ECLI:NL:RBROT:2025:9088 Rechtbank Rotterdam , 23-07-2025 / C/10/668332 / HA ZA 23-965
Rechtbank Rotterdam
Case Summary
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/668332 / HA ZA 23-965 Vonnis van 23 juli 2025 in de zaak van STICHTING DATA BESCHERMING NEDERLAND , gevestigd te Rotterdam , eiseres, advocaat mr. P. Haas te Rotterdam, tegen 1 AMAZON EUROPE CORE S.A.R.L., gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, 2. AMAZON EU S.A.R.L. , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg 3. AMAZON MEDIA EU S.A.R.L. , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg 4. AMAZON.COM, INC. , gevestigd te Seattle, Verenigde Staten van Amerika, gedaagden, advocaat mr. A.M. Arnbak te Amsterdam. Eiseres wordt hierna SDBN genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk Amazon Europe Core, Amazon EU, Amazon Media EU en Amazon.com genoemd en gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) Amazon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 november 2024 en de daarin vermelde processtukken, - het vonnis in incident van 5 maart 2025 , en de daarin vermelde processtukken, waaronder de akte uitlating tussenvonnis 13 november 2024 van SBDN, - de antwoordakte uitlating tussenvonnis 13 november 2024 van Amazon. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Waar gaat deze zaak over? 2.1. Deze zaak betreft een collectieve actie. Daarin komt SDBN op voor de belangen van accounthouders van Amazon in Nederland (door SDBN aangeduid als de Benadeelden). Het gaat om ongeveer 5 miljoen accounthouders. Kern van het verwijt van SDBN is dat Amazon persoonsgegevens van haar accounthouders in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verwerkt. SDBN wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat Amazon hiermee stopt en dat Amazon de schade van haar achterban vergoedt. Het gaat daarbij om materiële en immateriële schade. 2.2. In het tussenvonnis van 13 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij bevoegd is (rechtsmacht heeft) en dat de vorderingen van SDBN moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht. Verder heeft de rechtbank in dat tussenvonnis geoordeeld dat het op het punt van de ontvankelijkheid van SDBN nodig is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Beide partijen hebben zich bij akte over dit voornemen en over de voorgestelde vragen uitgelaten. 2.3. In dit vonnis zal de rechtbank prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU. Dit vonnis is als volgt opgebouwd: de feiten die voor de beoordeling van de prejudiciële vragen van belang zijn (hoofdstuk 3), de collectieve vorderingen (hoofdstuk 4), de collectieve actie in Nederland (hoofdstuk 5), de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA in deze zaak (hoofdstuk 6), de vragen van uitleg (hoofdstuk 7), toelichting op de vragen (hoofdstuk 8), relevante nationale wetgeving (hoofdstuk 9), relevante Europese regelgeving (hoofdstuk 10), schorsing procedure (hoofdstuk 11), de beslissing (hoofdstuk 12). 2.4. De opmerkingen van partijen over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen zijn in het vonnis verwerkt voor zover de rechtbank die relevant acht. 3 De feiten 3.1. SDBN is een stichting en is op 20 december 2021 opgericht. De statuten van SDBN luiden, voor zover hier van belang, als volgt: “ DEFINITIES In de statuten wordt verstaan onder: (…) e. Participant: (rechts)persoon die een Participatieovereenkomst met de stichting heeft gesloten; f. Participatieovereenkomst: een overeenkomst tussen een Participant en de stichting met betrekking tot een specifieke Vordering; g. Persoonsgegevens: alle informatie die kan worden gebruikt om een persoon (direct of indirect) te identificeren, aan de hand van (i) een naam, (ii) een identificatienummer, (iii) locatiegegevens, (iv) of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van een persoon, of anderszins; h. Privacy Schending: een schending van het recht op bescherming van privacy of het recht op bescherming van Persoonsgegevens, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, de onrechtmatige verwerking van deze Persoonsgegevens, een en ander in de ruimste zin van het woord; (…) DOEL ARTIKEL 2 1. De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van Gedupeerden, waaronder begrepen maar niet beperkt tot: a. het onderzoeken en (laten) vaststellen van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op een (of meer) Privacy Schending(en) jegens Gedupeerden; b. het onderzoeken en (laten) vaststellen van de onrechtmatigheid van de onder artikel 2 lid 1 sub a genoemde gedragingen en de (direct of indirect) daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid jegens Gedupeerden; c. het onderzoeken en (laten) vaststellen van de financiële of anderszins nadelige gevolgen van de onder artikel 2 lid 1 sub a genoemde gedragingen voor Gedupeerden; d. het verkrijgen en verdelen van compensatie voor het nadeel dat Gedupeerden als gevolg van de onder artikel 2 lid 1 sub a genoemde gedragingen hebben geleden; e. het instellen van ge- of verbodsacties in rechte en/of het leggen van beslagen; f. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. (…) ORGANEN EN GOVERNANCE STRUCTUUR ARTIKEL 3 1. De stichting kent de volgende organen: a. Een bestuur; b. Een raad van toezicht; en c. Een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht. 2. De governance structuur van de stichting is opgezet in overeenstemming met de bepalingen van de Claimcode (…). 3. Het bestuur en de raad van toezicht zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de governance structuur van de stichting en voor de naleving van de Claimcode 4. De stichting kent Participanten (…)”. 3.2. De raad van bestuur van SDBN bestaat uit mevrouw [persoon A] , de heer [persoon B] en de heer [persoon C] . 3.3. De raad van toezicht van SDBN bestaat uit mevrouw [persoon D] , de heer [persoon E] en de heer [persoon F] . 