ECLI:NL:RBDHA:2026:3093 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / AWB 24/12193
Rechtbank Den Haag
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/12913 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.G. Smouter), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa, (gemachtigde: mr. D.G.J. van de Brake). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 18 juli 2024 van het COa tot overplaatsing van eiser naar een opvang voor meerderjarigen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de overplaatsing van eiser naar een opvang voor meerderjarigen in stand kan blijven . Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij brief van 14 juni 2024 heeft het COa eiser laten weten voornemens te zijn hem over te plaatsen naar een opvang voor meerderjarigen. Met het besluit van 18 juli 2024 heeft het COa definitief besloten dat eiser wordt overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie op een nader te bepalen datum. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 3 september 2024 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat het COa eiser moet terugplaatsen naar een opvanglocatie voor minderjarigen vreemdelingen waar hij de behandeling van het beroepschrift mag afwachten. 2.2. Het COa heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Bij brief van 2 december 2024 heeft de rechtbank het COa verzocht om aan te geven welke gevolgen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 heeft voor het besluit van 18 juli 2024. 2.4. Het COa heeft op 16 december 2024 op deze brief gereageerd. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het COa. Beoordeling door de rechtbank Wat ging vooraf aan de overplaatsing? 3. Eiser heeft op 30 april 2024 in Nederland asiel aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2009 opgegeven. Eiser is met toepassing van de Werkinstructie 2023/6 (WI 2023/6) geschouwd door zowel de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) als de gehoormedewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De AVIM heeft in de schouw geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De IND heeft geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Om die reden is het COa uitgegaan van de door eiser opgegeven geboortedatum [geboortedatum 1] 2009. Eiser werd daarom in een opvang voor minderjarigen geplaatst. Na het aanmeldgehoor heeft de minister van Asiel en Migratie (minister), vanwege de twijfel, een (Dublin)onderzoek in Griekenland gestart. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser in Griekenland met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2004 geregistreerd staat. De Griekse autoriteiten hebben de minister laten weten dat de registratie niet op basis van documenten heeft plaatsgevonden en dat geen medische leeftijdsonderzoek is uitgevoerd. De minister heeft vervolgens bij kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens van 7 juni 2024 de geboortedatum van eiser gewijzigd naar [geboortedatum 2] 2004. Deze is vervolgens direct via de Basisvoorziening Vreemdelingen aangepast in het registratiesysteem van het COa. Bij brief van 14 juni 2024 heeft het COa eiser laten weten voornemens te zijn hem over te plaatsen naar een opvang voor meerderjarigen. Vervolgens heeft eiser op 28 juni 2024 met een zienswijze op dit voornemen gereageerd. Op 18 juli 2024 heeft het COa het bestreden besluit genomen, waarbij twee memo’s van de minister over de leeftijdsbepaling van eiser als bijlage zijn toegevoegd. Het bestreden besluit 4. Het COa heeft op 18 juli 2024 een overplaatsingsbesluit genomen om eiser over te plaatsen van een opvanglocatie voor minderjarigen naar een opvanglocatie voor meerderjarigen. Het COa heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij van de minister – middels een memo inzake leeftijdsbepaling – heeft vernomen dat op 7 juni 2024 de leeftijdsregistratie van eiser is gewijzigd en dat eiser tot op het moment van het bestreden besluit zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke en identificerende documenten, dan wel een leeftijdsonderzoek heeft aangetoond. Nadat eiser in de zienswijze van 28 juni 2024 heeft aangegeven in het bezit te zijn van een origineel individueel uittreksel heeft het COa nogmaals een memo opgevraagd bij de minister, omdat in de eerste memo de minister zich niet heeft uitgelaten over een dergelijk document. In de aanvullende memo inzake leeftijdsbepaling heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd en dat de gestelde documenten, te weten een individueel uittreksel en een familie-uittreksel, enkel indicatief zijn en niet identificerend. Het COa benadrukt dat de minister verantwoordelijk is voor de leeftijdsbepaling. Zoals bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 8 juli 2024 mag het COa uitgaan van de door de minister vastgestelde leeftijd, tenzij concrete aanknopingspunten aanleiding geven tot twijfel. Het COa stelt zich op het standpunt dat daarvan niet is gebleken. Het COa ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de minister. Verder stelt het COa zich op het standpunt dat de procedurele waarborgen eiser niet zijn ontnomen, omdat in de periode dat er twijfel bestond, hij in een opvang voor minderjarigen verbleef en hij is bijgestaan door een voogd van Nidos. Pas toen in de Basisvoorziening Vreemdelingen de leeftijd van eiser is gewijzigd, heeft het COa eiser meegedeeld dat hij zal worden overgeplaatst naar een reguliere opvang. Mocht het COa uitgaan van de leeftijdsregistratie van de minister? 