Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 09-06-2026 (C/13/731682)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

WAMCA. Mondeling eindvonnis. Afwijzing van resterende vorderingen wegens onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW.

Case Summary

RECHTBANK Amsterdam afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/731682 / HA ZA 23-329 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 9 juni 2026 in de zaak van de stichting STICHTING INITIATIEVEN COLLECTIEVE ACTIES MASSASCHADE ICAM , gevestigd te Amsterdam, advocaat eerst mr. D.M. Linders, vervolgens mr. K.E.L. van Haastrecht (onttrokken), thans mr. S.T.L.A. Mulders te Amsterdam, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. G-J. Zwenne te Den Haag, 2. de vereniging PUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND , gevestigd te Utrecht, 3. de stichting STICHTING PROJECTENBUREAU PUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND , gevestigd te Utrecht, 4. […], 5. de stichting STICHTING LANDELIJKE COÖRDINATIE COVID-19 BESTRIJDING , gevestigd te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. E.P.M. Thole te Amsterdam, 6. […], 7. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD BRABANT-ZUIDOOST , zetelend te Eindhoven, 8. de publiekrechtelijke rechtspersoon DIENST GEZONDHEID & JEUGD ZUID-HOLLAND ZUID , zetelend te Dordrecht, 9. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD DRENTHE , zetelend te Assen, 10. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD FLEVOLAND , zetelend te Lelystad, 11. de publiekrechtelijke rechtspersoon VEILIGHEIDSREGIO FRYSLÂN , zetelend te Leeuwarden, 12. de publiekrechtelijke rechtspersoon VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSREGIO GELDERLAND-MIDDEN (VGGM) , zetelend te Arnhem, 13. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD GELDERLAND-ZUID , zetelend te Nijmegen, 14. […], 15. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD GRONINGEN , zetelend te Groningen, 16. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST EN VEILIG THUIS HAAGLANDEN , zetelend te Den Haag, 17. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD HART VOOR BRABANT , zetelend te 's-Hertogenbosch, 18. de publiekrechtelijke rechtspersoon REGIONALE DIENST OPENBARE GEZONDHEIDZORG HOLLANDS MIDDEN , zetelend te Leiden, 19. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST HOLLANDS NOORDEN , zetelend te Alkmaar, 20. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD IJSSELLAND , zetelend te Zwolle, 21. de publiekrechtelijke rechtspersoon VEILIGHEIDSREGIO KENNEMERLAND , zetelend te Haarlem, 22. de publiekrechtelijke rechtspersoon VEILIGHEIDSREGIO LIMBURG-NOORD , zetelend te Venlo, 23. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD NOORD- EN OOST-GELDERLAND , zetelend te Apeldoorn, 24. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD REGIO UTRECHT , zetelend te Zeist, 25. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD ROTTERDAM-RIJNMOND , zetelend te Rotterdam, 26. de publiekrechtelijke rechtspersoon SAMENTWENTE, zetelend te Enschede, 27. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD WEST-BRABANT , zetelend te Breda, 28. de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD ZAANSTREEK-WATERLAND , zetelend te Zaandam, 29. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZEELAND , zetelend te Goes, 30. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZUID-LIMBURG , zetelend te Heerlen, 31. […], 32. […], 33. […], 34. […], gedaagden, advocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda. Partijen zullen hierna ICAM, de Staat, GGD GHOR (de van gedaagden 2 tot en met 5 resterende gedaagden) en de GGD’en c.s. (de van gedaagden 6 tot en met 34 resterende gedaagden) worden genoemd. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen de volgende mondeling uitspraak gedaan. 1 Inleiding 1.1. Deze uitspraak betreft een einduitspraak in de zaak die gaat over de persoonsgegevens van de personen die zich tijdens de coronapandemie door de GGD’en hebben laten testen en/of vaccineren en over de persoonsgegevens van personen naar wie door de GGD’en tijdens de coronapandemie een bron- en contactonderzoek is ingesteld. 