woning reeds een ontploffing plaatsgevonden. Waarvan is gebleken dat deze teweeg is gebracht door de medeverdachte [naam 4] . De medeverdachte [naam 4] heeft een filmpje van die eerdere ontploffing doorgestuurd naar de medeverdachte [naam 5] . Ook heeft de medeverdachte [naam 4] , vlak na de eerdere ontploffing, een screenshot van het adres doorgestuurd naar de verdachte. De verdachte heeft het screenshot vervolgens weer doorgestuurd naar de medeverdachte [naam 5] . De avond daarop zijn de verdachte en de medeverdachten gezamenlijk van Rotterdam naar het adres in Roermond gereisd. Deze gezamenlijke reis over een aanzienlijke afstand, kort na het delen van het adres en het filmpje van de eerdere ontploffing, duidt op een voorafgaande afstemming en een gezamenlijk plan. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte en de medeverdachte [naam 5] op 22 november 2024 een aantal chatberichten hebben gestuurd naar elkaar waarin wordt gesproken over onder meer het halen van een bom en het wisselen van kentekenplaten. Ook wordt er door hen gesproken over “ [bedrijventerrein 1] ”. Dit bedrijventerrein is gelegen naast de woning van aangeefster [naam 2] . Verder heeft de medeverdachte [naam 5] nog bij de politie verklaard dat het afsteken van het vuurwerk een boodschap moest zijn. De rechtbank leidt uit deze gedragingen af dat sprake was van een voorafgaand gezamenlijk plan om bij de woning gelegen aan de [adres 2] een ontploffing teweeg te brengen. Het delen van het adres onder elkaar, het sturen van het filmpje van de eerdere explosie en de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte [naam 5] , duidt op doelbewuste voorbereiding. Het gezamenlijk afreizen over een aanzienlijke afstand bevestigt dat de verdachten in samenwerking handelden. Hoewel de medeverdachte [naam 4] de cobra feitelijk heeft afgestoken, hebben zowel de verdachte als de medeverdachte [verdachte] ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan het delict. De medeverdachte [naam 5] heeft – een deel van – de ontploffing gefilmd en heeft verklaard dat het een boodschap moest zijn. De verdachte heeft de cobra verschaft en heeft daarmee het middel tot uitvoering gegeven, hetgeen – mede gelet op de gezamenlijke reis en voorbereiding – duidt op instemming met betrokkenheid bij de uitvoering. Van enig distantiëren van de verdachte is niet gebleken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de bijdragen van de verdachten zodanig nauw en bewust op elkaar afgestemd waren, dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Het handelen van de verdachten kenmerkt zich door een taakverdeling waarbij ieder een eigen rol vervulde binnen het gezamenlijke plan. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging, derhalve als medeplegers, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte T.a.v. feit 3: op 23 november 2024 te Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bij de woning van [naam 2] gelegen aan de [adres 2] , een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbaar en/of explosief materiaal in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen voor die woning en omliggende woningen en inboedels van die woningen te duchten was; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: T.a.v. feit 3: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie kan zich vinden in het advies van de reclassering voor wat betreft de geadviseerde voorwaarden, maar gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van de verdachte kan volgens de officier van justitie niet worden volstaan met een onvoorwaardelijk gedeelte gelijk aan het voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat de verdachte reeds geruime tijd in detentie heeft doorgebracht en inmiddels zijn leven weer positief heeft opgepakt. De raadsman heeft derhalve verzocht om het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door een vuurwerk brandstof combinatie af te steken bij een voordeur van een woning in een woonwijk. De ontploffing heeft niet alleen materiële schade veroorzaakt, maak ook een diepgaande inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van het slachtoffer [naam 2] . Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij nog steeds niet begrijpt waarom juist zij, als alleenstaande moeder van drie kinderen, het slachtoffer is geworden van deze explosie. Het uitblijven van een antwoord op die ‘waarom-vraag’ maakt dat zij tot op heden in angst en onzekerheid verkeert en zich in haar eigen woning, die bij uitstek een plaats van veiligheid voor haar en haar kinderen zou moeten zijn, niet langer veilig voelt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen enkele verklaring of inzicht heeft willen geven in zijn motief of dat van (een) van de medeverdachte(n). De rechtbank heeft de verdachte meermaals gevraagd: ‘Waarom?’. Het antwoord bleef uit. Niet alleen het gevoel van onveiligheid bij het slachtoffer blijft hierdoor voortbestaan, maar de verdachte heeft hiermee ook geen blijk gegeven van verantwoordelijkheid, inzicht in het laakbare van zijn handelen of empathie voor de gevolgen ervan. Dit gebrek aan openheid en reflectie rekent de rechtbank verdachte zwaar aan en acht de rechtbank aldus strafverzwarend. Daarnaast heeft de verdachte door zijn handelen gevoelens van onrust en veiligheid in de buurt veroorzaakt. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van onrust en versterken gevoelens van onveiligheid in de samenleving, temeer nu explosies bij woningen de laatste jaren met regelmaat voorkomen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tevens acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 20 januari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 4 februari 2026 daaruit blijkt dat de verdachte bezig is zijn leven in positieve zin te herstructureren. De verdachte werkt fulltime en woont momenteel begeleid. Hij toont zich bereid om verdere begeleiding te aanvaarden. De reclassering adviseert het opleggen van bijzondere voorwaarden gericht op het bestendigen van deze positieve ontwikkeling en het beperken van het recidiverisico. Temeer omdat de reclassering het recidiverisico gelet op de proceshouding van de verdachte niet heeft kunnen inschatten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, de proceshouding van de verdachte en de nog altijd voortdurende gevolgen voor het slachtoffer niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Alles afwegende acht de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering, te weten: een meldplicht, begeleid wonen en ambulante begeleiding. