Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBZWB:2026:830 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / BRE 25/1840

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Summary

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1840 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres en CZ Zorgkantoor B.V., verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het zorgkantoor volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 25 januari 2025, door het zorgkantoor ontvangen op 28 januari 2025, om inzage in haar medisch dossier met betrekking tot de Wet langdurige zorg (Wlz). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiseres is te vroeg in beroep gegaan. Eiseres had namelijk nog geen ingebrekestelling gestuurd toen zij beroep instelde. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling van 15 oktober 2025 staat, was dus nog niet voorbij toen eiseres het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval vindt de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn inmiddels is verstreken en het zorgkantoor nog steeds geen besluit heeft genomen. 4. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 25 januari 2025 en het zorgkantoor heeft de aanvraag op 28 januari 2025 ontvangen. In het verweerschrift van 5 december 2025 voert het zorgkantoor aan dat hij niet beschikt over een medisch dossier van eiseres, en dat in de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg een grondslag voor het verzoek van eiseres ontbreekt. Het zorgkantoor stelt daarom geen besluit in de zin van de Awb te kunnen nemen. 5. De rechtbank stelt vast dat eiseres vraagt om haar medisch dossier van het zorgkantoor als Wlz-uitvoerder, en dat zij weliswaar naar wetgeving verwijst, maar dat deze verwijzing tussen haakjes staat. De rechtbank is van oordeel dat het zorgkantoor als Wlz-uitvoerder dit verzoek dan ook breder had moeten opvatten en dat de grondslag hiervoor gevonden kan worden in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) betreffende inzage in verwerkte persoonsgegevens. Het zorgkantoor moet binnen één maand beslissen op de aanvraag, ook als hij van mening is dat hij geen (medisch) dossier van eiseres heeft. Het zorgkantoor had dus uiterlijk op 27 februari 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het zorgkantoor moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het zorgkantoor op 15 oktober 2025 in gebreke gesteld, dit is door het zorgkantoor niet betwist in het verweerschrift van 5 december 2025. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan het zorgkantoor worden opgelegd? 6. Omdat het zorgkantoor nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het zorgkantoor dit alsnog moet doen. 6.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het zorgkantoor dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Gelet op de omvang van het verzoek, ziet de rechtbank aanleiding om aansluiting te zoeken bij de wettelijke termijn, daarom moet het zorgkantoor het besluit nemen binnen één maand na het verzenden van de uitspraak. Welke dwangsom wordt aan het zorgkantoor opgelegd? 7. De rechtbank bepaalt dat het zorgkantoor een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het zorgkantoor. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het zorgkantoor de onder 6.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het zorgkantoor de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 9. Omdat het beroep gegrond is moet het zorgkantoor het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het zorgkantoor op binnen één maand na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het zorgkantoor aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - bepaalt dat het zorgkantoor het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 12, derde lid en vierde lid, van de Avg.