3.4. SDBN maakt gebruik van de website www.stichtingdatabescherming.nl en – specifiek voor deze procedure – van amazon.jestaattekoop.nl. 3.5. De kosten van SDBN worden voor deze procedure gefinancierd door Marsh Funding LLC. Deze financier is gelieerd aan Longford Capital Management, een commercieel litigation finance kantoor in de Verenigde Staten. 3.6. De Amazon groep is wereldwijd actief en bestaat uit een groot aantal vennootschappen, waaronder Amazon Europe Core, Amazon EU en Amazon Media EU. Amazon.com staat aan het hoofd van de Amazon groep. Amazon Europe Core is verantwoordelijk voor de technische werking van de Amazon websites in Europa, waaronder de website amazon.nl. Amazon EU is de verkoper van producten en diensten zoals aangeboden op Amazon Marketplace onder de aanduiding ‘Verkoop en verzending door Amazon’ of de handelsnaam ‘Warehouse Deals’. Amazon Media EU is de verkoper van de (digitale) content zoals aangeboden onder ‘Verkocht door Amazon Media EU SARL’, waaronder de streamingdienst Prime Video en apparaten zoals Echo en Echo Dot, waarop de Alexa-stemassistent is geïnstalleerd. 3.7. Bij brief van 23 juni 2023 heeft SDBN – samengevat – Amazon aansprakelijk gesteld voor de door haar achterban geleden schade als gevolg van inbreuken op het recht op bescherming van privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens. De schade is gevorderd vanaf 25 mei 2018, de datum waarop de AVG in werking is getreden. SDBN heeft Amazon daarbij uitgenodigd om met haar in overleg te treden om een redelijke oplossing te bereiken. 3.8. Op 12 september 2023 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Partijen hebben geen regeling kunnen treffen. 3.9. Naast deze collectieve procedure voert SDBN een collectieve procedure bij deze rechtbank tegen Adobe en een collectieve procedure bij de rechtbank Amsterdam tegen X-Corp (voormalig Twitter) . 4 De collectieve vorderingen 4.1. SDBN vordert, samengevat en voor zover van belang voor de prejudiciële vragen, verklaringen voor recht dat – kort gezegd – Amazon onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Benadeelden en dat Amazon aansprakelijk is voor vergoeding van de schade van de Benadeelden. Verder vordert SDBN veroordeling van Amazon tot het betalen van schadevergoeding. SDBN vordert daarnaast dat de rechtbank Amazon beveelt om – samengevat – haar handelen in overeenstemming met de AVG te brengen en Amazon verbiedt om persoonsgegevens die in strijd met de AVG zijn verwerkt, te gebruiken. 4.2. Amazon concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van SDBN , althans tot het ontzeggen aan SDBN van haar vorderingen. 5. De collectieve actie in Nederland 5.1. Sinds 1 juli 1994 kent Nederland de mogelijkheid voor een belangenorganisatie om zelfstandig en op eigen naam een collectieve rechtsvordering in te stellen ten behoeve van haar achterban. Per die datum trad artikel 3:305a (oud) BW in werking . Dit was de codificatie van de in de jurisprudentie aanvaarde mogelijkheid voor een belangenorganisatie om namens een collectief of algemeen belang voor de civiele rechter te procederen en van de ontvankelijkheidseisen waaraan een dergelijke belangenorganisatie moest voldoen. Belangrijk argument voor een wettelijke regeling was onder andere dat belangenorganisaties kunnen optreden in strooischade-zaken. Met strooischade-zaken wordt gedoeld op zaken waar de schade per individu gering is, maar het in de totaliteit om aanzienlijke bedragen gaat. Andere argumenten voor een algemene regeling waren destijds dat voor een belangenorganisatie de drempel voor toegang tot de rechter minder hoog is en de gedachte dat van een collectieve vordering een preventieve werking kan uitgaan . Ontvankelijk was destijds een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die gelijksoortige belangen van andere personen krachtens haar statuten behartigde en eerst voldoende had geprobeerd het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Later zijn hier ontvankelijkheidseisen aan toegevoegd. 5.2. Een belangenorganisatie die aan de eisen voor ontvankelijkheid voldeed, kon bij de civiele rechter diverse vorderingen instellen. Er kon bijvoorbeeld een verbod of een bevel of een verklaring voor recht worden gevorderd. Een vordering tot vergoeding van schade in geld was evenwel expliciet uitgesloten. Dat werd pas in 2020 mogelijk met de invoering van de WAMCA (zie 5.7). De gedachte achter die oorspronkelijke beperking was onder meer dat de vraag naar de omvang van de schade slechts individueel kon worden beantwoord. Een dergelijke individuele beoordeling van schade werd strijdig geacht met het wezen van het collectieve actierecht . Om schadevergoeding te verkrijgen was het daarom onder het oude recht praktijk dat een belangenorganisatie ten behoeve van haar achterban een verklaring voor recht vorderde dat de gedaagde partij aansprakelijk was. Bij toewijzing van die vordering werd vervolgens geprobeerd om met de gedaagde partij een schikking te bereiken over de te vergoeden schade. WCAM 5.3. Op 27 juli 2005 trad de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) in werking (artikel 7:907 BW en verder en artikel 1013 Rv en verder). Deze wet biedt de mogelijkheid om een overeenkomst die voorziet in de afwikkeling van een groot aantal gelijksoortige vorderingen tot schadevergoeding en die is gesloten tussen een belangenorganisatie die de belangen van de gedupeerden behartigt en de aansprakelijke partij(en), door het gerechtshof Amsterdam verbindend te laten verklaren voor de gehele groep van gedupeerden. Door de verbindendverklaring heeft de overeenkomst tussen partijen en de gerechtigden tot een vergoeding de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst , waarbij ieder der gerechtigden als partij geldt (artikel 7:908 lid 1 BW). Een benadeelde die niet gebonden wil zijn aan de overeenkomst, moet gebruik maken van de zogenaamde ‘opt-out’-mogelijkheid, door binnen de daarvoor door de rechter te bepalen termijn een schriftelijke mededeling te doen dat hij niet gebonden wil zijn (artikel 7:908 lid 2 BW). 