1.2. Zoals in het tussenvonnis van 17 juli 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) uiteen is gezet, staat vast dat er medewerkers van de GGD’en zijn geweest die toegang hadden tot de IT-systemen en die persoonsgegevens ter beschikking hebben gesteld aan derden, wat is aangeduid als het ‘coronadatalek’. 1.3. ICAM heeft ten behoeve van de personen die zich tijdens de coronapandemie hebben laten testen en/of vaccineren en/of die onderwerp van een bron- en contactonderzoek zijn geweest, vorderingen (A. t/m Q.) ingesteld tegen een aantal gedaagden, onder wie de GGD’en. Insteek van de procedure was dat de gedaagde partijen worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, niet alleen aan de personen van wie vaststaat dat hun persoonsgegevens aan derden zijn verstrekt, maar ook aan iedereen die moet vrezen dat zijn persoonsgegevens in verkeerde handen zijn gevallen, wat volgens ICAM geldt voor iedereen die gegevens aan een GGD heeft verstrekt. 2 Het eerste tussenvonnis 2.1. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank de nauw omschreven groep van personen voor wie ICAM optreedt, vastgesteld: a) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, met uitzondering van de personen die deel uitmaken van Groep B (“Groep A”); b) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, en waarvan vaststaat of zal worden vastgesteld dat hun persoonsgegevens als gevolg van het GGD-datalek door ongeautoriseerde personen zijn ingezien of bij ongeautoriseerde personen in handen zijn gekomen, zoals door het ongeoorloofd inzien, downloaden, exporteren, printen, kopiëren, fotograferen en/of aanbieden, verhandelen, ontvangen of op andere wijze delen van de persoonsgegevens (“Groep B”). 2.2. Daarnaast heeft de rechtbank ICAM in haar vorderingen tegen enkele gedaagden niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze gedaagden geen gegevens hebben verwerkt met de bij het coronadatalek betrokken systemen CoronIT en HPZone Lite (r.o. 5.19.3). 2.3. Ook heeft de rechtbank alle vorderingen strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Een deel van deze vorderingen was gegrond op de vrees dat gegevens in verkeerde handen zouden kunnen komen, zonder dat vast was komen te staan dat dit laatste het geval was (Groep A). Uit Europese rechtspraak kan echter worden afgeleid dat een (immateriële) schadevergoeding uitsluitend kan worden toegekend aan personen jegens wie niet alleen een inbreuk op de AVG is gemaakt, maar die door die inbreuk ook daadwerkelijk schade hebben geleden. De schadevergoedingsvorderingen, voor zover die zagen op de gestelde immateriële schade en de schade van Groep A, waren in zoverre dan ook niet-ontvankelijk (r.o. 5.20.8 tot en met 5.20.17). Het overige deel van de schadevergoedingsvorderingen was gegrond op de vaststelling dat de gegevens van die personen in verkeerde handen zijn gekomen (Groep B). Aan die personen is evenwel een financiële tegemoetkoming aangeboden, die door de meeste benadeelden is geaccepteerd, waarmee zij ook afstand hebben gedaan van een vordering tot schadevergoeding. Zodoende bleef er slechts een beperkte groep van benadeelden over. Omdat ICAM niet aannemelijk had gemaakt dat zij voor die groep representatief was, is ICAM ook in haar vordering tot schadevergoeding voor deze beperkte groep niet-ontvankelijk verklaard (r.o. 5.20.18 tot en met 5.20.20). 2.4. Gelet op het voorgaande is ICAM uitsluitend in de vorderingen K. en L. ontvankelijk verklaard. De vorderingen onder K. behelzen verklaringen voor recht dat (verwerkingsverantwoordelijke) gedaagden in strijd handel(d)en met onder meer diverse bepalingen uit het EVRM , het Handvest en de AVG en jegens de gedupeerden onrechtmatig handel(d)en op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat deze gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door het coronadatalek veroorzaakte schade. De vorderingen onder L. zijn/waren erop gericht die strijd/inbreuken te beëindigen en om de beveiligingsmaatregelen te (laten) verbeteren. 2.5. De rechtbank heeft ICAM op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevolen om bij akte toe te lichten welk belang zij nog had bij die vorderingen onder K. en om toe te lichten welke van de onder vordering L. bedoelde inbreuken thans nog aanwezig zijn en waaruit dat blijkt (r.o. 5.21.2 en 5.21.3). 