5. Eiser voert aan dat hij concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht tegen de leeftijdswijziging op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de gewijzigde leeftijd. Eiser betoogt dat het COa onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te wachten op de uitkomst van de asielprocedure bij de IND. Het COa heeft daarmee in strijd met het vermoeden van minderjarigheid gehandeld. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 heeft het COa een eigen verantwoordelijkheid om te voorkomen dat een minderjarige vreemdeling in een opvang voor meerderjarigen wordt geplaatst. In dat kader wijst eiser op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 juli 2022 inzake Darboe en Camara tegen Italië en van 18 januari 2024, inzake T.K. Eiser betoogt verder dat hij in Griekenland een verkeerde geboortedatum heeft opgegeven en dat die geboortedatum niet op basis van documenten of een leeftijdsonderzoek is vastgesteld. De vaststelling is gebeurd enkel op de eigen verklaring van eiser. Eiser heeft verder een individueel uittreksel uit de burgerlijke stand en een uittreksel basisregistratie gezinnen overgelegd, waarop als geboortedatum van eiser [geboortedatum 3] 2009 staat. Voor zover de IND in haar memo heeft gesteld dat de overgelegde documenten indicatieve documenten zijn, stelt eiser dat de documenten als ondersteunend bewijs dienen te gelden en dat de IND heeft nagelaten de documenten als zodanig aan te merken acht eiser formalistisch. Eiser wenst niet in een opvanglocatie voor meerderjarigen te worden geplaatst, omdat deze geen specifieke voorzieningen voor minderjarigen biedt. 6. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 15 mei 2024 heeft overwogen dat het COa in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister nu de minister verantwoordelijk is voor de leeftijdsbepaling van een vreemdeling, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn vastgestelde leeftijd. In dat geval dient het COa navraag te doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt te vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling. Weliswaar is de minister verantwoordelijk voor de leeftijdsbepaling, maar dat doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het COa om te voorkomen dat het een minderjarige vreemdeling in een opvang voor meerderjarigen plaatst. In dit verband wijst de Afdeling naar het arrest van 21 juli 2022, Darboe en Camara tegen Italië, paragrafen 153 en 154, waarin het EHRM heeft overwogen dat de bevoegde autoriteiten van het beginsel van het vermoeden van de minderjarigheid moeten uitgaan, als er twijfel is over de leeftijd van een vreemdeling. De Afdeling heeft dit toetsingskader nader verduidelijkt in haar uitspraak van 10 december 2025. 7. De Afdeling heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie namelijk beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij in beginsel aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken. 8. Het COa heeft, naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank of de bovenstaande uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 gevolgen heeft voor het bestreden besluit, bij de minister navraag gedaan naar de gevolgen van die uitspraak voor de leeftijdsregistratie van eiser. Het COa heeft vervolgens een aanvullende memo van 16 december 2024 van de minister ontvangen, waarin staat dat de uitspraak van de Afdeling geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen over de geboortedatum van eiser. Daarbij heeft de minister als volgt geredeneerd: “Uit r.o. 7.3 van de eerder genoemde uitspraak ABRvS van 9 oktober 2024 volgt dat de minister gewicht mag toekennen aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is. Aan de gegevens uit Griekenland ligt een eigen verklaring van betrokkene ten grondslag. Betrokkene verklaart meerdere malen tijdens zijn procedure dat hij deze meerderjarige geboortedatum ook zelf heeft opgegeven. Dit betekent dat de registratie in Griekenland zorgvuldig en juist is verlopen. Betrokkene stelt nu dat de gegevens die hij zelf heeft opgegeven, onjuist zijn. Het is aan betrokkene om dit aannemelijk te maken, maar dit heeft hij tot op heden niet gedaan. De verklaring dat betrokkene aangeeft in Griekenland expres onjuiste gegevens heeft opgegeven. maakt dit niet anders. Juist zijn verklaring dat hij eerder expres valse gegevens — zijn geboortedatum en voornaam — versterkt de twijfel over zijn in Nederland opgegeven gegevens. Daarnaast strookt de verklaring dat de Griekse autoriteiten hem als minderjarige niet zouden laten gaan (AMG, p. 4) niet met de omstandigheid dat betrokkene niet direct of na korte tijd is doorgereisd, maar ongeveer vijf of zes maanden in Griekenland heeft verbleven (AMG. p. 10). In deze periode heeft betrokkene zijn persoonsgegevens nooit aangepast naar zijn gestelde juiste persoonsgegevens. Bovendien heeft betrokkene officiële documenten van de Griekse autoriteiten — een ausweis — geaccepteerd en aangenomen waar zijn meerderjarige geboortedatum op staat (schouw AMG, p. 6). Daarnaast verklaart betrokkene over zijn werk waarbij hij een tijdlijn schetst die past bij een meerderjarige leeftijd, geboortejaar 2004. Betrokkene stelt op zijn 13e te zijn begonnen met werken en voor zes jaren te hebben gewerkt, dit maakt hem bij zijn aanvraag minstens 19 jaar oud (PV, p. 3). Hiermee is betrokkene geconfronteerd. Hij verklaart hier later tegenstrijdig over, door in het aanmeldgehoor van 3 mei 2024 te zeggen dat hij een jaar geleden is begonnen met zijn werk in Turkije