5.4. De met de WCAM opgedane ervaringen zijn in het algemeen positief. Onder de WCAM is een aantal schikkingen verbindend verklaard. De WCAM gaat evenwel uit van een door de belangenorganisatie en de aangesproken partij(en) vrijwillig en buiten rechte gesloten schikkingsovereenkomst. Indien een dergelijke overeenkomst niet tot stand komt, bijvoorbeeld omdat de aangesproken partij deze niet wil aangaan, is er ook geen regeling die verbindend kan worden verklaard voor de gedupeerden en blijft de collectief geleden schade onvergoed. 5.5. Bij een wijziging van de WCAM in 2013 heeft de wetgever de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW aangevuld met de eis dat de belangen van de personen voor wie wordt opgekomen voldoende zijn gewaarborgd. Reden hiervoor was de sterke opkomst van ad hoc opgerichte stichtingen, die soms louter commercieel gedreven waren. Of met een collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende gewaarborgd zijn, laat zich volgens de wetgever alleen per concreet geval beantwoorden. Daarbij kan een rol spelen het aantal benadeelden dat aangesloten is bij of lid is van de belangenorganisatie en de vraag in hoeverre benadeelden zelf de collectieve actie ondersteunen . Claimcode 5.6. In 2011 heeft de Commissie Claimcode (een commissie van juristen met ervaring op het gebied van collectieve acties) een document opgesteld waarin principes zijn uitgewerkt waaraan belangenorganisaties die optreden op grond van artikel 3:305a BW moeten voldoen. Dit document wordt kort aangeduid als ‘De Claimcode’. De Claimcode is een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden op basis van artikel 3:305a BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat de belangen van de gedupeerden worden gewaarborgd en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. De Claimcode bevat daartoe regels over de samenstelling, taak en beloning van het bestuur en de taak en samenstelling van een raad van toezicht, alsmede regels over het behartigen van collectieve belangen zonder winstoogmerk, onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstellingen. De laatste versie van de Claimcode dateert van 2019. WAMCA 5.7. Per 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in werking getreden. Deze wet maakt het mogelijk voor stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid om in een collectieve actie schadevergoeding te vorderen in de vorm van een geldelijke schadeafwikkeling. De wet heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen waarmee de noodzaak van (vele) individuele procedures verdwijnt en het bereiken van een finale oplossing voor benadeelden eenvoudiger wordt. De belangrijkste verandering ten opzichte van zowel de WCAM als artikel 3:305a (oud) BW is dat de WAMCA de rechter de mogelijkheid biedt om, indien gevorderd, de te betalen schadevergoeding vast te stellen als partijen het hierover niet eens worden. Achtergrond hiervan was – onder meer – dat het ontbreken van de mogelijkheid om schade collectief te laten vaststellen er in de praktijk toe kan leiden dat de afwikkeling van massaschade sterk wordt vertraagd. Het kan lang duren voordat in hoogste instantie over een essentiële rechtsvraag duidelijkheid wordt verkregen, terwijl de aangesproken partij gedurende die periode wellicht niet bereid is om over een collectieve regeling te spreken. Ook als aansprakelijkheid vaststaat, is de aangesproken partij niet steeds bereid te onderhandelen over een afwikkeling van de massaschade. Dit kan het geval zijn als de aangesproken partij verwacht dat individuele gedupeerden toch niet de gang naar de rechter zullen maken. Ook bij de invoering van de WAMCA heeft de wetgever (wederom) verwezen naar het belang van het kunnen verhalen van strooischade (zie ook 5.1) . Mede in dat kader is in de WAMCA gekozen voor een opt-out-systematiek (zie hierna 5.12). 5.8. De mogelijkheid om op grond van de WCAM het gerechtshof Amsterdam te verzoeken een tussen een belangenorganisatie en een aansprakelijk gestelde partij (buiten rechte) gesloten vaststellingsovereenkomst tot vergoeding van massaschade verbindend te verklaren, bestaat nog steeds onder de WAMCA, terwijl onder de WAMCA een gesloten vaststellingsovereenkomst ook aan de rechter die de collectieve actie behandelt ter goedkeuring kan worden voorgelegd (artikel 1018g en artikel 1018h Rv). De WAMCA doet ook niet af aan de mogelijkheid om vorderingen te bundelen door middel van cessie of volmachtverlening aan een belangenorganisatie en de WAMCA verandert het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht niet . 5.9. Een collectieve actie op grond van de WAMCA bestaat uit twee fases: een voorfase waarin de rechter de ontvankelijkheid van de eisende belangenorganisatie toetst en een fase waarin de inhoudelijke behandeling van de vorderingen plaats vindt. 5.10. Zelfregulering door middel van de Claimcode bleek niet het gewenste effect te hebben. De WAMCA bevat daarom aangescherpte ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties die een collectieve (schadevergoedings-)actie instellen, om een adequate vertegenwoordiging van gedupeerden in collectieve procedures te garanderen. De aangescherpte ontvankelijkheidseisen verankeren deels de Claimcode en zien op de transparantie en governance van belangenorganisaties en geven de rechter de mogelijkheid om de geschiktheid van de belangenorganisatie indringend te toetsen. 5.11. Nederland heeft, anders dan sommige andere EU-lidstaten, geen lijst met vooraf aangewezen organisaties die collectieve acties kunnen voeren. De WAMCA kent een systeem waarbij verschillende belangenorganisaties namens een te vertegenwoordigen groep of algemeen belang in hun eigen naam gelijksoortige vorderingen kunnen instellen (artikel 1018d Rv). 