2.6. In dit eerste tussenvonnis is tot slot ook een groot deel van de incidentele vorderingen afgewezen en is ICAM ten aanzien van de resterende incidentele vorderingen opgedragen toe te lichten welk van de gedaagden over de gevraagde stukken beschikt en of die stukken niet al dan niet in het kader van de Wet open overheid zijn opgevraagd of opgevraagd konden worden en, indien opgevraagd, met welk resultaat (r.o. 6.1 tot en met 6.5). 2.7. De rechtbank heeft tegen het eerste tussenvonnis tussentijds hoger beroep opengesteld (r.o. 7.1). ICAM heeft hiervan gebruik gemaakt, maar heeft het door haar ingestelde hoger beroep later weer ingetrokken. 3 Het tweede tussenvonnis 3.1. Nadat de rechtbank bij rolbeslissing van 19 maart 2025 , het verzoek van ICAM tot heroverweging van het eerste tussenvonnis had afgewezen, heeft de rechtbank op 18 juni 2025 een tweede tussenvonnis gewezen. 3.2. In dit tweede tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de vraag of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K. en L. en wie er nu precies verwerkingsverantwoordelijke is, bij de inhoudelijke behandeling aan de orde zal komen (r.o. 2.6 en r.o. 2.7). 3.3. De rechtbank heeft verder bepaald wat de collectieve vordering precies inhoudt, namelijk “ dat [wat] wordt gevorderd onder K.I tot en met K.III en L., voor zover deze vorderingen geen betrekking hebben op de schadelijke gevolgen van het coronadatalek .” Deze afbakening had tot gevolg dat het gevorderde onder K.IV (in het vonnis staat abusievelijk L.IV) geen onderdeel meer uitmaakte van ‘dat wat de collectieve vordering precies inhoudt’ (r.o. 2.9 en 2.10). 3.4. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het niet zinvol is om personen, behorende tot de (in het eerste tussenvonnis vastgestelde) nauw omschreven groep voor wie ICAM optreedt, in de gelegenheid te stellen zich te onttrekken aan de collectieve belangenbehartiging (‘opt-out’) en/of om personen, behorende tot de nauw omschreven groep, maar die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben, in de gelegenheid te stellen zich bij die vorderingen aan te sluiten (‘opt-in’). Hiertoe is overwogen dat leden van de nauw omschreven groep in relatie tot de vorderingen onder K. en L. geen belang bij ‘opt-in’ hebben, omdat uit de toewijzing van deze vordering voor hen geen persoonlijke aanspraak jegens een van gedaagden kan voortvloeien. Evenmin is er belang bij ‘opt-out’, omdat zij geen nadeel kunnen ondervinden van de toe- of afwijzing van het gevorderde. Het gaat hier om een algemeen belang. Er is daarom geen belang bij de nauw omschreven groep bij ‘opt-out’ dan wel ‘opt-in’. De rechtbank heeft daartoe dan ook geen gelegenheid gegeven (r.o. 2.20). 3.5. De rechtbank heeft in dit tweede tussenvonnis tot slot de resterende incidentele vorderingen afgewezen, omdat niet gebleken is dat ICAM nog enig rechtmatig belang had bij de verzochte stukken (r.o. 2.21 ev.). 4 Eisvermindering 4.1. Na het tweede tussenvonnis heeft ICAM haar eis bij akte verminderd en het gevorderde onder L. ingetrokken. Zij merkt daarover het volgende op: “Deze onderdelen van de eis zijn door tijdverloop ingehaald. Inmiddels hebben gedaagden, naar eigen zeggen, maatregelen genomen om de beveiliging van overheidssystemen op een voldoende niveau te brengen en een dergelijk datalek in de toekomst te voorkomen. Daarnaast hebben gedaagden unaniem aangegeven dat de betreffende IT-systemen, CoronlT en HPZone Lite niet meer gebruikt worden en zijn vervangen door nieuwe en beter beveiligde systemen. Deze combinatie van feiten en de verdere ontwikkelingen in deze procedure hebben ICAM doen besluiten tot intrekking van voormelde eisen.” 5 De beoordeling van het gevorderde onder K.I tot en met K.III 5.1. Gelet op al het voorgaande, ligt in de eerste plaats ter beoordeling voor of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III, in welke vorderingen de antwoorden op de volgende vragen besloten liggen: Wie is of zijn de verwerkingsverantwoordelijke(n) van CoronIT en HPZone Lite? Zijn er door de verwerkingsverantwoordelijke(n) wettelijke of verdragsbepalingen geschonden en is door hen onrechtmatig gehandeld jegens gedupeerden? 