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. 7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [naam 1] De benadeelde partij [naam 1] vordert een bedrag van € 3.246,05 ter zake feit 1, bestaande uit de volgende posten: eigen risico auto: € 150,- aanschaf beveiligingscamera’s: € 2.316,05 immateriële schade: € 780,- De benadeelde partij [naam 2] De benadeelde partij [naam 2] vordert een bedrag van € 14.514,22 ter zake de feiten 2 en 3, bestaande uit de volgende posten: eigen risico zorgverzekering: € 642,48 eigen risico auto: € 250,- verblijf vakantiepark: € 2.121,95 ringdeurbel: € 113,- beveiligingscamera’s: € 1.386,79 immateriële schade: € 10.000,- 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De benadeelde partij [naam 1] Gelet op de gevorderde vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De benadeelde partij [naam 2] De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de gevorderde materiële schade als de immateriële schade geheel kunnen worden toegewezen, omdat deze posten voldoende zijn onderbouwd. Het te vergoeden bedrag van € 14.514,22 dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. 7.3 Het standpunt van de verdediging De benadeelde partij [naam 1] Gelet op de door de officier van justitie gevorderde en de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de verdediging verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De benadeelde partij [naam 2] De verdediging heeft verzocht om de post ‘eigen risico auto’ (€ 250,-) niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 en deze post toebehoort tot dat feit. Voorts heeft de verdediging verzocht om de post ‘verblijf vakantiepark’ (€ 2.121,95) af te wijzen, nu uit de onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij hier sinds 22 november 2024, te weten één dag voor de ontploffing, heeft verbleven. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,-. Ten aanzien van de overige posten heeft de verdediging geen verweer gevoerd. Wel heeft de verdediging nog aangevoerd dat alle schade door de helft moet worden gedeeld, omdat er 2 ontploffingen bij de benadeelde partij [naam 2] hebben plaatsgevonden en de verdachte voor één van deze ontploffingen zal worden vrijgesproken. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De benadeelde partij [naam 1] Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte zijn gemaakt ter verdediging van deze vordering, begroot op nihil. De benadeelde partij [naam 2] De rechtbank is van oordeel dat door de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit zowel materiële als immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de ontploffing. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in haar vordering. Materiele schade De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de post ‘eigen risico auto’ (€ 250,-) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze post toebehoort aan feit 2 en de verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schadeposten overweegt de rechtbank als volgt: De verdediging heeft aangevoerd dat nu bij de benadeelde partij twee ontploffingen hebben plaatsgevonden, de schade niet volledig aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de gevorderde schade daarom dient te worden gehalveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende aannemelijk geworden dat de schadeposten ook zouden zijn ingetreden indien slechts één ontploffing had plaatsgevonden. De rechtbank zal derhalve de gevorderde posten niet halveren. De rechtbank stelt vast dat de door de benadeelde partij gevorderde posten ‘eigen risico zorgverzekering’ (€ 642,48), ‘ringdeurbel’ (€ 113,-) en ‘aanschaf beveiligingscamera’s’ (€ 1.386,79) in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. Deze posten zijn ook niet betwist komen de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen. Ten aanzien van de post ‘verblijf vakantiepark’ (€ 2.121,95) is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit tijdelijk niet in haar eigen woning kon verblijven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gemaakte posten in voldoende rechtstreeks verband staan tot de bewezenverklaarde feiten. Bovendien komt deze post de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank zal deze post dan ook toewijzen. Immateriële schade De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt ander nadeel onder meer voor vergoeding in aanmerking wanneer sprake is van lichamelijk letsel of een aantasting van de persoon op andere wijze. Ook hier heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde schade niet volledig aan de verdachte kan worden toegerekend omdat bij de benadeelde partij twee ontploffingen hebben plaatsgevonden en de verdachte slechts bij een betrokken was. De schade dient daarom te worden gehalveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende aannemelijk geworden dat de schadeposten ook zouden zijn ingetreden indien slechts één ontploffing had plaatsgevonden. De rechtbank zal derhalve de gevorderde posten niet halveren. Op basis van de bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden in voormelde zin. De bewezenverklaarde feiten hebben een aanzienlijke impact gehad op de benadeelde partij. Uit de overlegde medische stukken volgt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld. Tevens is gebleken dat de klachten aanhouden en dat sprake is van nog altijd voortdurende psychische gevolgen. Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de blijvende gevolgen voor de benadeelde partij, acht de rechtbank het gevorderde bedrag niet bovenmatig en in overeenstemming met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 10.000,- dan ook in zijn geheel toewijzen. Wettelijke rente, hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel De rechtbank acht in deze zaak het medeplegen wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt dat niet alleen de verdachte een schadevergoedingsplicht heeft jegens het slachtoffer, maar ook zijn mededaders. De rechtbank zal daarom hoofdelijk het totaalbedrag van € 14.264,22 toewijzen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden , waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; stelt de volgende bijzondere voorwaarden , waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen: dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vi