5.12. In een collectieve actie onder de WAMCA treden belangenorganisaties op als formele en materiële procespartij voor een abstract aangeduide groep gedupeerden die zij in hun dagvaarding “nauw” (dat wil zeggen zo duidelijk en concreet mogelijk) moeten omschrijven (artikel 1018c lid 1 sub b Rv). Dat doen zij als zelfstandige materiële procespartij en niet als vertegenwoordiger van die groep personen. Die personen hoeven zich dus ook niet vooraf aan te melden, zodat hun identiteit niet bekend hoeft te zijn, maar een uitspraak in een collectieve actie onder de WAMCA is, zoals gezegd, in beginsel wel bindend voor de hele groep (artikel 1018k Rv). Als personen die tot de nauw omschreven groep behoren, niet gebonden willen zijn aan de uitkomst van de collectieve procedure, moeten zij binnen een door de rechter te bepalen termijn door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank die de collectieve vordering in behandeling heeft laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering te willen bevrijden (artikel 1018f Rv). Degenen die van deze opt-out-mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, zijn niet gebonden aan de uitkomst van de WAMCA-procedure. Alle personen (behorend tot de nauw omschreven groep en met een woon- of verblijfplaats in Nederland) die geen opt-out-verklaring hebben afgelegd, zijn gebonden aan de uitkomst van de collectieve actie. Een reden hiervoor is dat daarmee wordt voorkomen dat de aangesproken partij (alsnog) wordt geconfronteerd met een veelheid aan individuele en collectieve procedures . De wetgever heeft zich gerealiseerd dat met dit systeem free rider -gedrag gefaciliteerd wordt, maar dat is toelaatbaar geacht omdat anders veel strooischade onvergoed blijft. 5.13. Voor personen die geen woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, bestaat een afwijkende regeling en geldt het opt-out-systeem niet (artikel 1018f lid 5 Rv). Implementatie Richtlijn representatieve vorderingen 5.14. Per 25 juni 2023 is de Richtlijn representatieve vorderingen geïmplementeerd in Nederland. De Richtlijn representatieve vorderingen verplicht de lidstaten onder meer een collectieve schadevergoedingsactie voor consumenten in te voeren en stelt aan deze actie enkele inhoudelijke eisen en voorwaarden. Dit betreft minimumharmonisatie. De nationale wetgever heeft dus de bevoegdheid om strengere nationale wetgeving vast te stellen dan de Richtlijn representatieve vorderingen vereist. De Richtlijn representatieve vorderingen laat het aan de lidstaten over om, rekening houdend met hun rechtstradities, te kiezen voor een opt-in- of een opt-out-mechanisme, of een combinatie van die twee. 5.15. De Implementatiewet is van toepassing op collectieve acties die zijn ingesteld op of na 25 juni 2023. Omdat de WAMCA een Nederlandse collectieve schadevergoedingsactie mogelijk maakt die voldoet aan de eisen van de Richtlijn representatieve vorderingen, hoefde Nederland volgens de wetgever niet een geheel nieuwe regeling te maken. De WAMCA regelt dezelfde materie als de Richtlijn representatieve vorderingen, maar heeft een breder toepassingsgebied. Alleen waar de Richtlijn representatieve vorderingen aanvullende regels heeft, is de WAMCA aangepast. Dit zijn maar een paar bijzondere regels waarvoor een relatief beperkte aanpassing van de Nederlandse wet nodig was, aldus de wetgever . Het gaat hier om de eisen voor procesfinanciering (artikel 3:305a lid 2 onder f BW), de uitgebreidere binding aan de uitkomst van de collectieve actie (artikel 1018f lid 6 Rv) en de verplichting tot het opnemen van ruimere informatie op de website van de belangenorganisatie over uitspraken in een collectieve actie (artikel 3:305a lid 2 onder d, onderdeel 7 BW, artikel 1018h lid 4 Rv en artikel 1018j Rv). Daarnaast is de WAMCA aangepast aan de regeling in de Richtlijn representatieve vorderingen met betrekking tot grensoverschrijdende collectieve acties. 6 De ontvankelijkheidseisen van de WAMCA in deze zaak 6.1. De collectieve vorderingen van SDBN vallen onder het regime van de WAMCA. De procedure bevindt zich nog in de voorfase, waarin de ontvankelijkheid van SDBN beoordeeld moet worden (zie 5.9). 6.2. De vraag of is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen betreft de toegang tot de overheidsrechter en is daarom van openbare orde. De rechtbank moet dus steeds ambtshalve toetsen of aan die ontvankelijkheidseisen is voldaan. 6.3. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding de in artikel 1018c lid 1 Rv vermelde gegevens bevat. 6.4. De rechtbank stelt verder vast dat is voldaan aan de op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven handelingen als bedoeld in artikel 1018c lid 2 Rv. De dagvaarding is tijdig ingediend ter griffie en de dagvaarding is aangetekend in het Centraal register voor collectieve vorderingen (www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen). Deze aantekening is vergezeld van een uittreksel van de dagvaarding. 6.5. Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv kan een inhoudelijke behandeling van de collectieve vorderingen van SDBN alleen plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist: dat SDBN voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW, dat SDBN voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het instellen van deze collectieve vorderingen efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen; dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de collectieve vorderingen. 6.6. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en 3 van artikel 3:305a BW. 6.7. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het representativiteitsvereiste). Daarnaast is in lid 2 van artikel 3:305a BW, onder a tot en met f, een aantal specifieke eisen op het gebied van governance en transparantie opgesomd waaraan de belangenorganisatie moet voldoen, zoals: a) de aanwezigheid van een toezichthoudend orgaan (artikel 3:305a lid 2 onder a BW); b) passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming door de benadeelden (onder b); c) de aanwezigheid van voldoende financiële middelen voor de procedure (onder c); d) transparantie en informatievoorziening via een website (onder d); e) voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van de te voeren procedure (onder e); f) een verbod op bepaalde derdenfinanciers (onder f). 