5.2. ICAM heeft over haar belang bij de vorderingen K.I tot en met K.III (al dan niet herhaald) gesteld dat de gedupeerden, na het verkrijgen van de gevorderde verklaringen voor recht, in een eigen procedure hun materiële en immateriële schade kunnen verhalen. In die procedures is een inhoudelijk oordeel over de vraag of er sprake is van een inbreuk op (onder meer) de AVG en/of een onrechtmatige daad dan niet langer nodig. 5.3. Zowel de Staat, GGD GHOR als de GGD’en c.s. betwisten dat ICAM nog belang heeft bij deze vorderingen. GGD GHOR heeft hierbij toegelicht dat zij niet verwacht dat gegevens van personen uit Groep A als gevolg van de datadiefstal in verkeerde handen zijn gekomen, aangezien inmiddels een periode van ruim vier jaar is verstreken sinds de datadiefstal en bij diverse zoektochten op het (dark)web tot heden geen gegevens zijn aangetroffen. Bovendien hadden individuen zich intussen al lang kunnen melden indien zij schade hadden geleden als gevolg van de datadiefstal. Ruim vier jaar na dato, is nog steeds niet gebleken dat meer personen zijn betrokken bij de datadiefstal dan die een financiële tegemoetkoming aangeboden hebben gekregen, aldus GGD GHOR. 5.4. De rechtbank overweegt als volgt. 5.4.1. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er personen zijn die door het coronadatalek (daadwerkelijk) schade hebben geleden en die met behulp van de in dit geding uit te spreken verklaringen voor recht op eenvoudiger wijze dan zonder deze verklaringen voor recht hun schade zouden kunnen vorderen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ICAM concreet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de stelling van GGD GHOR dat er tot op heden, dus na het verstrijken van een periode van vier jaar, niet is gebleken dat er gegevens van groep A in verkeerde handen zijn gekomen en evenmin dat individuen, die niet financieel zijn gecompenseerd, inmiddels schadevergoedingsvorderingen hebben ingesteld. 5.5. ICAM heeft vandaag naar voren gebracht dat er niet alleen sprake is van een datalek, maar dat zij ook heeft gewezen op de beveiligingskwetsbaarheid. Die is in het eerste tussenvonnis buiten beschouwing gelaten. Uit die beveiligingskwetsbaarheid vloeit voort dat 6,5 miljoen Nederlanders de controle over hun gegevens zijn verloren en dus moeten vrezen voor misbruik van hun gegevens. Verder heeft ICAM aangevoerd dat gedupeerden op grond van artikel 79 AVG het recht hebben een voorziening in rechte te vragen. Zij leidt daaruit af dat gedupeerden een immaterieel belang hebben bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III. 5.6. Beide argumenten zijn in relatie tot het belang van ICAM bij de vorderingen K.I tot en met K.III niet eerder aangevoerd, terwijl de rechtbank ICAM bij akte in de gelegenheid had gesteld haar belang bij die vorderingen (en haar vordering onder L.) te onderbouwen. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat ICAM ter onderbouwing van haar belang nu nog met deze grotendeels nieuwe juridisch inhoudelijke argumenten komt en zal deze alleen al daarom buiten beschouwing laten. Bovendien komt de aangevoerde beveiligingskwetsbaarheid en het daaruit voortvloeiende verlies van controle in wezen (opnieuw) neer op de vrees voor een inbreuk en niet de vrees na een vastgestelde inbreuk. In genoemd tussenvonnis ging het om verlies van controle over persoonsgegevens door het datalek (r.o. 5.20.8); die vrees is niet anders bij verlies van controle over persoonsgegevens door een beveiligingskwetsbaarheid. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis geoordeeld dat die vrees geen recht geeft op schadevergoeding, zodat ICAM in haar schadevergoedingsvordering met betrekking tot de benadeelden van groep A (6,5 miljoen Nederlanders) niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank blijft bij dat oordeel. Dat oordeel brengt met zich dat een verklaring voor recht die er op berust dat dat sprake was van een beveiligingskwetsbaarheid ook in een individuele procedure niet leidt tot toewijsbaarheid van schadevergoeding, zodat ook bij een dergelijke verklaring voor recht geen belang bestaat. 