Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBNNE:2026:452 Rechtbank Noord-Nederland , 03-02-2026 / 24/2480

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland

Case Summary

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2480 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg), en de korpschef van politie, namens deze, de politiechef van de Eenheid Expertise en Operaties, verweerder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om rectificatie van zijn politiegegevens. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing rechtmatig is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn. Procesverloop 2. Eiser heeft eerder, op 4 mei 2023, verzocht om rectificatie van zijn politiegegevens op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). 2.1. Verweerder heeft op dat verzoek beslist op 13 juli 2023. Hij heeft dit besluit aangevuld op 29 augustus 2023 en op 18 december 2023. 2.2. Op 6 september 2023 heeft eiser voor de tweede maal verzocht om rectificatie van zijn politiegegevens op grond van artikel 28 van de Wpg. 2.3. Verweerder heeft op dat verzoek beslist op 16 februari 2024. 2.4. Op 25 februari 2024 heeft eiser voor de derde maal verzocht om rectificatie van zijn politiegegevens op grond van artikel 28 van de Wpg. Eiser verzoekt daarbij specifiek om rectificatie van drie verschillende passages van een GRIP-rapport uit maart 2023 en van mogelijke nieuwe GRIP-rapportages met betrekking tot dezelfde inhoud, die later zijn opgemaakt. 2.5. Verweerder heeft op dat verzoek beslist op 16 april 2024. Hij heeft met zijn beslissing het derde verzoek van eiser afgewezen en dit in het besluit, per passage, in drie punten uiteengezet. Dit is het bestreden besluit. 2.6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen punt 1 en punt 3 van het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de gronden aangevuld. 2.7. Verweerder heeft het GRIP-rapport toegezonden aan de rechtbank, zodat zij hiervan onder geheimhouding kennis kon nemen . Eiser heeft hiervoor expliciet geen toestemming verleend. De rechtbank heeft het stuk daarom niet ingezien en geretourneerd aan verweerder. De informatie is dus niet betrokken bij de beoordeling van dit beroep. 2.8. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.9. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Heeft verweerder ten aanzien van passage 1 onder punt 1 van het bestreden besluit terecht geoordeeld dat er sprake is van een herhaalde aanvraag? 3. Eiser voert aan dat het hier een gemotiveerd verzoek betreft met nieuwe feiten en omstandigheden. Dit verzoek is daarom anders dan zijn eerdere verzoeken. In de betreffende passage worden gebeurtenissen opgesomd die volgens eiser nooit hebben plaatsgevonden. De feiten zijn niet door hem gepleegd, aan hem niet ten laste gelegd door het openbaar ministerie en niet bewezenverklaard. Deze passage in het GRIP-rapport komt daarom wel in aanmerking voor rectificatie. 3.1. Verweerder handhaaft het standpunt dat sprake is van een herhaalde aanvraag zoals bedoeld in de Awb . Verweerder wijst erop dat hij in het bestreden besluit heeft gemotiveerd dat eiser op dit punt - in tegenstelling tot wat hij zelf zegt - geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht ten opzichte van zijn eerste verzoek. Eiser herhaalt dat eerste verzoek en hij herhaalt ook zijn onderbouwing ervan. 4. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond van eiser niet kan slagen. Uit de stukken blijkt het volgende. Het verzoek dat nu voorligt is niet anders gemotiveerd dan eisers eerste verzoek. Het verzoek van eiser bevat ook geen nieuwe feiten of omstandigheden in vergelijking met dat verzoek. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van de Awb. Heeft verweerder ten aanzien van passage 3 onder punt 3 van het bestreden besluit terecht geoordeeld dat de politiegegevens van eiser niet in aanmerking komen voor rectificatie? 5. Eiser stelt dat er geen juridische grondslag is voor de gestelde informatie in de passage. Deze passage moet daarom wel worden gerectificeerd. 5.1. Verweerder handhaaft het standpunt dat de politiegegevens van eiser niet in aanmerking komen voor rectificatie. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat niet is gebleken dat deze specifieke politiegegevens feitelijk onjuist zijn. Hij acht dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. 6. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond van eiser ook niet kan slagen. Eiser heeft zijn stelling niet nader onderbouwd. Alleen de stelling dat er geen juridische grondslag is voor de gestelde informatie, biedt de rechtbank onvoldoende aanleiding om hierover anders te oordelen dan verweerder al heeft gedaan in het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Artikel 8:29 1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 2 Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. 3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. Wet politiegegevens Artikel 28. 1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. (…) Met GRIP wordt bedoeld Gedetineerde Recherche Informatieknooppunt. Raadpleeg hiervoor de bepalingen in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Raadpleeg hiervoor artikel 4:6 van de Awb.