6.8. Verder mogen de bestuurders betrokken bij de oprichting van de belangenorganisatie, en hun opvolgers, geen winstoogmerk hebben (artikel 3:305a lid 3 onder a BW), moet de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben (artikel 3:305a lid 3 onder b BW) en moet de belangenorganisatie voldoende hebben getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (het overlegvereiste; artikel 3:305a lid 3 onder c BW). Voldoet SDBN aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA? 6.9. Amazon voert – samengevat – aan dat SDBN niet aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet. Zij stelt dat de belangen die SDBN behartigt, onvoldoende gelijksoortig zijn. Daarnaast voldoet SDBN niet aan het representativiteitsvereiste en beschikt SDBN niet over passende en doeltreffende mechanismen voor deelname aan besluitvorming door haar beweerde achterban. SDBN heeft indirect een ontoelaatbaar winstoogmerk. Het winstoogmerk van haar financier voert de boventoon. Amazon meent dat SDBN eventuele toekomstige wijzigingen van de financieringsovereenkomst ter beoordeling aan de rechtbank en Amazon moet voorleggen. Tot slot is het voeren van een collectieve procedure niet efficiënter of effectiever dan het instellen van individuele vorderingen, omdat de vorderingen van SDBN een beoordeling op individueel niveau vergen, aldus Amazon. Statutenvereiste 6.10. De rechtbank stelt vast dat SDBN een stichting naar Nederlands recht is. Uit haar statuten blijkt verder dat SDBN tot doel heeft – kort gezegd – de behartiging van belangen van gedupeerden van privacyschendingen (zie 3.1). In deze procedure komt SDBN op voor dezelfde belangen. Dit is ook niet door Amazon betwist. Dat betekent dat is voldaan aan het statutenvereiste. Governance en invloed financier 6.11. De rechtbank stelt verder vast dat SDBN beschikt over een voltallig bestuur (zie 3.2) en een voltallige raad van toezicht (zie 3.3), van wie de kundigheid en geschiktheid niet ter discussie staan of zijn gesteld. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan die kundigheid en geschiktheid. Daarmee voldoet SDBN aan artikel 3:305a lid 2 sub a en e BW. Dat de bestuurders commerciële motieven hebben die via SDBN gerealiseerd worden (artikel 3:305a lid 3 sub a BW), is gesteld noch gebleken. De door SDBN ingestelde collectieve vorderingen strekken in financieel opzicht tot vergoeding van de schade die de personen voor wie zij opkomt hebben geleden. Dat de procesfinancier een winstoogmerk heeft, betekent niet dat SDBN dat ook heeft. Er is dus voldaan aan de eisen aangaande het winstoogmerk. 6.12. Amazon heeft niet betwist dat SDBN over voldoende middelen beschikt (artikel 3:305a lid 2 onder c BW). Door de buitensporige succes fee voor de procesfinancier en de succes bonus voor de advocaten van SDBN , voeren hun belangen echter de boventoon in plaats van de belangen van de achterban van SDBN , aldus Amazon. 6.13. Het inschakelen van een procesfinancier is op zichzelf toegestaan en vaak noodzakelijk vanwege de hoge kosten van een procedure als de onderhavige. Voldoende aannemelijk is, mede gelet op de overgelegde financieringsovereenkomst, dat de belangen van de achterban van SDBN in dit stadium parallel lopen aan de belangen van de procesfinancier en de advocaten van SDBN . In een eventueel later stadium van de procedure zal nader moeten worden beoordeeld of die belangen nog steeds parallel lopen. Dan kan zo nodig aan de orde komen of sprake is van een buitensporige succes fee voor de procesfinancier en de advocaten van SDBN (artikel 1018l lid 2 Rv). Tegen die achtergrond is er geen reden om nu reeds te bepalen dat SDBN eventuele toekomstige wijzigingen van de financieringsovereenkomst ter beoordeling moet voorleggen aan de rechtbank en Amazon. 6.14. Er is ook voldaan aan de eis genoemd in 3:305a sub f BW. Niet gebleken is dat de partij die deze procedure voor SDBN financiert, een concurrent is, of afhankelijk is van Amazon. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. Mechanismen voor deelname en vertegenwoordiging 6.15. Met betrekking tot de eis van passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, stelt SDBN dat zij is ingericht overeenkomstig de Claimcode. Zij heeft verder toegelicht dat zij haar achterban informeert via haar website en dat zij haar achterban zal raadplegen bij de besluitvorming over belangrijke kwesties, zoals het sluiten van een collectieve schikking of het doen van een voorstel over de schadeafwikkeling of schadeberekening. De statuten van SDBN voorzien verder in de mogelijkheid tot het instellen van een commissie van benadeelden. 6.16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft SDBN hiermee voldaan aan de eis van artikel 3:305a lid 2 onder b BW. Uit de wetsgeschiedenis bij de WAMCA blijkt dat het aan de belangenorganisatie zelf is om te bepalen op welke manier zij invulling wenst te geven aan de eis van passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming. Bij stichtingen kan het in de gelegenheid stellen van de achterban zich uit te laten over bepaalde besluiten een mogelijkheid zijn om te borgen dat de achterban voldoende inspraak heeft bij de besluitvorming bij de stichting. Wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode kan worden aangenomen dat is voldaan aan de hiervoor bedoelde eis . Amazon heeft niet betwist dat SDBN is ingericht overeenkomstig de Claimcode. Internetpagina 6.17. Verder is voldaan aan de eis zoals opgenomen in artikel 3:305a lid 2 sub d BW. SDBN beschikt namelijk over een algemeen toegankelijke internetpagina (zie 3.4) waarop de informatie zoals