5.6.1. De conclusie is dat bij een toewijzing van het gevorderde onder K.I tot en met K.III onvoldoende is gebleken van een belang als bedoeld in artikel 3:303 BW. 5.6.2. Overigens stuit het gevorderde om dezelfde redenen ook af op het bepaalde in artikel 1018c lid 5, aanhef en onder b, Rv, waarin is bepaald dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaatsvindt “ indien en nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben. ” 5.6.3. Bij de hiervoor geschetste stand van zaken kan het “ aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt” onvoldoende concreet worden vastgesteld en kan overigens evenmin worden vastgesteld dat het beoordelen van de collectieve vorderingen onder K.I tot en met K.III efficiënter en effectiever zal zijn dan de eventuele individuele procedure(s) die mogelijk nog gaat/gaan worden gevoerd. Daarmee kan niet worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van die vorderingen. 5.7. Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen K.I tot en met K.III worden afgewezen. 6 Kostenveroordeling 6.1. ICAM is in deze procedure in het ongelijk gesteld; geen van haar vorderingen is toegewezen. ICAM zal daarom in de kosten worden veroordeeld. 6.2. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen gebruik zal maken van de in artikel 1018l Rv geregelde bevoegdheid om als summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, de salarissen van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij maximaal te vervijfvoudigen. De belangrijkste vraag in dit geding was immers de vraag of en in welke mate immateriële schade van de benadeelden in groep A voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dit was een vraag die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet zodanig duidelijk was dat toen al de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering duidelijk kon zijn. De in het eerste tussenvonnis in de randnummers 5.20.8-5.20.17 genoemde rechtspraak van het HvJ EU dateert van na de datum van de dagvaarding. 6.3. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt zowel voor de Staat als voor GGD GHOR als volgt. Griffierecht EUR 8.519,00 Conclusie van antwoord deel I Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Mondelinge behandeling van 22 april 2024 Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Akten van 12 februari 2025 en 9 april 2025 Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Conclusie van antwoord deel II Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Mondelinge behandeling van 9 juni 2026 Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Nakosten EUR 189,00 Totaal EUR 31.863,00 6.4. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt voor de GGD’en c.s. als volgt. Griffierecht 23/29ste deel van EUR 8.519,00 EUR 6.756,49 Conclusie van antwoord deel I 23/29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII) EUR 3.672,86 Mondelinge behandeling van 22 april 2024 23/29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII) EUR 3.672,86 Akten van 12 februari 2025 en 9 april 2025 Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Conclusie van antwoord deel II Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Mondelinge behandeling van 9 juni 2026 Een punt, tarief VIII EUR 4.631,00 Nakosten EUR 189,00 Totaal EUR 28.184,21 Bij de eerste drie posten wordt ook verwezen naar het eerste tussenvonnis, onder 5.19.4. 6.5. De verhoging van de nakosten en de gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals vermeld in de beslissing. 7 Beslissing De rechtbank: 7.1. wijst het gevorderde onder K.I tot en met K.III af; 7.2. wijst (ook) het meer of anders gevorderde af; 7.3. veroordeelt ICAM in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van zowel de Staat als GGD GHOR begroot op EUR 31.863,00 en aan de zijde van de GGD’en c.s. op EUR 28.184,21, steeds te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als ICAM niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij EUR 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening 7.4. veroordeelt ICAM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 7.5. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. H.J.H. van Meegen en mr. A.J. Scheijde, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzitter. ECLI:NL:RBAMS:2024:4264 Algemene verordening gegevensbescherming Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ECLI:NL:RBAMS:2025:3155 ECLI:NL:RBAMS:2025:4192 Hof van Justitie van de Europese Unie

Related across sources

Similar Content