en slechts zeven of acht maanden heeft gewerkt. Deze verklaring klopt bovendien niet, nu hij in deze periode al onderweg was naar Nederland. Betrokkene heeft weliswaar inmiddels twee originele documenten -een familie boekje en individueel uittreksel - overgelegd maar beide documenten zijn indicatieve en niet identificerende documenten. Bovendien is het individuele uittreksel pas aangevraagd nadat betrokkene zich in Nederland heeft gemeld en is het niet in persoon afgegeven. Betrokkene stelt dat hij lange tijd in Turkije heeft gewoond, maar heeft geen Kimlik overgelegd. Ook stelt hij een familieboekje te hebben, maar dit document is ook niet overgelegd. Concluderend wordt opgemerkt dat er na de schouw wordt getwijfeld aan de gestelde minderjarigheid van betrokkene en hij met zijn afwijkende geboortedatum in Griekenland en zijn wisselende en tegenstrijdige verklaringen over zijn werk verdere twijfels heeft gezaaid over zijn gestelde minderjarigheid. Daarnaast heeft hij zijn persoonsgegevens in Griekenland nooit aangepast maar heeft hij wel reisdocumenten aangenomen met de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004. Verder heeft hij geen identificerende documenten overgelegd. De geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 wordt daarom aangehouden. ” Het COa heeft vervolgens de rechtbank bericht dat zij in samenspraak met de minister zelfstandig heeft beoordeeld of de uitspraak van de Afdeling gevolgen heeft voor het bestreden besluit en geconcludeerd dat dat niet het geval is. 9. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of het COa mocht uitgaan van de leeftijdsbepaling van de minister. De rechtbank stelt vast dat het COa van de meerderjarige leeftijdsbepaling van de minister is uitgegaan en dat het COa, naar aanleiding van het standpunt van eiser dat hij minderjarig is en daartoe concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd – te weten dat eiser in het bezit is van een origineel individueel uittreksel – bij de minister conform de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 navraag heeft gedaan over de leeftijdsbepaling en daartoe een memo heeft gekregen. In die memo heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd en dat de gestelde documenten, te weten een individueel uittreksel en een familie-uittreksel, enkel indicatief zijn en niet identificerend, zodat de minister uitgaat van de meerderjarige leeftijdsregistratie in Griekenland. Vervolgens is het COa bij haar oordeel gebleven dat zij uitgaat van de meerderjarige leeftijd van eiser. Het COa heeft voorts zorgvuldig gehandeld door bij de minister, naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2024 (zie over deze uitspraak overweging 7), informatie te vragen over de leeftijdsbepaling van eiser en vervolgens een eigen standpunt te vormen over eisers opvangbehoeften. Daartoe heeft het COa een memo gekregen van de minister. Het COa heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft geconcretiseerd wat hij tekortkomt op een reguliere opvang in het kader van de opvangbehoeften, wat niet elders op een reguliere opvanglocatie door middel van maatwerk dan wel intensief begeleidende opvanglocatie kan worden gerealiseerd. Het COa heeft naar het oordeel van de rechtbank in het antwoord van de minister, zoals is geciteerd onder overweging 8, geen aanleiding hoeven zien om bij de totstandkoming van een eigen oordeel over de plaatsing van eiser (alsnog) af te wijken van de leeftijdsbepaling van de minister. Het COa heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank de leeftijdsbepaling van de minister bij het bepalen van de opvangbehoefte van eiser kunnen volgen. 10. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat het COa op grond van het arrest Darboe en Camara na de leeftijdsbepaling door de minister nog moest uitgaan van de minderjarigheid van eiser, de ‘presumptie van minderjarigheid’. Eiser is tot de leeftijdsbepaling behandeld overeenkomstig dit vermoeden. Naar het oordeel van de rechtbank strekt het arrest niet zover dat het COa, zodra de meerderjarigheid van een vreemdeling ter discussie wordt gesteld, moet uitgaan van de minderjarigheid en de vreemdeling in een minderjarigenopvang moet (terug)plaatsen. Dit volgt ook niet uit de Afdelingsuitspraak van 15 mei 2024. 11. De rechtbank volgt eiser ook niet in de verwijzing naar het arrest T.K., omdat die zaak andere omstandigheden betreft die geenszins vergelijkbaar zijn met die van eiser. Zo was in die zaak de vreemdeling direct bij de aanvraag behandeld als een meerderjarige, terwijl hij echter in het bezit was van een geboorteakte die de autoriteiten geweigerd hebben te betrekken. De Griekse autoriteiten hebben in die zaak daarom verzuimd op grond van het beginsel van vermoeden van minderjarigheid in geval van twijfel de procedurele waarborgen in afwachting van de uitkomst van de leeftijdsvaststelling toe te passen (zoals benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger). Eiser is echter in dit geval bij binnenkomst behandeld als een minderjarige en is hij bijgestaan door een voogd van Nidos. 12. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBDHA:2024:14396. ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992. ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011. ECLI:NL:RBDHA:2024:10617. ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717. ECLI:CE:ECHR:2024:0118JUD001611220. ECLI:NL:RVS:2024:2011. ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5822. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:73.