opgesomd in artikel 3:305a lid 2 onder d nummer 1 tot en met 9 BW beschikbaar is. Amazon heeft dat ook niet betwist. Nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer 6.18. Tussen partijen bestaat evenmin discussie over de vraag of de rechtsvordering een voldoende nauwe band heeft met de Nederlandse rechtssfeer. SDBN komt op voor de belangen van accounthouders van Amazon in Nederland, zodat is voldaan aan de eis in artikel 3:305a lid 3 onder b BW. Overlegvereiste 6.19. Tot slot stelt de rechtbank vast dat SDBN heeft geprobeerd het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (zie 3.7 en 3.8). Amazon heeft dat niet betwist. Daarmee is voldaan aan het overlegvereiste. Aanhouding toetsing gelijksoortigheidsvereiste en representativiteitsvereiste 6.20. De rechtbank zal de toetsing aan het representativiteitsvereiste en het gelijksoortigheidsvereiste aanhouden, omdat deze zozeer is verweven met de beantwoording van de te stellen prejudiciële vragen (zie hierna 8.2), dat de rechtbank hierop niet zal vooruitlopen. Ter toelichting overweegt de rechtbank als volgt. Gelijksoortigheid 6.21. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat het zogeheten gelijksoortigheidsvereiste: een belangenorganisatie kan (slechts) een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van belanghebbende personen. Aan deze eis is voldaan als de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden . 6.22. De vraag of de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, hangt mede af van de aard van de ingestelde vorderingen. In de Nederlandse WAMCA-rechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de gelijksoortigheid van vorderingen tot vergoeding van immateriële schade. In de zaak tegen TikTok heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat dergelijke belangen niet bundelbaar zijn in een collectieve actie, omdat een vordering tot vergoeding van immateriële schade afhangt van de omstandigheden van de individuele gebruiker . In de TikTok zaak is hoger beroep ingesteld. In de zaak tegen Oracle is het gerechtshof Amsterdam van oordeel dat de belangen bij een vordering tot vergoeding van immateriële schade (voorlopig) wel bundelbaar zijn . Het gerechtshof heeft daarbij overwogen dat de gestelde schade voortvloeit uit een gelijke normschending en dat niet noodzakelijk is dat de schade voor iedereen gelijk is. Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt volgens het gerechtshof dat de wetgever heeft voorzien dat niet elk lid van de achterban gelijke schade heeft geleden. In dat kader is, met gebruikmaking van de ervaringen die zijn opgedaan met de WCAM, in de wet de mogelijkheid van het werken met diverse categorieën opgenomen (artikel 1018i lid 2 Rv). Het gerechtshof overweegt verder dat het niet reeds in de ontvankelijkheidsfase laten stranden van het schadevergoedingsonderdeel past bij de ratio van de WAMCA. In de zaak tegen Oracle is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. In de zaak tegen Google heeft de rechtbank Amsterdam op gelijke wijze geoordeeld . Representativiteit 6.23. Het doel van de representativiteitseis in de WAMCA is te waarborgen dat een belangenbehartiger voldoende steun heeft van haar achterban en daarmee als opkomend voor een groep gedupeerden kan worden gezien. De wet kent op dit punt geen getalsmatig criterium. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat van het noemen van een getal, absoluut of relatief, bewust is afgezien. Uit de omstandigheid dat niet alleen verenigingen, die vanzelfsprekend leden hebben, maar ook stichtingen die dat niet hebben als eiser kunnen optreden, volgt dat de Nederlandse wetgever het kennelijk niet noodzakelijk heeft geacht dat vastgesteld kan worden wie zich achter de eiser schaart. Volgens de Nederlandse wetgever gaat het om de mate waarin een belangenorganisatie als representatief voor deze groep gedupeerden kan worden gezien. Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Voor elke collectieve vordering zal de belangenorganisatie dus duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en houdt in het algemeen verband met het totaal aantal gedupeerden. Dit kan worden getoetst op basis van het aantal bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld , maar ook op andere wijze. 6.24. In meerdere WAMCA-procedures die op dit moment gevoerd worden in Nederland is onderwerp van geschil of de eisende belangenorganisatie(s) voldoen aan de representativiteitseis. In de zaak tegen Oracle oordeelde de rechtbank Amsterdam dat de duizenden likes bij een bericht over een procedure tegen de niet met naam genoemde gedaagde op de website van de belangenorganisatie onvoldoende was . Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de betreffende belangenorganisatie de gegevens van degenen die een like hadden gegeven niet registreert, zodat niet kon worden vastgesteld of deze personen behoorden tot de achterban van de belangenorganisatie. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam in deze zaak geoordeeld dat wel was voldaan aan de representativiteitseis. Het gerechtshof heeft daarbij waarde gehecht aan de duizenden likes die illustreerden dat een behoorlijk aantal natuurlijke personen de collectieve procedure – waarvan inmiddels voor een ieder duidelijk was tegen wie die gericht was – steunt. Ook acht het gerechtshof van belang dat maatschappelijke organisaties met een track record op dit gebied, zoals de Consumentenbond en diverse stichtingen, steun voor deze collectieve actie hebben uitgesproken . In de zaak tegen TikTok heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat was voldaan aan de representativiteitseis. Relatief ten opzichte van de groep van miljoenen personen op wie de actie volgens eisers ziet was de steun die de belangenorganisaties hadden verzameld gering, maar het absolute aantal aangeslotenen was wel aanzienlijk. Verder heeft de rechtbank onder meer de aard van de procedure (een privacy-claim gericht op bescherming van minderjarigen en met betrekking tot een gratis digitaal product) meegewogen . In de zaak tegen Google is de representativiteit beoordeeld aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende belangenorganisaties. Die aantallen waren onderbouwd met accountantsrapporten . In de zaak tegen Adobe heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat de betreffende belangenorganisatie niet had voldaan aan de representativiteitseis. Zowel in absolute als relatieve zin was het aantal aangeslotenen te gering, waarbij de rechtbank mede van belang achtte dat niet was gebleken dat ook maatschappelijke organisaties met een track record de vordering ondersteunden. De belangenorganisatie is evenwel niet niet-ontvankelijk verklaard, dit in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in de onderhavige procedure. Ook de hiervoor vermelde zaak tegen Google is aangehouden in afwachting van de beantwoording van de voorgenomen prejudiciële vragen in de onderhavige zaak . 7 De vragen van uitleg Hieronder zijn de prejudiciële vragen opgenomen die de rechtbank aan het HvJEU stelt. Naar aanleiding van de opmerkingen van partijen over de formulering van de prejudiciële vragen heeft de rechtbank aanleiding gezien de vraagstelling op sommige punten aan te passen ten opzichte van de in het tussenvonnis geformuleerde (voorgenomen) vraagstelling. 1) Artikel 80 lid 1 AVG stelt eisen aan een belangenorganisatie als in die bepaling bedoeld. Laat het Unierecht toe dat Nederland in de WAMCA nadere ontvankelijkheidseisen heeft opgenomen voor belangenorganisaties die vorderingen als bedoeld in de artikelen 77, 78, 79 en 82 AVG instellen ten behoeve van betrokken natuurlijke personen? 2) Zijn de ontvankelijkheidseisen in de WAMCA, in het bijzonder aangaande gelijksoortigheid en representativiteit, voor belangenbehartigers die ten behoeve van betrokkenen een collectieve schadevergoedingsactie willen instellen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vanwege schendingen van de AVG, geoorloofd in het licht van artikel 80 lid 1 AVG? 3) Houdt de eis in artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens, meer of anders in dan de nationale eis dat de belangenorganisatie voldoende ervaring en deskundigheid bezit ten aanzien van de te voeren procedure (artikel 3:305a lid 2 sub e BW), in combinatie met de eisen aan de statuten (artikel 3:305a lid 1 BW)? Volgt uit de activiteitseis van artikel 80 lid 1 AVG dat de belangenorganisatie een track record moet hebben? 4) Staat het opdrachtbegrip in artikel 80 lid 1 AVG en/of het bepaalde in artikel 80 lid 2 AVG in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan een belangenorganisatie, die voldoet aan de eisen van artikel 80 lid 1 AVG, een collectieve schadevergoedingsvordering kan instellen ten behoeve van betrokkenen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vanwege schendingen van de AVG, terwijl die belangenorganisatie geen opdracht heeft van betrokkenen? 5) In hoeverre is in het kader van vraag 4, bij de uitleg van het opdrachtbegrip in artikel 80 AVG, relevant dat op grond van de nationale regelgeving (de WAMCA) de betrokkene niet op voorhand kenbaar hoeft te maken dat hij gebonden wil zijn aan de collectieve schadevergoedingsactie? Daarbij geldt dat hij (in voorkomend geval) op twee momenten schriftelijk kan kiezen om geen gebruik te maken van de belangenbehartiging door de belangenbehartiger en dus niet gebonden te zijn, namelijk (i) binnen een door de rechter te bepalen termijn te rekenen vanaf het moment dat de belangenbehartiger door de rechtbank wordt aangewezen als (exclusieve) belangenbehartiger (artikel 1018f lid 1 Rv) en (ii) binnen een door de rechter te bepalen termijn in het geval partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (artikel 1018h lid 5 Rv). 8 Toelichting op de vragen Toelichting vraag 1 8.1. Zoals hiervoor is overwogen heeft SDBN collectieve vorderingen ingesteld die vallen onder het regime van de WAMCA en gelden voor de ontvankelijkheid van deze collectieve vorderingen de in hoofdstuk 6 vermelde eisen. De vorderingen van SDBN zijn (onder meer) gebaseerd op schending van de AVG. De AVG stelt in artikel 80 AVG ook ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties: een belangenorganisatie moet (i) een orgaan, organisatie of vereniging zijn dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, (ii) zij mag geen winstoogmerk hebben, (iii) haar statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen en (iv) zij moet actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens. Deze ontvankelijkheidseisen gelden ook voor belangenorganisaties die onafhankelijk van een opdracht van de betrokkenen optreden (artikel 80 lid 2 AVG). 8.2. Zowel de WAMCA als de AVG stellen dus ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties die een collectieve actie willen starten. Deze vereisten lopen voor een deel parallel aan elkaar, maar zij komen niet volledig overeen. De belangenorganisatie moet bijvoorbeeld op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (zie 6.23 en 6.24), terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Dat betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere – en strengere – eisen gelden. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren deze eisen als een verzwaring ten opzichte van de eisen in artikel 80 lid 1 AVG. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG. 8.3. In het Meta-arrest (HvJEU 28 april 2022, C-319/20; ECLI:EU:C:2022:322) heeft het HvJEU overwogen: “(…) dat de AVG, zoals blijkt uit haar artikel 1, lid 1, gelezen in het licht van met name de overwegingen 9, 10 en 13 ervan, in beginsel de nationale regelgevingen inzake de bescherming van persoonsgegevens volledig beoogt te harmoniseren. De bepalingen van deze verordening bieden de lidstaten evenwel de mogelijkheid om strengere of afwijkende nationale bepalingen vast te stellen die hun een beoordelingsmarge laten met betrekking tot de wijze waarop deze regels kunnen worden toegepast („open clausules”) (overweging 57) en “Dit geldt met name voor artikel 80, lid 2, AVG, dat de lidstaten een beoordelingsmarge laat bij de uitvoering ervan. Om de gelegenheid te bieden zonder opdracht een representatieve vordering ter bescherming van persoonsgegevens in te stellen zoals bedoeld in deze bepaling, moeten de lidstaten dus gebruikmaken van de door deze bepaling geboden mogelijkheid om deze vorm van vertegenwoordiging van betrokkenen op te nemen in hun nationale recht” (overweging 59). Het HvJEU heeft verder overwogen: “(…) moeten de lidstaten, wanneer zij de hun door een dergelijke open clausule geboden mogelijkheid benutten, hun beoordelingsmarge evenwel gebruiken onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in de bepalingen van de AVG zijn gesteld, en aldus een wettelijke regeling vaststellen die geen afbreuk doet aan de inhoud en de doelstellingen van die verordening” (overweging 60). Volgens het HvJEU worden daarbij “bepaalde vereisten inzake de personele en materiële werkingssfeer (…) opgesomd die daartoe moeten vervuld” (overweging 63). De personele werkingssfeer ziet blijkens het Meta-arrest op de vereisten die artikel 80 lid 1 AVG aan een belangenorganisatie stelt (overweging 64). 8.4. Uit de AVG, de overwegingen daarbij en de jurisprudentie van het HvJEU kan niet eenduidig worden afgeleid hoe groot de beoordelingsmarge en procedurele autonomie van de lidstaten is ten aanzien van artikel 80 AVG en of de aanvullende ontvankelijkheidseisen in de WAMCA binnen deze beoordelingsmarge vallen. 8.5. Uit de jurisprudentie van het HvJEU kan wel worden afgeleid dat het HvJEU inperkingen op de procedurele autonomie van de lidstaten heeft aangenomen ten aanzien van artikel 82 AVG. De rechtbank wijst op de volgende arresten: HvJEU 4 mei 2023, C-300/21, ECLI:EU:C:2023:370 (Österreichische Post) HvJEU 14 december 2023, C-340/21, ECLI:EU:2023:353 (VB/Natsionalna agentsia za prihodite) HvJEU 4 oktober 2024, C-21/23, ECLI:EU:C:2024:846 (Lindenapotheke) HvJEU 11 april 2024, C-741/21, ECLI:EU:C:2024:288 (GP/juris). 8.6. Tegen die achtergrond bestaat gerede twijfel over het antwoord op de vraag of artikel 80 AVG aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan de aanvullende ontvankelijkheidseisen van de WAMCA en daarmee of de ontvankelijkheidseisen in de WAMCA geoorloofd zijn. Toelichting op vraag 2 8.7. Zoals uit 6.21 – 6.24 hiervoor blijkt wordt in de Nederlandse jurisprudentie verschillend gedacht over de invulling van de representativiteits- en gelijksoortigheidseis. De richtinggevende uitspraken van het HvJEU als hiervoor genoemd zien niet op collectieve acties. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen hiervoor ter toelichting op vraag 1 is overwogen is onduidelijk of het Unierecht toestaat dat ontvankelijkheidseisen op deze punten worden gesteld, omdat deze in de praktijk de doelstellingen van de AVG, in het bijzonder de effectieve rechtsbescherming van natuurlijke personen tegen gegevensverwerking die niet conform de AVG geschiedt, zouden kunnen belemmeren. De AVG geeft geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat acties als deze slechts toelaatbaar zouden zijn als de eisende belangenorganisatie representatief is (in absolute dan wel relatieve zin) voor een bepaalde achterban. In de relevante artikelen (79, 80, 82) wordt steeds uitgegaan van de/elke betrokkene. Ook een actie van een belangenorganisatie met een achterban van één persoon lijkt dus in beginsel toelaatbaar. Wat de gelijksoortigheidseis betreft lijkt uit de AVG te volgen dat er, voor wat betreft de toegang tot de rechter in de zin van artikel 79 e.v. AVG, geen verschil wordt gemaakt tussen de diverse inbreuken op de rechten van betrokkenen onder de AVG en de daaruit voor betrokkene voortvloeiende schade. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het aan het beleid van de rechter in het kader van de goede procesorde wordt overgelaten om al dan niet bundeling van ongelijksoortige vorderingen toe te laten, waarbij het niet aan de wetgever van de lidstaat is om in dat opzicht een algemene ontvankelijkheidseis te stellen. Toelichting op vraag 3 8.8. In verband met de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA en de AVG, die dus deels parallel lopen, maar niet volledig overeenkomen, is het verder de vraag of het vereiste van ‘actief zijn’ in artikel 80 lid 1 AVG méér inhoudt dan de nationale eis dat de belangenorganisatie over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt ten aanzien van de te voeren procedure (artikel 3:305a lid 2 sub e BW) in combinatie met het statutenvereiste en het representativiteitsvereiste. 8.9. Hiervoor is toegelicht dat de WAMCA op het punt van de ontvankelijkheidseisen die aan een belangenorganisatie worden gesteld, in overeenstemming is met de ontvankelijkheidseisen die worden gesteld in de Richtlijn representatieve vorderingen (zie 5.15). De nationale eis dat de belangenorganisatie voldoende deskundig moet zijn, betekent dat zij aantoonbaar over expertise beschikt die relevant is voor de collectieve vordering, dan wel toegang daartoe heeft. Welke deskundigheid dit is, zal van geval tot geval verschillen. Dit kan ook verschillen naar gelang de omvang van de groep wier belangen worden behartigd. Naarmate de groep gedupeerden voor wie de organisatie opkomt, groter is, kan een meer professionele aanpak vereist zijn. Dit betekent overigens niet dat de rechter geen ad hoc organisaties zou kunnen toestaan. Wel zullen deze organisaties moeten aantonen dat zij, bijvoorbeeld door personen met specifieke expertise aan hun organisatie te verbinden, beschikken over voldoende ervaring en deskundigheid. Het vereiste van voldoende ervaring kan blijken uit eerdere werkzaamheden op het terrein van de collectieve vordering voor de achterban, door eerder ingestelde collectieve v